Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 39. De Voorzienigheid.

Oehler, Theol. d. A. T. 180 v. Schürer, Gesch. des Jüd. volkes im zeitalter Jesu Christi. 3e Aufl. II 392 v. 57O. III 531 v.

Theodoretus, de providentia 1. 10. Damascenus, de fide orthod. 1 29. Thomas. S. Theol. I qu. 103 v. c. Gent. III 64 v. Petavius, Theol. dogm. I lib. 8. Scheeben, Dogm. II 12 v. Heinrich, Dogm. v 279 v. chr. Pesch, Prael. II 158 v. Simar. Dogm. par. 69 v.

Luther bij Köstlin, II 346 v. Gerhard, Loci Theol. VI. Quenstedt. Theol. I 527 v. Hollaz, Ex. theol. 421 v. Zwingli, de providentia. Calvijn, Inst. I 16. Beza, Tract. Theol. 1 313 v. Polanus, Synt. Theol. b1 333 v. Mastricht, Theol. III c. 10. 11. Turretinus, Theol. El. 1. VI. Moor, Comm. II 423 v. Vitringa. Doctr. II 168 v.

Schleiermacher, Chr. Gl. par. 46-49. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II 347 v. III 158 v. 583 v. W. Herrmann, Die Lehre v.d. göttl. Vorschung und weltregierung, Christl. Welt 1887. Kreibig, Die Rätsel der Göttl. Vorschung. Berlin 1886. W. Schmidt. Die Göttl. Vorschung und das Selbstleben der Welt. Berlin 1887. Beyschlag, Zur Verständigung über de christl. Vorschungsglauben 1888. Erich Haupt, Der christl. Vorschungsglaube, Bew. d. Gl. 1888. Mayer, Das christl. Gottvertrauen und der Glaube an Christus. Gött. 1899. 0. Kirn, Vorschungsglaube und Naturwissenschaft 1903. P. Mezger, Rätsel des christl. Vorschungsglaubens. Babel 1904. Winter, Wesen und charakter des christl. Vorschungsglaubens, Neue kirchl. Zeits. 1907 bl. 609-631. Köstlin, art. Concursus divinus in PRE/3 IV 262. Zöckler, art. Schöpfung und Erhaltung der Welt in PRE/3 XVII 701 v. James Mc Cosh, The method of divine government, fysical and moral 1850. A. Hodge, The relation of God to the world, Presb. and Ref. Rev. 1887. A.C. Fraser, Filosophy of Theïsm.2 1899.

301. Als God op de zevende dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij op de zevende dag van al Zijn werk gerust, Gen. 2:2, Ex. 20:11, 31:17. Zo duidt de Schrift de overgang aan van het werk der schepping tot dat der onderhouding. Dat dit rusten Gods zijn oorzaak niet heeft in vermoeienis, noch ook in een ledig toezien bestaat, wordt door de Heilige Schrift telkens klaar en duidelijk uitgesproken, Jes. 40:28, Job 5:17. Het scheppen is voor God geen werk en het onderhouden geen rust. Het rusten Gods geeft alleen te kennen, dat Hij aan het voortbrengen van nova genera een einde maakte, Pred. 1:9,10; dat het werk der schepping in eigenlijke en engere zin, als productio rerum e nihilo, was afgelopen; en dat Hij in dit voltooide werk met Goddelijk welgevallen zich verlustigde, Gen. 1:31, Ex. 31:17, Ps. 104:31.1. Het scheppen gaat nu in onderhouden over. Beide zijn in de Schrift zo wezenlijk onderscheiden, dat ze als arbeid en rust tegenover elkaar kunnen worden geplaatst. En zij zijn toch ook zo innig verwant en verbonden, dat het onderhouden zelf een scheppen kan heten, Ps. 104:30, 148:5, Jes. 45:7, Am. 4:13. De onderhouding is immers zelf ook een Goddelijk werk, niet minder groot en heerlijk dan de schepping. God is geen Deus otiosus, Hij werkt altijd, Joh. 5:17, en de wereld heeft geen bestaan in zichzelf. Van het ogenblik van haar ontstaan af bestaat ze alleen in en door en tot God, Neh. 9:6, Ps. 104:30, Hd. 17:28; Rom. 11:36; Col. 1:15, Hebr. 1:3, Op. 4:11. Ofschoon onderscheiden van zijn wezen, is zij in haar bestaan nooit onafhankelijk; onafhankelijkheid is niet-zijn. De ganse wereld met alwat in haar is en geschiedt, staat onder Gods bestuur; zomer en winter, dag en nacht, vruchtbare en onvruchtbare jaren, licht en duisternis, alles is Zijn werk en wordt door Hem geformeerd, Gen. 8:22, 9:14, Lev. 26:3v., Deut. 11:12v., Job 38; Ps. 8; 29; 65; 104; 107; 147; Jer. 3:3, 5:24, Mt. 5:45 enz. De Schrift kent geen onafhankelijk schepsel; het is een tegenspraak in zichzelf. God zorgt voor alle schepselen, voor dieren, Gen. 1:30, 6:19, 7:2, 9:10, Job 38:41, Ps. 36:7 [Ps. 36:6], 104:27, 147:9, Joël 1:20, Mt. 6:26 enz., en inzonderheid ook voor mensen. Hij ziet hen allen, Job 34:21; Ps. 33:13-14; Spr. 15:3, formeert hun aller hart en let op al hun werken, Ps. 33:15, Spr. 5:21; zij zijn allen Zijner handen werk, Job 34:19, de armen en de rijken, Spr. 22:2. Hij bepaalt aller woning, Deut. 32:8, Hd. 17:26, neigt aller hart, Spr. 21:1, bestuurt aller gangen, Spr. 5:21, 16:9, 19:21, Jer. 10:23 enz., en doet met het heir des hemels en de inwoners der aarde naar Zijn welgevallen, Dan. 4:35. Zij zijn in Zijn handen als leem in de hand des pottebakkers, als een zaag in de hand desgenen, die haar trekt, Jes. 29:16, 45:9, Jer. 18:5, Rom. 9:20-21.

Zeer bijzonder gaat Zijn voorzienig bestuur nog over Zijn volk. Heel de geschiedenis van de aartsvaders, van Israël, van de gemeente, en van ieder gelovige is daarvoor ten bewijze. Wat mensen hun ten kwade hebben gedacht, denkt God hun ten goede, Gen. 50:20; alle instrument tegen hen bereid, zal niet gelukken, Jes. 54:17; zelfs de haren van hun hoofden zijn alle geteld, Mt. 10:30; alles werkt hun ten goede mede, Rom. 8:28. Zo staat al het geschapene in de macht en onder het bestuur Gods; beide, toeval en noodlot, zijn de Schrift onbekend, Ex. 21:13, Spr. 16:33. Het is God, die alles werkt naar de raad van Zijn wil, Ef. 1:11, en alles dienstbaar maakt aan de openbaring Zijner deugden, aan de eer Zijns naams, Spr. 16:4, Rom. 11:36. Dit alles vat de Schrift op schone wijze daarin samen, dat zij telkens van God spreekt als van een Koning, die alle dingen regeert, Ps. 10:16; 24:7-8; 29:10; 44:5 [Ps. 44:4]; 47:7 [Ps. 47:6]; 74:12; 115:3; Jes. 33:22 enz. God is een Koning, de Koning der koningen en de Here der heren; een Koning, die in Christus een Vader is voor Zijn onderdanen, en een Vader, die tevens Koning is over Zijn kinderen. Alwat er onder schepselen, in dieren en mensen en engelenwereld, in gezin en maatschappij en staat gevonden wordt van zorg voor, van liefde tot, van bescherming van de een door de ander, is een zwakke afschaduwing van Gods voorzienig bestel over alle werken Zijner handen. Zijn volstrekte macht en Zijn volmaakte liefde zijn het eigenlijk object van het voorzienigheidsgeloof in de Heilige Schrift.

Bij dit getuigenis der Schrift komt dat van alle volken. De leer van de voorzienigheid Gods is een articulus mixtus, uit Gods openbaring in de natuur aan alle mensen ten dele bekend. Zij is een geloofsartikel in iederen, ook in de meest verbasterde godsdienst; wie haar ontkent, ondermijnt de religie; zonder haar is er voor gebed en offerande, voor geloof en hoop, voor vertrouwen en liefde geen plaats meer. Waarom God dienen, vraagt Cicero2, indien Hij zich in het geheel niet om ons bekommert? Daarom stemmen alle godsdiensten in met het woord van Sophocles3: esti megav en oi ranw zeuv, ov efora panta kai kratunei, En ook de wijsbegeerte heeft deze voorzienigheid Gods menigmaal erkend en verdedigd4. Toch was daarom de leer der voorzienigheid in de heidense religie en filosofie niet dezelfde, welke ze in het christendom is. Bij de heidenen was het voorzienigheidsgeloof meer theorie dan praktijk, meer wijsgerige beschouwing dan religieus dogma; het reikte niet toe in nood en in dood; het slingerde tussen toeval en noodlot altijd heen en weer. Omdat God bijv. bij Plato geen schepper maar alleen Formeerder der wereld was, vond Zijn macht in de eindige materie haar grens5. Ofschoon Aristoteles zijn geloof aan Gods voorzienigheid meermalen uitspreekt, valt deze toch voor hem geheel met de werking der natuuroorzaken samen; de Godheid als nohsiv nohsiwv staat in eenzame zelfbeschouwing buiten de wereld, zonder wil, zonder handeling, en het schepsel heeft van haar geen hulp of liefde te verwachten6. Bij de Stoa was de pronoia met de eimarmenh en de fusiv identiek, en volgens Epicurus was de voorzienigheid met de zaligheid der goden in strijd7. En wel spanden sommigen, zoals Plutarchus en Plotinus, zich in, om aan toeval en noodlot beide te ontkomen; maar feitelijk verhief zich het noodlot altijd weer achter en boven de Godheid, en drong het toeval van beneden weer in de lagere schepselen en de kleinere gebeurtenissen in; magna Dii curant, parva negligunt8.

1 Augustinus, de civ. XI 8. XII 17. de Gen. ad lit. IV 8 v. Lombardus, Sent. II dist. 15. Thomas, S. Theol. I qu. 73. Calvijn op Gen. 2:2. Zanchius, Op. III 537 enz.

2 Cicero, de nat. deor. I 2.

3 Sophocles, Electra 173.

4 Bijv. Socrates bij Xenophon, Mem. I 4. IV 3. Plato, Leg. X 901. Rep. X 613 A. Aristoteles, Eth. Nic. X 9. De Stoa bij Cicero, de nat. deor. II. Seneca, de providentia, de beneficiis. Cicero, de nat. deor. I 2. III 26. Ptutarchus, de fato. Plotinus, peri eimarmenhv en peri pronoiav. Philo, peri pronoiav, Cf. Schürer, gesch. des Jüd. Volkes III/3 531 v.

5 Zeller, Philos. d. Gr. II/4 928.

6 Zeller, t.a.p. III 368 v. 790 v.

7 Zeller, t.a.p. IV 143. 428.

8 Cicero, Nat. D. II 167. Verg. Pfanner, Syst. theol. gent. c. 8. Creutzer, Philosophorum veterum loci de provid. divina ac de fato 1806. Schneider, Christl. Klänge aus de gr. u. röm. Klassikern, 1865 bl. 231 v.

x
This website is using cookies. Accept