Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

308. Nog maar korte tijd had hij waarschijnlijk in de staat van de onschuld verkeerd, toen bij van buitenaf door een slang, die schranderder (Mwre, LXX fronimov, prudens, cf. Matt. 10:16, 2 Cor. 11:3 ) was dan al het gedierte van het veld, verzocht en ten val gebracht werd. De slang richt zich niet tot de man, maar tot de vrouw, die het verbod van het eten van de boom niet zelf rechtstreeks van God, doch door middel van haar man had ontvangen en daarom ontvankelijker was voor redenering en twijfel. Allereerst beproeft de slang dan ook in het hart van de vrouw twijfel te wekken aan het gebod van God, en stelt dit daartoe ook voor, als door God uit hardheid en zelfzucht gegeven. De vrouw toont in de wijze, waarop zij het gebod teruggeeft en uitbreidt, duidelijk, dat haar dat gebod van God als een scherpe grens en als een beperkende bepaling tot het bewustzijn gekomen is. Nadat de twijfel gewekt en de lastigheid van het gebod tot het bewustzijn gebracht is, gaat de slang voort, om beide ongeloof en hoogmoed te zaaien in het toebereide gemoed van de vrouw; zij ontkent nu beslist, dat de overtreding van dat gebod de dood ten gevolge zal hebben, en ze geeft te verstaan, dat God dat gebod slechts uit zelfzucht heeft gegeven; als de mens eet van de boom zal hij, in plaats van te sterven, Gode gelijk worden en een volmaakte, Goddelijke kennis ontvangen. De verzekering van de slang en de hoge verwachting, die zij opwekte, deden de vrouw zien naar de boom: en naarmate zij langer zag, werd ze bekoord door zijn vrucht. Begeerlijkheid van de ogen, begeerlijkheid van het vlees, grootsheid van het leven maakten de verzoeking onweerstaanbaar; tenslotte nam zij van de vrucht en zij at, en zij gaf ook haar man met haar en hij at.

Het spreken van de slang heeft velen op de gedachte gebracht, dat dit verhaal een allegorie was, of dat althans de slang geen werkelijk dier was, maar een naam en beeld voor de begeerlijkheid1, of voor de geslachtslust2, of voor de dwalende rede3, of ook voor Satan4. Maar deze verklaring is niet aannemelijk; de slang wordt in Gen. 3:1 onder de dieren gerekend; de straf vs. 14, 15 onderstelt een werkelijke slang, en in 2 Cor. 3:11 is Paulus van dezelfde mening. Ook de mythische opvatting, die later opkwam en bij velen ingang vond, is met de bedoeling van het verhaal, met heel de omgeving, waarin het voorkomt, en met de doorlopende leer van de Schrift in strijd; bovendien lopen de mythische verklaringen onderling ook zeer ver uiteen5. Het spreken van de slang is daarom op een andere wijze te verklaren; echter niet met Josephus6, uit de mening van de verhaler, dat de dieren vóór de val de gave van de taal hadden, want hij heeft pas verhaald dat de mens wezenlijk van de dieren onderscheiden is, hun namen gaf en onder hen geen hulp vond; maar ongetwijfeld uit de inwerking van een geestelijke, bovenaardse macht. Van welke aard die macht is geweest, wordt in het verhaal zelf met geen woord gezegd; Gen. 3 houdt zich aan de zichtbare feiten, beschrijft maar verklaart niet. Velen zijn nu wel van mening geweest, dat Gen. 3 niets anders verhaalt dan het ontstaan van de vijandschap tussen mens en dier. Maar behalve dat deze verklaring om haar platheid niet bevredigt, is ze in strijd met wat in Gen. 2 over de verhouding van mens en dier is verhaald, en zegt zij ons niet, hoe en waarom de slang als een verleidende macht tegenover de mens optrad. Vandaar dat velen thans weer tot de oude exegese teruggaan, al is het alleen, omdat deze in de aprocriefe literatuur van het Oude Testament gehuldigd wordt7.

Voorts is het begrijpelijk, dat Gen. 3 van de geestelijke achtergrond van de gebeurtenissen geen gewag maakt. Eerst langzamerhand wordt bij het voortschrijdend licht van de openbaring de diepte van de duisternis onthuld. Schijnbaar onschuldig begonnen, wordt de zonde in haar wezen en macht eerst in de loop van de geschiedenis bekend. De afwijking van de rechte weg is bij de aanvang gering en nauwelijks merkbaar, maar voert, voortgezet, in een geheel verkeerde richting en leidt tot een heel tegengestelde uitkomst. Daaruit is ook te verklaren, dat de Schrift, beide in Oude en Nieuwe Testament, betrekkelijk zo zelden naar het verhaal van de val terugziet; de voornaamste plaatsen, die hiervoor in aanmerking komen, zijn Job 31:33, Ps. 90:3, Spr. 3:18, 13:12, Pred. 12:7, Jes. 43:27, 51:3, 65:25, Joël 2:3, Hos. 6:7, Ezech. 28:13-15, Joh. 8:44, Rom. 5:12v., Rom. 8:20, 1 Cor. 15:21v., 1 Cor. 15:42, 2. Cor. 11:3, 1 Tim. 2:14, Openb. 2:7, 22:2, en deze zijn voor een deel twijfelachtig van uitlegging of bevatten niet meer dan een zinspeling8. Toch kan dit betrekkelijke stilzwijgen niet daaruit worden verklaard, dat het verhaal in Genesis 3 eerst zeer laat is ontstaan, want ook volgens de nieuwere kritiek behoort het tot de Jahvist en bestond het, voordat in de achtste eeuw de schriftprofeten optraden, en bijna alle volken zijn in het bezit van oude tradities over een gouden eeuw, waarin de mensheid eerst heeft geleefd. Men bedenke echter, dat de val, al wordt hij weinig vermeld, toch aan de hele leer van de Schrift over de zedelijke volmaaktheid, als behorende tot het wezen van de mens, over de zonde en over de verlossing ten grondslag ligt; dat de openbaring in het Oude Testament een profetisch karakter droeg en niet terug-, maar vooruitzag, en dat de tweede Adam eerst de volle betekenis van de eerste Adam in het licht stellen kon9. Paulus ziet van de tweede mens op de eerste mens terug. Allengs wordt in de geschiedenis van de openbaring de geestelijke macht bekend, die achter de verschijning en verleiding van de slang zich verbergt. Dan wordt onthuld, dat in de worsteling van het kwaad hier op aarde ook een strijd van de geesten gemengd is, en dat de mensheid en de wereld de buit is, om welke tussen God en Satan, tussen hemel en hel wordt gekampt.

Heel de macht van de zonde hier op aarde staat in verband met een rijk der duisternis in de wereld van de geesten. Ook daar heeft een val plaats gehad. Jezus zegt zelf in Joh. 8:44, dat de duivel een mensenmoorder is ap archv, d.i. van de aanvang van het bestaan van de mensheid af, dat hij in de waarheid oic esthken, zich niet gesteld heeft en dus niet staat, omdat er geen waarheid in hem is, en hij, leugen sprekende, ek twn idiwn spreekt. Ook leert 1 Joh. 3:8, dat hij zondigt van de beginne; in 1 Tim. 3:6 waarschuwt Paulus de neofiet tegen opgeblazenheid, opdat hij niet valle eiv krima tou diabolou, in eenzelfde oordeel, als de duivel getroffen heeft; en Judas spreekt in vs. 6 van aggelouv touv mh thrhwantav thn eautwn arghn alla apolipontav to idion oikhthrion, d.i. van engelen, die hun beginsel, oorsprong, of ook heerschappij niet bewaard en de hun toegewezen woonplaats verlaten hebben. Er ligt hier duidelijk in opgesloten, dat vele engelen niet tevreden waren met de staat, waarin zij door God werden geplaatst. Hoogmoed heeft zich van hen meester gemaakt, om te streven naar een andere, hogere stand. De zonde is het eerst uitgebroken in de wereld van de geesten; zij is opgekomen in het hart van wezens, van wie wij slechts geringe kennis bezitten; onder verhoudingen, die ons zo goed als geheel onbekend zijn. Dit is echter op grond van de Heilige Schrift zeker, dat de zonde niet eerst op aarde maar in de hemel is aangevangen, aan de voet van Gods troon, in zijn onmiddellijke tegenwoordigheid, en dat de val van de engelen heeft plaats gehad vóór die van de mens. De Schrift zwijgt er over, of er verband bestaat tussen die val van de engelen en de schepping van de mens; zij zegt ook niet, wat de gevallen engelen dreef, om de mens te verleiden. Maar om wat reden dan ook, Satan is o satanav, o peirazwn, o diabolov van het menselijk geslacht, anyrwpoktonov, Matt. 4:3, Joh. 8:44, Ef. 6:11, 1 Thess. 3:5, 2 Tim. 2:26, o drakwn, omegav, o ofiv o arcaiov, Op. 12:9, 14-15; 20:2. Zo kwam hij tot Christus, de tweede Adam; en zo kwam hij ook tot de eerste mens. Dat hij niet zelf rechtstreeks en persoonlijk tot hem kwam, maar zich bediende van een slang, is wel daaruit te verklaren, dat hij beter hoopte te slagen, wanneer de verleiding geschiedde door een wezen, dat aan de mens als goed bekend was. Zonder twijfel moet het spreken van de slang aan de vrouw vreemd zijn voorgekomen, maar juist dit vreemde sterkte de verleiding; zelfs een dier, Gods bevel verwerpende, kwam tot hogere volmaaktheid. Overigens leert ons de Schrift, dat ook de onreine geesten bovenmenselijke dingen kunnen doen en van lichamen en spraakorganen zich tijdelijk kunnen meester maken, Matt. 8:28v., Mark. 5:7v., Luk. 8:28v., Hand. 19:15. De verleiding door Satan had bij de mens de val ten gevolge. De Schrift zoekt de oorsprong van de zonde alleen in de wil van het redelijk schepsel.

1 Philo, de mundi opif. par. 56. Clemens Alex., Strom. III 14, 17. Origenes, de princ. IV 16. Verg. ook Augustinus, de civ. Dei XIII 21.

2 Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstelllung6 II 654, 666.

3 Bunsen, in zijn Bibelwerk.

4 Zo Cajetanus, Eugubinlis, Jlinius, Rivetlis, Amyraldlis, Vitringa, vader en zoon, Venema en anderen. Verg. Marck, Hist. Paradisi III 5, 5. M. Vitringa, Doctr. II 256, ook J. P. Val d’Eremas, The serpent of Eden, a philol. and crit. essay on the text of Gen. 3 and its various interpretations. London 1888.

5 Hengstenberg, Christologie des A. Testament 12 5. Kohler, Bibl. Gesch. 16. Delitzsch, Op Gen. 3:1.

6 Josephus, Antiq. II, 4.

7 Clemen, tap. bl. 158v.

8 Voor aanhalingen in de apocriefe literatuur zie men Clemen tap. bl. 1169v. 173.

9 Verg. Krabbe, Die Lehrev. d. Sünde n.v. Tode. Ramburg 1836 bl. 83-100. Hofmann, Schriftbeweis I364v. Kurtz, Gesch. d. A. Bundes I2 1853 bl. 69. Tennant, The origin and propagation of sin2 1906 bl. 142v. 227v. Orr, Gods Image in man 199. Gerretsen, De val des mensen bl. 11, 14v.

x
This website is using cookies. Accept