Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 38. De Bestemming van de mens.

Verg. behalve de in de vorige paragraaf genoemde literatuur ook nog de verhandelingen van Gereformeerde zijde over het verbond der werken: Ursinus, Catech. major qu. 9. Olevianus, de subst. foed. gr. 1585 I par. 9 I. II par. 5. Polanus, Synt. Theol. VI 33. Junius, Theses theol. c. 25. Wollebius, Theol. Christ. I c. 8. Trelcatius, Loci Comm. 1587 bl. 276, Gomarus, Oratio de foedere Dei 1594. Trelcatius Jr., Inst. theol. 1604 bl. 131. Cloppenburg, Disp. de foedere Dei 1643. Goccejus, Summa de foed. 1648. Mastricht, Theol. III c. 12. Marck, Hist. Par. 1705 II c. 6 v. Moor, Comm. III 52-108. M. Vitringa, Doctr. c. 8. Comrie, Verh. over het verbond der werken, vóór zijn uitgave van Boston, Beschouwing van het verbond der genade 1741. Brahe, Aanm. over de Walch. art. 1758 bl. 123 v. J. van de Honert, Voorrede voor Ursinus’ Schathoek bl. 112-144. Over de verbondstheologie in Schotland: James Walker, The theology and theologians of Scotland/2. Edinburgh 1888 bl. 51 v.

294. Ofschoon Adam naar Gods Beeld geschapen werd, hij was het toch niet aanstonds in de volste zin en hij was het ook niet alleen op zichzelf. Eerst dan staat het Beeld Gods in zijn ganse rijkdom voor ons, als wij daarin ook opnemen de bestemming van de mens, zowel voor dit als voor het toekomende leven. In 1Cor. 15:45-49 stelt Paulus de beide verbondshoofden, Adam en Christus, tegenover elkaar en vergelijkt hen, niet zozeer, gelijk in Rom. 5:12-21 en 1Cor. 15:22, ten opzichte van wat zij teweegbrachten, als wel met betrekking tot hun natuur en persoon. De vergelijking daalt hier het diepste af en dringt tot de wortel van beider onderscheid door. De ganse Adam, zo vóór als na de val, wordt tegengesteld aan de ganse Christus, zo na als vóór de opstanding. De eerste mens is krachtens de schepping fuch zwsa, fucikov, ek chv coikov; maar de tweede Mens is door Zijn opstanding pneuma zwopoioun, pneumatikov, ex ouranou1. Ofschoon Adam naar Gods Beeld werd geschapen, hij was, wijl aards uit de aarde, van de aarde afhankelijk; hij had immers behoefte aan spijs en drank, licht en lucht, dag en nacht, en had dus nog geen pneumatisch, verheerlijkt, boven al die behoeften verheven lichaam; zijn psychisch lichaam was nog niet ten volle geworden orgaan van de geest. Als zodanig staat Adam beneden Christus: Adam is de eerste, Christus is de tweede en laatste, die Adam onderstelt en op Adam volgt; Adam is de mindere en lagere, Christus is de meerdere en hogere; Adam wees dus naar Christus heen, hij was ook vóór de val reeds type van Christus; bij de schepping van Adam werd reeds op Christus gerekend; de ganse schepping, ook die van de mens, was infralapsarisch; het natuurlijke is eerst, daarna het geestelijke. Wat Paulus hier breed en diep uiteenzet, is in Gen. 1; 2 zelf gegrond. De mens, schoon pneuma en een adem des levens in zich dragende, werd, evenals de dieren, een levende ziel. Hij kreeg vrucht van kruid en boom tot spijze, Gen. 1:29, een paradijs tot woonplaats, Gen. 2:8v., een vrouw tot hulp, Gen. 2:18v., een gebod tot richtsnoer, Gen. 2:16-17, een bedreiging van straf in geval van overtreding, Gen. 2:17. Uit alles blijkt, dat de eerste mens, hoe hoog ook geplaatst, het hoogste nog niet had. Er is een zeer groot verschil tussen het psychische en het pneumatische, tussen de status integritatis en de status gloriae. Na de opstanding zullen buik en spijze teniet gedaan worden, 1 Cor. 6:13, maar bij Adam waren beide aanwezig; in de hemel zullen de kinderen Gods niet meer huwen, maar de engelen gelijk zijn, Matt. 22:30, doch Adam had de hulp van een vrouw nodig.

Adam stond dus niet aan het einde maar aan het begin van de weg; zijn toestand was een voorlopige en tijdelijke, die zó niet blijven kon, en overgaan moest of tot hoger heerlijkheid of tot een val in zonde en dood. Op de overtreding toch van het gebod stond de dood, maar dus stond ook bij tegenstelling op de onderhouding daarvan het leven, en wel het eeuwige leven. Want niet alleen getuigt ons aller consciëntie, dat in het houden van Gods geboden grote loon is en de overtreding ervan straf meebrengt, maar de Heilige Schrift spreekt dit ook telkens uit; zij vat alle zaligheid, aan het doen van Gods geboden verbonden, onder de naam van leven, van eeuwig leven, samen, en kent beide in werken in genadeverbond maar één hoogste ideaal voor de mens, en dat is het eeuwige leven, Lev. 18:5, Ezech. 20:11, Ps. 19:12 [Ps. 19:11], Matt. 19:17, Luk. 10:28, Gal. 3:12. Zo stond Adam dus nog aan de ingang; hij had dit loon, het eeuwige leven, nog niet, maar moest het verwerven, hij kon nog dwalen, zondigen, vallen, sterven. Zijn verhouding tot God was zó, dat hij in zijn gemeenschap hoe langer hoe meer toenemen, maar ook daaruit nog vervallen kon. Deze eigenaardige verhouding wordt in de Schrift misschien op één plaats met een verbond vergeleken. In Hos. 6:7 zegt de Here van Israël en Juda, dat zij, in weerwil van al de arbeid aan hen ten koste gelegd tyrb wrbe Mdak, LXX wv anyrwpov, Vulg., sicut Adam. De vertaling: als een mens, wordt gedrukt door het bezwaar, dat juist van mensen in het algemeen gezegd wordt, dat zij het verbond overtraden; en de overzetting: als eens mensen (verbond), zou in elk geval vereisen, dat het woord Mdak niet achter het subject hmh, maar achter het te bepalen woord tyrb was geplaatst. En zo blijft, tenzij het woord corrupt is of een plaatsnaam aanduidt, alleen de vertaling: als Adam, over. Er ligt dan in opgesloten, dat het gebod, aan Adam gegeven, in het wezen der zaak een verbond was, omdat het, evenals dat van God met Israël, bedoelde, om Adam in de weg van gehoorzaamheid het eeuwige leven te schenken. Dit wordt nu nog versterkt, door de parallel, die Paulus in Rom. 5:12-21 tussen Adam en Christus trekt. Gelijk de gehoorzaamheid van één mens, nl. Christus en de in Hem geschonken genade voor de mensheid vrijspraak, gerechtigheid en leven bracht, zo is ook door overtreding en misdaad van de éne mens voor de mensheid oorzaak van veroordeling, zonde en dood. Het is met Adam als met Christus. Wij staan feitelijk tot hem in dezelfde verhouding. Hij is een type van Christus, ons hoofd, uit wie om zijn overtreding de schuld en de dood ons toekomt. Hij is de oorzaak van ons aller dood; wij sterven allen in Adam, 1Cor. 15:22. Ook hier is de verhouding van Adam tot God een verbondsrelatie, maar nu niet zozeer beschreven naar de zijde van God, als wel naar de zijde van hen, die onder Adam als hoofd in dat verbond zijn begrepen.

1 Verg. W. Liltgert, Der Mens aus de Himmel, Greifswalder Studiën, H. Creller zum 25 j. Prof. dargebracht u.s.w. Gütersloh 1895 bl. 207-228.

x
This website is using cookies. Accept