Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

302. Van die aard is echter het christelijk geloof aan Gods voorzienigheid niet. Dit is integendeel een bron van troost en hoop, van vertrouwen en moed, van ootmoed en berusting, Ps. 23, 33:10v., 44:5v., 127:1,2, 146:2v enz. Het voorzienigheidsgeloof steunt in de Schrift volstrekt niet alleen op Gods openbaring in de natuur, maar veel meer op Zijn verbond en toezeggingen; het heeft tot grondslag niet alleen Gods gerechtigheid, maar bovenal ook Zijn ontferming en genade; het onderstelt de kennis der zonde, veel dieper dan bij de heidenen, maar ook de ervaring van Gods vergevende liefde; het is geen kosmologische speculatie, maar een heerlijke belijdenis des geloofs. Terecht heeft Ritschl dan ook het voorzienigheidsgeloof weer met het heilsgeloof in nauw verband gebracht. Het geloof aan Gods voorzienigheid is bij de christen niet een artikel der theologia naturalis, waar later het zaligmakend geloof mechanisch aan toegevoegd wordt. Maar het zaligmakend geloof doet ons eerst van ganser harte aan de voorzienigheid Gods in de wereld geloven, de betekenis er van inzien en de troost ervan smaken. Het geloof aan Gods voorzienigheid is dus een artikel van het christelijk geloof. Voor een natuurlijk mens zijn er tegen Gods wereldbestuur zoveel bezwaren in te brengen, dat hij er met moeite aan vast houden kan. Maar de christen heeft de bijzondere voorzienigheid Gods in het kruis van Christus aanschouwd, en in de vergevende en wederbarende genade Gods aan zijn eigen hart ervaren. En van deze nieuwe, zekere ondervinding in zijn eigen leven uit ziet hij nu over zijn ganse bestaan en over heel de wereld heen en ontdekt in alle dingen, niet een toeval of een noodlot, maar de leiding van Gods vaderlijke hand. Toch, al is dit alles volkomen juist door Ritschl ontvouwd, het zaligmakend geloof mag ter andere zijde niet met het voorzienigheidsgeloof vereenzelvigd of daarin opgelost worden. De bijzondere openbaring is onderscheiden van de algemene en het zaligmakend geloof in de Persoon van Christus is een ander dan het algemene geloof aan Gods bestuur in de wereld. Juist door het geloof in Christus wordt de gelovige in staat gesteld, om in weerwil van alle raadselen toch vast te houden, dat die God, welke de wereld regeert, dezelfde liefderijke en goedertieren Vader is, welke Hem in Christus alle zijn zonden vergaf, tot Zijn kind aannam, en hem de eeuwige zaligheid zal doen beërven. En het geloof aan Gods voorzienigheid is dan geen inbeelding maar vast en zeker, het rust op de openbaring Gods in Christus en draagt de overtuiging in zich, dat de natuur aan de genade, de wereld aan het Godsrijk ondergeschikt en dienstbaar zal zijn. Zo ziet het dan door alle smart en lijden heen weer blij de toekomst in; al worden de raadselen niet opgelost, het geloof aan Gods vaderlijke hand heft zich altijd uit de diepte weer op en doet zelfs roemen in de verdrukkingen1.

In verband hiermee is het opmerkelijk, dat de Schrift het abstracte woord voorzienigheid niet kent. Men heeft aan dit woord wel een Schriftuurlijk karakter willen geven door beroep op Gen. 22:8, 1Sam. 16:1, Ezech. 20:6, Hebr. 11:40; enkele malen komt het woord ook van menselijke voorzorg voor, Hd. 13:14, Rom. 12:17; 13:14; 1Tim. 5:8. Maar dat alles neemt niet weg, dat de Schrift, over Gods voorzienigheid handelend, gans andere woorden bezigt. Zij vat de werkzaamheid Gods, door dit woord uitgedrukt, niet samen in een abstract begrip en houdt er geen theologische verhandeling over. Maar zij schildert haar zelf op de rijkste en levendigste wijze en laat haar ons zien in de historie; de Schrift in haar geheel is het boek der voorzienigheid Gods. En zo die voorzienigheid tekenend, spreekt zij van scheppen, Ps. 104:30, 148:5, levendmaken, Job 33:4, Neh. 9:6, vernieuwen, Ps. 104:30, zien, schouwen, letten, Job 28:24, Ps. 33:13, 15, behouden, behoeden, bewaren, Num. 6:24, Ps. 36:7 [Ps. 36:6], 121:7, leiden, leren, regeren, Ps. 25:5,9, 93:1 enz, werken, Joh. 5:17, dragen, Hebr. 1:3, zorgen, 1Petr. 5:7. Het woord voorzienigheid, is aan de filosofie ontleend. Volgens Laërtius was Plato de eerste, die het woord pronoia in deze zin bezigde2. De apocriefe boeken gebruiken het reeds, Sap. 14:3, 17:2, 3Mk. 4:21, 5:30 4Mk. 9:24, 13:18, 17:22 naast diathrein, Sap. 11:25, diakubernan, 3Mk. 6:2, dioikein, Sap. 8:1 enz. En de kerkvaders namen het over en gaven er burgerrecht aan in de christelijke theologie3.

Daarbij onderging het woord echter een niet onbelangrijke wijziging. Oorspronkelijk betekent voorzienigheid toch het vooruitzien, providentia, of het vooruitkennen, pronoia, van wat in de toekomst geschieden zal. Providentia est, per quam futurum aliquid videtur4. Zo verstaan, was het woord volstrekt niet geschikt, om alles te omvatten wat het christelijk geloof in de leer van Gods voorzienigheid belijdt. Als vooruitweten van het toekomstige, zou de voorzienigheid Gods toch alleen behoren tot de scientia Dei en in de locus over de deugden Gods volledig afgehandeld zijn. Het Christelijk geloof verstaat onder de voorzienigheid Gods echter niet een nuda praescientia, doch belijdt, dat alle dingen door God niet alleen te voren geweten, maar ook te voren bepaald en verordend zijn. Daarom werd de voorzienigheid al spoedig gerekend niet slechts tot het verstand maar ook tot de wil Gods, en door Damascenus omschreven als boulhsiv yeou, di hn panta ta onta thn prosforon diexagwghn lambanei5 In deze zin opgevat, zou de voorzienigheid Gods thuis horen in de leer van de besluiten Gods en daar te behandelen zijn. Maar wederom belijdt het christelijk geloof meer, dan door het woord in deze zin wordt aangeduid. De besluiten Gods worden immers uitgevoerd; en de schepselen, die tengevolge daarvan het aanzijn ontvangen, bestaan geen ogenblik van zichzelf, maar ze worden van ogenblik tot ogenblik alleen gedragen door Gods almachtige hand. Ontstaan en bestaan van alle schepselen hebben hun oorsprong, niet in een voorwetenschap noch ook in een besluit, maar bepaaldelijk in een almachtige daad Gods. En de voorzienigheid is dus naar de leer der Schrift en de belijdenis der kerk die daad Gods, waardoor Hij alle dingen van ogenblik tot ogenblik in stand houdt en regeert; niet alleen Fürschung maar ook Vorschung.

Deze verschillende betekenissen, waarin het woord voorzienigheid verstaan werd, waren echter oorzaak, dat de plaats en de inhoud van dit leerstuk in de christelijke dogmatiek telkens wisselden en aan allerlei veranderingen waren onderworpen. Nu eens wordt zij tot de deugden, dan tot de besluiten (opera Dei ad intra), dan tot de opera ad extra gerekend6. Damascenus definieert ze als h ek yeou eiv ta onta genomenh epimeleia en behandelt ze wel na de schepping maar toch in nauw verband met de praescientia en praedestinatio7. Lombardus bespreekt ze in het hoofdstuk over de predestinatie, maar vóór de schepping8. Een zeer duidelijke uiteenzetting geeft Thomas; hij omschrijft ze eerst in het algemeen als ratio ordinis rerum in finem en houdt ze voor principalis pars prudentiae, wier taak het juist is, ordinare alia in finem; maar dan zegt hij nader, dat ad providentiae curam duo pertinent, scilicet ratio ordinis, quae dicitur providentia et dispositio, et executio ordinis, quae dicitur gubernatio9. Naar deze en andere voorbeelden werd de leer der voorzienigheid in de roomse theologie behandeld of met de predestinatie bij de wil Gods10, of alleen als conservatio of gubernatio, afzonderlijk na de schepping11, of in heel haar omvang en in haar ruimste zin na de locus de creatione12. En evenzo werd in de theologie der hervorming de voorzienigheid nu eens opgevat als een consilium, waarnaar God alles regeert13, dan weer als een werk Gods naar buiten14. Het verschil betreft natuurlijk meer de naam dan de zaak, gelijk Alsted en Baier terecht opmerken15. Indien God de wereld werkelijk in stand houdt en regeert, dan moet Hij ze tevoren kennen (providentia), haar ook willen en kunnen verzorgen (prudentia) en in de tijd alles ook metterdaad zó onderhouden en regeren, dat het door Hem voorgestelde einde wordt bereikt. In deze ruimen zin genomen, omvat de voorzienigheid 1- een actus internus, die dan verder nog wel weer in prognwsiv, proyesiv en dioikhsiv onderscheiden werd16, en 2- een actus externus, die als executio ordinis, als conservatio, concursus, gubernatio omschreven werd. De actus internus van deze providentia is echter vroeger reeds volledig in de leer der deugden en der besluiten Gods behandeld; hier, na de leer der schepping, kan dus de voorzienigheid alleen als actus externus, als daad Gods naar buiten, ter sprake komen. Al moge nu de voorzienigheid in deze zin van de actus internus, de prognwsiv, proyesiv en dioikhsiv nooit los te maken noch ook te denken zijn. ze is er toch van onderscheiden, zoals de executio ordinis van de ordo zelf.

Het woord voorzienigheid heeft daarmee een gehele wijziging ondergaan. En de vraag kan rijzen, of het woord nog wel ter aanduiding van de zaak geschikt is. Toen vroeger de voorzienigheid nog in de leer der deugden of der besluiten Gods behandeld werd, behield het zijn oorspronkelijke betekenis; maar sedert zij. meer en meer als conservatio en gubernatio opgevat wordt en na de schepping ter sprake komt, is die oorspronkelijke betekenis bijna geheel teloor gegaan. De voorzienigheid in deze laatste, engere zin is geen eigenlijke providentia meer, geen ratio ordinis rerum in finem, want deze gaat er aan vooraf en wordt door haar ondersteld; zelf is zij executio ordinis. Deze laatste werd dan ook in de dogmatiek nader omschreven door conservatio of door gubernatio of door beide samen17. Tussen deze beide werd later nog, ter afwering van het pantheïsme en het deïsme, de concursus of cooperatio ingevoegd, die zakelijk wel altijd bij de leer der voorzienigheid behandeld werd18, maar die later ook formeel, tussen conservatio en gubernatio in een eigen plaats kreeg19. Hieruit blijkt, dat het woord voorzienigheid ter aanduiding van de executio ordinis niet voldoende was en door onderhouding en regering nader bepaald werd. Deze zijn ook ongetwijfeld juister gedacht, levendiger van voorstelling en meer in overeenstemming met het spraakgebruik der Heilige Schrift. Vooral wanneer het woord voorzienigheid abstract genomen en in de plaats van God Zelf geschoven wordt, zoals Plutarchus hiermee reeds begon20, en het rationalisme der achttiende eeuw dit navolgde, is het aan bedenking onderhevig. Toch mag het woord, dat in de taal der theologie en der religie burgerrecht verkreeg, behouden blijven, mits de zaak, die erdoor aangeduid wordt, maar in Schriftuurlijke zin wordt verstaan.

1 Verg. Ulrich, Heilsglaube und Vorschungsglauben, Neue kirchl. Zeits. 1901 bl. 478-493. Winter, Neue kirchl. Zeits. 1907 bl. 609-631.

2 Zeller, Philos. d. Gr. II./4 929.

3 Suicerus, s.v.

4 Cicero, Inv. II 53.

5 Damascenus, de fide orthod, II 29.

6 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 33 De raad Gods; 241

7 Damascenus, de fide orthod. II 29.30.

8 Lombardus, Sent. I dist. 35.

9 Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 1. Verg. Bonaventura, Sent. I dist. 35 en Hugo Vict., Sent. tr. 1 c. 12.

10 Petavius, de Deo VIII c. 1-5. Becanus, Theol. schol. I c. 13. Theol. Wirceb., 1880 III 175. Perrone, Prael. Theol. II 1838 bl. 233. C. Pesch, Prael. II 158. Mannens, Theol. dogm. II 105 v.

11 Thomas, S. Theol. I qu. 103-105. c. Gent. III 65. Commentatores op Sent. II dist. 37. Heinrich, Dogm. V 279.

12 Schwetz, Theol. dogm. I 405. Jansen, Prael. Theol. II 329. Simar, Dogm. 252. Scheeben, Dogm. II 12. Dieringer, Kath. Dogm./4 266 v.

13 Conf. Helv. post. art. 6. Ursinus, Explic. qu. 27. Zanchius, Op. II 425. Maresius, Syst. Theol. IV par. 19. Alsted, Theol. schol. 174.

14 Calvijn, Inst. I 16, 3.4 Polanus, Synt. Theol. VI 1. Junius, Theses Theol. XVII 1. 2. Synopsis pur. theol. XI 3. Heidegger, Corpus Theol. VII 3 enz.

15 Alsted, Theol. schol. 175. Baier, Comp. Theol. I 5,2.

16 Gerhard, Loc. VI c. 2.

17 Lactantius, de ira Dei c. 10. Thomas, S. Theol I qu. 103. 104. Bonaventura, Brevil. ed. Frib. 1881 bl. 93. Ned. Geloofsbel. art. 13. Heid. Cat. X. Zanchius, Op. II 425. Synopsis pur. theol. XI 3 enz.

18 Augustinus, de trin. III 4. de civ. V 8-11. Theodoretus, de provid. or. X. Boëthius, de cons. IV en V. Damascenus, de fide II 29. Thomas, S. Th. I qu. 48.49.104 art. 2, qu. 105 art. 5. I 2 qu. 19 art. 4. Cat. Rom. I c. 2 qu. 20. Zwingli, de provid. c. 3. Op. IV 86. Calvijn, Inst. I 16 2. Contre la secte des libertins, C. R. 35 bl. 186. de aet. Dei praed., C.R. 36 bl. 347-366. Zanchius, Op. II 449. Martyr, Loci C. bl. 56. 59. Wollebius, Theol. c. 30. Synopsis pur. theol. XI 13. Gerhard, Loc. VI c. 9 enz.

19 Mastricht, Theol. III 10, 10. 29. Turretinus, Theol. El. VI qu. 4. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. VI 270. IX 210. Brakel, Red. Godsd. XI 6. Marck, Godg. X 9. Quenstedt, Theol. I 531. Hollaz, Ex. theol. 421. Buddeus, Inst. 409.

20 Verg. Cremer, Bibl. theol. Wörterbuch s.v. pronoia.

x
This website is using cookies. Accept