Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

304. De voorzienigheid Gods, alzo van de kennis en het besluit Gods onderscheiden en tegenover het pantheïsme en deïsme gehandhaafd, is naar de schone verklaring van de Heid. Catechismus die almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, bovendien alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt en regeert. Ook zo is het leerstuk der voorzienigheid nog van zeer wijde omvang. Zij omvat eigenlijk de ganse uitvoering van alle besluiten, welke op de eenmaal door de schepping in het aanzijn geroepen wereld betrekking hebben. Indien de scheppingsdaad uitgezonderd wordt, is zij even rijk als de scientia libera, als de besluiten Gods, als alwat in de tijd bestaat en geschiedt. Zij strekt zich uit over alles, wat na de schepping verder in de dogmatiek behandeld wordt en besluit in zich beide de werken der natuur en der genade; alle werken Gods naar buiten, die op de schepping volgen, zijn werken Zijner voorzienigheid. Alleen maar, de locus de providentia gaat niet op die werken zelf in, doch beschrijft in het algemeen de aard der relatie, waarin God tot de geschapen wereld staat en die altijd dezelfde is in weerwil van de vele verschillende werken, welke Hij in Zijn voorzienigheid in de wereld tot stand brengt. Daarom is het ook niet wenselijk, om in deze locus allerlei onderwerpen, zoals het wonder, het gebed, het levenseinde, de wilsvrijheid, de zonde, de theodicee enz. ter sprake te brengen, want ten dele zijn deze onderwerpen reeds vroeger bij de leer van de deugden en de besluiten Gods behandeld, deels komen zij later op hun eigen plaats breedvoerig aan de orde. Niet op de locus de providentia alleen, maar op heel de dogmatiek rust de taak der theodicee. De leer der voorzienigheid neemt dus de stof voor de volgende loci niet in zich op, maar bepaalt zich tot de beschrijving van de onder alle verschillende werken zichzelf gelijkblijvende relatie, waarin God tot de schepselen staat. Die relatie wordt uitgedrukt door de woorden onderhouding, medewerking en regering, welke langzamerhand als delen der voorzienigheid werden opgevat. Wat God in natuur en genade ook doet, Hij is het altijd, die alle dingen onderhoudt, er met Zijn mogendheid invloeit en ze door Zijn wijsheid en almacht regeert. Onderhouding, medewerking en regering zijn daarom geen delen of stukken, waarin het werk der voorzienigheid gesplitst wordt, en die, zakelijk en tijdelijk gescheiden, de een op de andere volgen. Zij verschillen onderling ook niet zo, dat de onderhouding alleen betrekking zou hebben op het zijn der schepselen, de medewerking slechts op de werkzaamheden, en de regering uitsluitend op de leiding naar het einddoel heen. Maar ze staan altijd met elkaar in verband, ze grijpen elk ogenblik in elkaar in; de onderhouding is van het eerste begin af aan ook regering, en de regering medewerking, en de medewerking onderhouding. De onderhouding zegt ons, dat er niets bestaat, niet alleen geen substantie, maar ook geen kracht, geen werkzaamheid, geen eigenschap, geen idee, of het bestaat alles uit, door, tot God. De medewerking doet ons diezelfde onderhouding kennen als een zodanige, welke het zijn der schepselen niet opheft, maar juist poneert en handhaaft. En de regering wijst ons beide aan als zó alle dingen leidende, dat het door God vastgestelde einddoel wordt bereikt. En altijd, van het begin tot het einde, is de voorzienigheid één eenvoudige, almachtige en alomtegenwoordige kracht.

Als zulk een kracht en daad Gods opgevat, staat de voorzienigheid in het nauwste verband met en is zij toch ook wezenlijk onderscheiden van de werkzaamheid Gods in de schepping. Het pantheïsme en het deïsme zoeken de oplossing van het probleem, dat zich hier voordoet, daardoor, dat zij of de schepping of de voorzienigheid ontkennen. Het theïsme handhaaft beide en tracht haar eenheid en haar onderscheid zowel voor de theorie als voor de praktijk van het leven in het licht te stellen. Altijd in volle, ware zin theïst te wezen, d.i. in alles Gods raad en hand en werk te zien en toch tegelijkertijd, ja juist daarom, alle kracht en gave tot de hoogste activiteit te ontwikkelen, dat is de heerlijkheid van het christelijk geloof, dat het geheim van het christelijk leven. De Schrift gaat ons hierin voor. Zij duidt de voorzienigheid ter enerzijde aan als een scheppen, Ps. 104:30, een levendmaken, Neh. 9:6, een spreken, Ps. 33:9; 105:31,34; 107:25; Job 37:6, een uitzenden van Zijn Woord en Geest, Ps. 104:30, 107:26 een bevelen, Ps. 147:15, Klaagl. 3:37, een werken, Joh. 5:17, een dragen, Hebr. 1:3, een willen, Op. 4:11, zodat alles zonder uitzondering uit God is en door en tot Hem bestaat, Hd. 17:28, Rom. 11:36, Col. 1:17. God is nooit ledig. Hij ziet nimmer passief toe. Hij werkt altijd met Goddelijke mogendheid beide in natuur en genade. De voorzienigheid is daarom een positieve daad, niet een laten, maar een doen bestaan en werken van ogenblik tot ogenblik. Indien zij slechts in een non-destruere bestond, was het niet God, Die de dingen in stand hield, maar bestonden deze in en door zichzelf, zij het dan ook door een bij de schepping geschonken kracht. En dit is ongerijmd te denken; een schepsel is vanzelf een volstrekt afhankelijk wezen; wat niet van zichzelf bestaat, kan ook geen ogenblik door zichzelf bestaan. Als God niets doet, dan is er niets en geschiedt er niets. Virtus Dei, ab eis quae creata sunt regendis si aliquando cessaret, simul et illorum cessaret species omnisque natura concideret1. En gelijk de voorzienigheid een kracht en een daad is, zo is zij ook een almachtige en alomtegenwoordige kracht. God is immanent met Zijn Wezen in alle schepselen tegenwoordig. Zijn voorzienigheid breidt tot alle schepselen zich uit; alles bestaat in Hem. De Schrift spreekt het ten stelligste uit, dat niets, hoe gering ook, buiten Gods voorzienigheid valt. Niet alleen alle dingen in het gemeen, Ef. 1:11, Col. 1:17, Hebr. 1:3, maar ook zelfs de haren op het hoofd, Matt. 10:30, de mussen, Matt. 10:29, de vogels des hemels, Matt. 6:26, de lelies des velds, Matt. 6:28, de jonge raven, Ps. 147:9, zijn voorwerp van Zijn zorg. Wat is ook klein of groot voor Hem, die alleen groot is? In het wereldverband is het kleine evengoed op zijn plaats als het grote, even onmisbaar en noodzakelijk, en menigmaal nog van rijker betekenis en van gewichtiger gevolgen2. De voorzienigheid mag daarom wel in generalis, Ps. 104, 148:1-3, specialis, Ps. 139:15v., Job 10:9-12, Matt. 12:12, Luk. 12:7, en specialissima, 1Tim. 4:10, onderscheiden worden. Maar zij strekt toch als kracht Gods tot alle en tot ieder schepsel zich uit. Habakuk klaagt er in hoofdst. 1:4 wel over, dat God door Zijn kastijding de mensen maakt als vissen der zee, die in het net gevangen worden en wb lvm-al s Mrk als gewormte, dat geen heerser heeft, nl. om het te beschermen tegenover zijn vijanden, maar spreekt daarmee in het minst niet uit, dat Gods voorzienigheid niet over deze schepselen gaat. Met meer schijn van recht beroept men zich voor de beperking van Gods voorzienigheid op 1Cor. 9:9; toch ontkent Paulus, die overal elders Gods soevereiniteit absoluut opvat, b.v. Hd. 17:28, Rom. 11:36, Col. 1:17, hier ter plaatse geenszins, dat God ook voor de ossen zorg draagt, maar geeft alleen te kennen, dat de reden, waarom dit woord in de wet Gods is opgenomen, niet ligt in de ossen, maar in de mensen. Ook dit woord betreffende de ossen zegt God d hmav, vs.10, cf. Rom. 4:23-24; 15:4; 2Tim. 3:16, opdat wij eruit leren zouden, dat de arbeider in het Evangelie zijn loon waardig is. Zo is dan de voorzienigheid een even grote, almachtige en alomtegenwoordige daad Gods als de schepping; zij is een creatio continua of continuata; zij zijn beide één daad en verschillen alleen ratione3.

Aldus sprekende, hebben vroegere theologen toch geenszins het onderscheid willen te niet doen, dat tussen schepping en voorzienigheid bestaat, gelijk b.v. Hodge vreest4. De Schrift immers stelt anderzijds de voorzienigheid voor als een rusten van het werk der schepping, Gen. 2:2, Ex. 20:11, 31:17 en voorts als een zien, Ps. 14:2, als een schouwen, Ps. 33:13, als een letten, Ps. 33:15, als een gadeslaan, Ps. 103:3 enz., hetwelk allemaal het bestaan, de zelfwerkzaamheid, de vrijheid van het schepsel onderstelt. Ook deze gegevens der Schrift mogen niet verwaarloosd worden. Schepping en voorzienigheid zijn niet hetzelfde. Indien de voorzienigheid een ieder ogenblik vernieuwde schepping is, zouden de schepselen elk ogenblik ook uit het niet te voorschijn worden gebracht. De samenhang, het verband, de ordo causarum ging dan geheel teloor, en van ontwikkeling, geschiedenis zou er geen sprake kunnen zijn. Alle schepselen zouden dan niet werkelijk, maar slechts in schijn bestaan en alle zelfstandigheid, vrijheid, verantwoordelijkheid missen; God zelf zou de oorzaak der zonde zijn. Ofschoon velen de voorzienigheid een creatio continua noemden, zo bedoelden zij toch daarmee geenszins het onderscheid tussen beide uit te wissen; veeleer vatten zij allen de voorzienigheid tegelijk op als een doen volharden in het bestaan, als een conservatio, die de schepping onderstelt. Zo zegt b.v. Augustinus, dat God op de zevenden dag gerust heeft en geen nieuwe genera meer geschapen heeft, en hij omschrijft dan het werk der voorzienigheid in onderscheiding van dat der schepping aldus: movet itaque occulta potentia universam creaturam suam....explicat secula, quae illi cum primum condita sunt tanquam implicita indiderat, quae tamen in suos cursus non explicarentur, si ea ille qui condidit provido motu administrare cessaret5. De voorzienigheid moge dus soms een creatio heten, zij is van de eerste en eigenlijke schepping altijd daarin onderscheiden, dat zij een creatio continua is.

Beide komen dus hierin met elkaar overeeen, dat het dezelfde Goddelijke, almachtige en alomtegenwoordige kracht is, die in schepping en in onderhouding werkzaam is; deze is geen mindere daad dan geen; tot beide wordt macht, Goddelijke almacht vereist. Voorts zijn schepping en onderhouding natuurlijk ook niet in God Zelf onderscheiden, want in Hem, de Eeuwige, valt geen verandering noch schaduw van omkering; Hij is niet overgegaan van niet-scheppen tot scheppen noch ook van scheppen tot onderhouden; Hij is onveranderlijk Dezelfde6. Schepping en onderhouding zijn dus niet objectief en zakelijk, als daden Gods, in Gods Wezen, maar alleen ratione onderscheiden. Dat wil echter niet zeggen, dat ons denken zo maar willekeurig tussen beide onderscheid maakt; neen, dat onderscheid ja wel terdege in de openbaring Gods gegrond en daaruit door ons denken afgeleid. Er is verschil tussen schepping en onderhouding, maar dat verschil ligt niet in Gods Wezen an sich, maar in de relatie, waarin God zich tot de schepselen stelt. Iets anders is het, wat met de dingen door de schepping, en iets anders, wat er mee door de onderhouding gebeurt. De relatie, waarin door beide daden de schepselen tot God geplaatst worden, is een verschillende. Dit verschil is niet zo aan te geven, dat de schepping uit niets is en de onderhouding uit het bestaande; maar de schepping roept de dingen die niet zijn, die geen ander zijn hebben dan dat van ideeën en besluiten in het Wezen Gods; door de onderhouding roept God met dezelfde mogendheid die dingen, die een van zijn wezen onderscheiden bestaan hebben ontvangen en nochthans enkel en alleen uit en door en tot God zijn. De schepping geeft het zijn; de onderhouding, de volharding in het zijn. De moeilijkheid voor het denken, om schepping en onderhouding beide te handhaven, ligt altijd weer hierin, dat schepselen door de schepping een eigen, van Gods Wezen onderscheiden zijn hebben ontvangen, en dat toch dat zijn geen ogenblik kan of mag beschouwd worden als een van God onafhankelijk, in zichzelf rustend zijn. Wij staan hier voor een mysterie, dat ons begrip ver te boven gaat, en altijd zijn we geneigd, om aan het een of aan het andere te kort te doen. Op die neiging berust het pantheïsme en het deïsme. Beide gaan uit van dezelfde dwaling en stellen God en wereld als twee grootheden tegenover elkaar. Het eerste offert de wereld aan God, de schepping aan de onderhouding op en meent, dat het zijn Gods dan alleen een Goddelijk oneindig zijn is, wanneer het zijn der wereld ontkend, in schijn opgelost, in het Goddelijk zijn verzwolgen wordt. En het tweede offert God aan de wereld, de onderhouding aan de schepping op en oordeelt, dat het schepsel te meer tot zijn recht komt, naarmate het minder afhankelijk wordt van God en meer van Hem zich verwijdert. De christen echter belijdt, dat de wereld en ieder schepsel in haar een eigen zijn ontvangen heeft, maar toch in diezelfde mate toeneemt in realiteit, in vrijheid, in waarachtig zijn, als het meer afhankelijk is van God, en van ogenblik tot ogenblik uit en door en tot Hem is. Een schepsel staat te hoger, naarmate God het meer inwoont en het met Zijn Wezen doordringt. De onderhouding gaat in zoverre zelfs de schepping te boven; want deze gaf slechts de aanvang van het zijn, maar geen is de voortgaande en altijd toenemende mededeling Gods aan zijn schepselen. De voorzienigheid is the progressive expression in the universe of his divine perfection, the progressive realization in it of the archetypal ideal of perfect wisdom and love7.

1 Augustinus, de Gen. ad litt. IV 12. Conf. IV 17, cf. Thomas, s. Theol. I qu. 104 art. 1-4. c. Gent. III 65 v. Calvijn, Inst. I 16, 4. Leydecker, Fax verit. VIII 2. Alsted, Theol. schol. 304 enz.

2 Verg. Calvijn bij Henry, Leben Calvins II 67.

3 Augustinus, de Gen. ad litt. IV 15. Conf. IV 12. de civ. XII 17 Thomas I qu. 104 art. 2. Quenstedt, Theol. I p. 351. Ursinus, Explic. Cat. qu. 27. M. Vitringa II 183. Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 190.

4 Hodge, Syst. Theol. I 577.

5 Augustinus, de Gen. ad lit. V20.

6 Verg. Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 34 De Schepping; 257

7 Sam. Harris, God the Creator and Lord of all. Edinb. Clark 1897 I 532.

x
This website is using cookies. Accept