Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

309. Het historisch karakter van het paradijsverhaal werd in de Christelijke kerk, te allen tijde, vastgehouden. Wel bestond er over de ligging van het paradijs, over het karakter van de beide bomen, over de slang enz. allerlei verschil van gevoelen, maar de geschiedkundige waarheid van de boom van de kennis van goed en kwaad, van het proefgebod, van de verleiding door de slang en van de moedwillige ongehoorzaamheid van Adam en Eva stond voor allen vast en werd tegenover de allegorische verklaring van Philo en Origenes ten strengste gehandhaafd1. Maar in de nieuwere tijd is de historiciteit van het paradijsverhaal van de zijde van de historische kritiek en nog meer van de kant van de evolutieleer ernstig in het gedrang gekomen. Geologie, palaeontologie en alle prehistorische onderzoekingen schijnen voor een oorspronkelijke zedelijke volkomenheid en voor een daarna ingetreden val van de eerste mens geen ruimte over te laten; naarmate wij verder, zo zegt men ons, in het verleden teruggaan, ontdekken wij mensen, die in een zeer primitieve toestand hebben geleefd en bijna van alle cultuur verstoken waren; de mens schijnt zich langzamerhand uit het dier ontwikkeld te hebben, zodat er in het verleden en in het heden van geen val, maar alleen van een vooruitgang gesproken kan worden; het paradijs ligt niet achter, maar vóór ons; wij zijn uit de duisternis voortgekomen en gaan hoe langer hoe meer het licht en het leven, de vrede en het geluk tegemoet2.

Tegenover deze kritiek hebben velen gemeend vaster te staan, wanneer zij niet in het paradijsverhaal, maar in de zondige werkelijkheid hun standpunt namen. Zo zegt bijv. bisschop Charles Gore, dat de leer van val en erfzonde volstrekt niet gebouwd is op de onderstelling, dat de eerste hoofdstukken van Genesis zuiver historisch zijn. Want deze leer is geen dogma, louter afgekondigd op grond van uitwendige autoriteit, maar het vindt zijn bevestiging in de ervaring. Daar is wel een inspirerende werkzaamheid van de Heilige Geest in die verhalen van Genesis, maar als Irenaens, Clemens, Athanasius, Anselmus ze geheel of gedeeltelijk als allegorisch opvatten, dan hebben wij dezelfde vrijheid. In elk geval, the Christian doctrine of sin rests on a far broader and far surer foundation than the belief, that the early chapters of Genesis belong to one form or stage of inspired literature rather than to another. It rests on the strong foundation of our Lord, accepted and verified by man ‘s moral consciousness3. Anderen gaan nog verder, en menen desnoods Genesis 3 en Romeinen 5 geheel te kunnen missen; het is onjuist, volgens De Hartog, de val van de mens voor te dragen als een geloofswaarheid, die we aanvaarden, omdat de Schrift ervan spreekt. Veeleer omgekeerd: omdat de val uit de ervaring blijkt, getuigt Genesis 3 van deze realiteit. De val van de mens, zonde en dood zijn niet geloofspunten maar ervaringsdata4.

Er is hierbij wel enig misverstand in het spel. Indien Genesis 3 historie verhaalt, dan is de val een feit, dat eenmaal, in de aanvang van het menselijk geslacht, heeft plaats gehad en een onvernietigbaar bestanddeel van wereld en geschiedenis uitmaakt. Als feit rust de val niet op het verhaal van Gen. 3, maar omgekeerd, het is in Gen. 3 verhaald, omdat het lang vooraf in de geschiedenis had plaats gehad. Voorts, de val van de mens is volgens de Schrift zulk een erustig en ontzettend feit geweest, dat de gevolgen ervan tot op de huidige dag doorwerken in de geschiedenis van het menselijk geslacht; de ervaring is inderdaad vol van data, die op het feit van de val terugwijzen. Maar uit dit alles leidt men toch ten onrechte af, dat het verhaal in Genesis onnodig en overbodig is en desnoods geheel gemist of door de kritiek zonder schade, van zijn historisch karakter ten enenmale beroofd zou kunnen worden. Want er is onderscheid tussen een feit en de kennis van een feit; een feit is een stuk werkelijkheid, dat nooit ongedaan is te maken, en naarmate het gewichtiger was, ook te rijker in gevolgen is; maar voor de kennis van een feit, vooral wanneer het niet tot het heden, maar tot het verleden behoort, zijn wij afhankelijk van een getuigenis, in welke vorm dit ook gegeven zij. Hierop berust voor een deel het onderscheid tussen natuur- en geschiedwetenschap; de natuur blijft dezelfde en haar verschijnselen kunnen door elke geleerde weer zelfstandig en nieuw worden onderzocht, maar de beoefenaar van de geschiedwetenschap woont de gebeurtenissen zelf niet bij, maar is voor haar kennis van getuigenissen afhankelijk. Zeer dwaas zou hij handelen, wanneer hij aldus redeneerde: al de gebeurtenissen, die hebben plaats gehad, zijn bestanddelen van de werkelijkheid, en werken, naarmate zij gewichtiger zijn geweest, in het heden door; desnoods kan ik de getuigenissen missen, want uit de gegevens in het heden kan ik terugbesluiten tot deze of die gebeurtenis in het verleden. Toch zou hij in het wezen van de zaak niet anders handelen dan zij, die het feit van de val, buiten het historisch getuigenis van de Schrift om, willen bouwen op gegevens van de ervaring. Er mag verschil zijn in graad, omdat de val van de mens alle andere wereldgebeurtenissen in betekenis en gevolgen zeer verre overtreft, maar de redenering blijft er zakelijk dezelfde om en is in beide gevallen ongerijmd.

Bij deze redenering wordt echter ook nog vergeten, dat men vooraf het getuigenis van de Schrift heeft gekend en bij het licht van dat getuigenis de werkelijkheid heeft leren bezien. Men zegt wel, de val te kunnen opbouwen uit de gegevens van de ervaring zonder de hulp van Gen. 3 en Rom. 5; maar feitelijk heeft men in die gegevens van de ervaring het getuigenis van de Schrift reeds opgenomen. Duizenden en millioenen hebben dezelfde werkelijkheid waargenomen, gelijk zij zich nog aan ons laat zien, maar zij zijn er nooit door op de gedachte gekomen van een val van het eerste mensenpaar, maar hebben haar trachten te verklaren door een voorwereldlijke val of door een boze god of door een blind noodlot. Dat wij de werkelijkheid zó zien, dat zij overal de gevolgen van een val in het paradijs vertoont, dat danken wij uitsluitend aan het licht, dat de Heilige Schrift over haar heeft laten opgaan; en het is niet edel gehandeld, nadat men eerst van haar dienst gebruik heeft gemaakt, haar vervolgens het afscheid te geven en een schijn aan te nemen, alsof men het zelf door eigen redenering zover heeft gebracht.

Eindelijk, wanneer men werkelijk in volle ernst aan een val van de eerste mens gelooft, (zij het ook, naar men meent, op grond van ervaringsdata), dan vervalt eigenlijk alle reden, om het historisch karakter van Gen. 3 in twijfel te trekken. Want het hoofdbezwaar van de kritiek (zowel van de Oudtestamentici als van de evolutionisten) is niet tegen het literair bericht in Genesis, maar tegen de daarin vermelde gebeurtenis gericht. Deze gebeurtenis is van zo groot gewicht, dat het hele Christendom er mee staat en valt. Toute la foi consiste en Jésus-Christ et en Adam, et toute la morale en la concupiscence et en la grâce (Pascal). De twee waarheden, resp. de twee feiten, waardoor de gehele Christelijke dogmatiek wordt beheerst, zijn enerzijds de val van Adam, anderzijds de opstanding van Christus (Gerretsen). Wanneer men dit erkent en Adams val voor een ontzettende werkelijkheid houdt, komt men met de hedendaagse kritiek in haar beide aanvallen toch op gespannen voet te staan en vordert men met enige literaire concessies niets. De evolutieleer, zoals zij tegenwoordig meestal voorgedragen en op de geschiedenis van de mensheid en van Israël toegepast wordt, laat voor een status integritatis en voor een val van de eerste mens geen ruimte over; er heeft volgens haar zelfs geen eerste mens bestaan, want de overgangen zijn zo klein geweest en hebben zich over zulk een reeks van eeuwen uitgebreid, dat niemand zeggen kan, waar het dier ophoudt en de mens begint. Zijn aanvangen liggen in het duister, en zijn toestand was oorspronkelijk aan die van het dier gelijk. Hoezeer deze evolutieleer nu op feiten beweert te rusten, men houdt toch het volgende in het oog:

1. de onderzoekingen naar de prehistorische mens hebben wel aan het licht gebracht, dat hij in zeer primitieve toestanden heeft geleefd, maar hoegenaamd niet, dat hij langzamerhand uit het dier is voortgekomen en nog altijd in een periode van overgang verkeert. Veeleer is de gedachte bevestigd, dat hij een mens was van gelijke bewegingen als wij, en dat hij in Europa uit Azië afkomstig is.

2. De ontdekkingen, die in de laatste eeuw in het land van Babel en Assur hebben plaats gehad, stellen ons in kennis van het feit, dat de oudste bewoners, die wij daar leren kennen, niet een onbeschaafd, ruw, half dierlijk ras zijn geweest, maar op een hoge trap van beschaving hebben gestaan, en in hun verdere geschiedenis eer achter-, dan vooruit zijn gegaan.

3. De “Urgeschichte,” welke in Genesis 1-10 is vervat, heeft daardoor een sterke steun gekregen. Zij is enerzijds in haar eigenaardigheid, in haar wonderbare zuiverheid van historische, religieuze en ethische voorstellingen te voorschijn getreden, en anderzijds uit haar isolement losgemaakt en met al de volken, tradities, gewoonten, zeden enz. in samenhang gebracht. Daarbij is met name een sterk licht gevallen op het onderscheid tussen de oudheid van een verhaal en de tijd, waarin het opgetekend is. Ook wanneer de “Urgeschichte” van Genesis uit de tijd van Mozes dagtekent, is zij door een reeks van eeuwen gescheiden van de gebeurtenissen, die zij verhaalt.

4. De moderne wetenschap, ofschoon de evolutie huldigend, neemt toch gewoonlijk nog aan de eenheid van het menselijk geslacht. Indien zij dit doet, aanvaardt zij daarbij een reeks van gevolgtrekkingen, die van de grootste betekenis zijn. Want indien de mensheid één is, dan is zij afgestamd van één ouderpaar, dan heeft zij zich van een bepaalde plaats uit over heel de wereld verspreid, dan heeft zij van huis uit een groep van verstandelijke, godsdienstige, zedelijke voorstellingen en tradities gemeen, dan moet er reeds in het begin, bij het eerste mensenpaar, een zedelijke afwijking hebben plaats gehad, want de zonde is algemeen5.

Alles samengenomen, mist de wetenschap van natuur en geschiedenis tot op de huidige dag het recht, om over de waarheid van de status integritatis en de zondeval van de eerste mens een uitspraak te doen. Het getuigenis, dienaangaande in Genesis vervat, door het later beroep van profeten en apostelen en van Christus zelf bevestigd, en als een noodzakelijk bestanddeel ingevlochten in het geheel van de heilsopenbaring, blijft zich handhaven in de consciëntie van de mensen en past volkomen op de werkelijkheid, welke de dagelijkse ervaring ons kennen doet.

Indirect vindt dit getuigenis van de Schrift ook bevestiging in de tradities, sagen of mythen, die bij allerlei volken over een zondeval voorkomen. Een eigenlijke parallel is van het Bijbels verhaal tot dusver nergens gevonden. Delitsch meende er een ontdekt te hebben in de afbeelding op een zegelcilinder, welke twee personen voorstelt, die de handen uitstrekken naar de vruchten van een boom, aan welks linkerzijde iets opgericht is, dat een slang kan zijn; maar daar de beide personen gekleed en neergezeten zijn, de handen beiden naar de boom uitstrekken, en waarschijnlijk beiden manspersonen zijn, valt er aan verwantschap met het verhaal in Gen. 3 niet te denken. Ook andere verhalen, die men ter vergelijking heeft bijgebracht, kunnen bij nader onderzoek daarvoor niet in aanmerking komen, of zijn nog te onzeker van uitlegging, dan dat er iets op gebouwd kan worden6. Toch is het opmerkelijk, dat in een Babylonische mythe Adapa het eeuwige leven verliest, door een voorgezette spijze en drank niet te gebruiken; dat de slang in vele godsdiensten als een incorporatie van vijandige of weldadige krachten wordt vereerd; dat een wijdverbreid volksgeloof verband legt tussen verschillende bomen, vooral de levensboom, en het lot van de mens; dat in vele sagen de herinnering aan een gouden eeuw van het menselijk geslacht is bewaard; en dat volgens het Avesta, het heilig boek van de Perzische godsdienst, de eerste mens Yima, de edele heerser in het gouden tijdperk, een tijd lang in het paradijs heeft gewoond, maar door hoogmoed gevallen, daaruit verdreven en tenslotte door een boze geest ter dood is gebracht7. Al deze en dergelijke verhalen hebben geen hogere betekenis; dan dat zij tonen, dat de mensheid zich van ouds en overal rekenschap heeft willen geven van de grote verwoesting, die de wereld te aanschouwen gaf, door er het gevolg in te zien van een val, die met de mens heeft plaats gehad. Maar zo zijn ze toch van waarde; het geloof aan een goddelijke afkomst en bestemming van de mens, aan een gouden eeuwen een later ingetreden verval, aan de strijd van goed en kwaad, aan de toorn en de verzoening van de Godheid ligt, min of meer duidelijk uitgesproken of zelfs onbewust, aan de godsdienstige en zedelijke overtuigingen van de mensheid ten grondslag8.

Maar tegelijk stellen zij in het licht, hoe de Heidenen wel tastende gezocht, doch niet gevonden hebben. Oorsprong en wezen van de zonde zijn hun beide onbekend gebleven. Zelfs de Joden, die de val en de verleiding door Satan, Wijsh. 2:24, erkenden en hem daarom dikwijls de oude slang noemden, leerden soms, dat Satan op de zesde dag tegelijk met Eva was geschapen, dat hij door zinnelijke lust geprikkeld, de mens trachtte te verleiden, en dat de mens ook reeds vóór de val naast de bwjh ruy een erh ruy, een neiging ten kwade ontving, om deze te overwinnen en zo zijn werken recht verdienstelijk te maken9. En zo werd elders in de Heidenwereld de oorsprong van de zonde niet in de wil van de redelijke schepselen, maar in het wezen van de dingen gezocht. De val is onbekend. Het Confucianisme is een ondiep rationalisme en moralisme, dat de mens voor van nature goed hield en in een deugdzaam leven, in overeenstemming met de wereldorde, de weg van de zaligheid zocht10. Volgens het Boeddhisme is het Atman of Brahman, de goddelijke substantie, het enig reëele; de wereld van de verschijnselen is maar een droom, heeft de illusie, Maya, tot principe, en is in voortdurende wording en verandering. Daarom is het lijden en de smart algemeen, want alles is aan de vergankelijkheid, aan geboorte, ouderdom, dood onderworpen; en de oorzaak van dat lijden is to zoeken in de begeerten, in de begeerte naar het zijn, in het willen zijn; verlossing bestaat dus in uitdoving van het bewustzijn of ook in vernietiging van het zijn, nirvana11. Het Parzisme leidde het kwaad terug tot een oorspronkelijk boze geest, Ahriman, die tegenover de hoogste God, Ahuramazda, staat, een eigen rijk van de duisternis heeft, de schepping van God verderft, maar aan Ahuramazda ondergeschikt is en eens voor hem zal onderdoen12. De Grieken en Romeinen hebben wel in de sagen van een aurea aetas, van Prometheus en Pandora iets, dat aan de Bijbelse verhalen herinneren kan; maar zij kenden oorspronkelijk geen boze geesten, die tegenover de goede stonden, en schreven aan de goden allerlei boze begeerten en euveldaden toe. Het menselijk geslacht was ook niet in eens gevallen, maar langzamerhand ontaard; en nog bezat de wil van de mens de kracht, om deugdzaam te leven, binnen de perken zich te houden, en zo de zonde, die wezenlijk ubriv was, te overwinnen13.

De filosofie nam gewoonlijk hetzelfde standpunt in. Volgens Socrates ligt de oorzaak en het wezen van de zonde alleen in onkunde; niemand is vrijwillig boos, di. ongelukkig; wie dus goed weet, is goed en handelt goed; er is niets anders dan ontwikkeling nodig, om de mens, die van nature goed is, te brengen tot beoefening van de deugd14. Plato en Aristoteles zagen het ongenoegzame van deze beschouwing wel in; de rede was toch lang niet altijd bij machte, om de hartstochten te beheersen; de zonde wortelde dieper in de menselijke natuur, dan dat ze alleen door kennis kon worden overwonnen; Plato kwam zelfs tot een geheel andere leer over de oorsprong van de zonde en zocht deze in een val van de preëxistente zielen. Maar beiden handhaafden toch de vrije wil en bleven van oordeel, dat de deugd in onze macht staat; het uitwendig lot mag bepaald zijn, de deugd is aderpotov en hangt alleen aan de wil van de mens, ef hmin de kai h areth, omoiwv de kai h kakia15. De Stoa kon op haar pantheïstisch en deterministisch standpunt de oorzaak van de zonde niet zoeken in de wil van de mens, en trachtte daarom het fysische en morele kwaad in te voegen in de orde en schoonheid van het geheel. Het was zelfs van de Godheid niet mogelijk, om de menselijke natuur vrij van alle gebrek te houden; de zonde is even noodzakelijk als ziekten en rampen, en is in zoverre iets goeds, als zij het goede dient en dit tot openbaring brengt16. Toch wist ook de Stoa geen andere weg, om de zonde te overwinnen en de deugd te oefenen, dan door de wil van de mens17. En tenslotte keerde bij Cicero, Seneca, Plotinus enz. altijd weer de gedachte terug, dat de zonde een daad was van de wil en ook door de wil weer kon te niet gedaan worden18. Buiten het gebied van de bijzondere openbaring werd de zonde daarom altijd of deïstisch uit ‘s mensen wil verklaard en als louter een wilsdaad opgevat, of op pantheïstische wijze uit het wezen van de dingen afgeleid en als een noodzakelijk bestanddeel opgenomen in de orde van het wereldgeheel.

1 Verg. bijv. Warck, Historia Paradisi illustrata 1705 bl. 1v.

2 Verg. Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 37 De Oorsprong van de mens; 279

3 Ch. Gore, Lux Mundi 13th ed. London 1892 bl. 395. Id., The new Theology and the old religion 1907 hl. 233. Verg. ook Orr, Gods Image in man bl. 298v.

4 Dr. A. H. de Hartog, De Heilsfeiten. Amersfoort 1907 bl. 34-39. Vergel. Dr. Gerretsen, die zich aldus uitlaat: De val van de mens is de noodzakelijke veronderstelling van de gehele soteriologie. Ook indien hij in Gen. III en Rom. V niet ware genoemd, zou een scherp dogmatisch denken tot de gevolgtrekking moeten komen, dat er een eerste overtreding van de eerste mens is geweest, waardoor geheel de ontwikkeling van het menselijk geslacht wordt beheerst.

5 Vergel. over dit alles breder: Bavinck, Wijsbegeerte der Openbaring 1908 bl. 124v. 146v. 160v.

6 H. H. Kuyper, Evolutie of Revelatie 19033 bl. 37. 112-114.

7 Verg. art. Fall in Hastings, Dictionary of the Bible I839.

8 Zie verder mijn Wijsbeg. van de Openbaring bl. 159 en de literatuur, deel II 567 genoemd, waarbij nog gevoegd kan worden: Lamennais, Essai sur l’indifférence en matiere de religion, 9e ed. 1835, die in deel II de val nagaat in de traditie der volken, en A. M. Weisz, Apol. des Christ. II 73-99, 152-158.

9 Weber, Syst. der alt syn. pal. Theol. 210v. 242v.

10 Saussaye, Lehrbuch der Religionsgesch. 1249, 3e A. I100v.

11 Ib., I 411v. 3e A. II 89v.

12 Ib., II 34v. 3e A. II 199v.

13 Ib., II 191, 3e A. II 397.

14 Zeller, Philos. der Griechen. 4e Aufl. II 141v.

15 Zeller, 3e A. 11852 111588.

16 Ib., IV 175v.

17 Ib., bl. 167v.

18 Ib., bl. 667-717, 722. V585,

x
This website is using cookies. Accept