Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 42. Wezen en Werking van de Zonde.

Marti, Gesch. der Israël. Rel.3 1897 bl. 175v. Clemen, Die chr. Lehrev.d. Sünde I Die bibl. Lehre 1897. Hehn, Sünde und Erlösung nach Bibl. u. Babyl. Anschauung. Leipzig 1903. J. Köberle, Sünde und Gnade im relig. Leben des Volkes Israël bis auf Christum. München 1905. W. Stacrk, Sünde und Gnade nach der Vorstellung des alteren Judentums, bes. der Dichter der sog. Busspsalmen. Tübingen 1905. Caspari, Die Religion in de assyr. bab. Busspsalmen 1903. Bahr, Die Babyl. Busspsalmen 1903. Bennewitz, Die Sünde im alten Israël. Leipzig 1906. Eerdmans, De gedachte-zonde in het Oude Testament Theol, Tijdschr. 1905 bl. 307-324. Art. sin in Hastings, D. B. Weber, Syst. der alt syn. pal. Theol, bl. 217v.

Augustinus, de Genesi c. Manich. I. duo. de civ. Dei XII. XIV. Enchir. c. 11v. enz. Verg. Nirschl, Ursprung und Wesen des Bösen nach der Lehre des h. Aug. Regensburg 1854. Lombardus, Sent. II dist. 35v. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 71 v. c. Gent. III 2v. Bellarminus, de amiss. gr. et de statu peccati I. 1. Theol. Wirceb.3 VII 5v. Scheeben, Dogm. II 520 v. Kleutgen, Theol, d. Vorzeit II 404v. Schwetz, Theol. dogm. cath. II 200v. Jansen, Theol. dogm. II 537v.

Luther, bij Köstlin, Luthers Theol. II 363v. 462v. Melanchton, Loci C. de peccato. Gerhard, Loci Theol. X. XI. Quenstedt, Theol. II 48v. Hollaz, Ex. theol. 536v. Calvijn, Inst. II 2 v. Polanus, Synt. Theol. 335v. Zanchius, Op. IV 1v. Hoornbeek, Theol. pract. I. IV bl. 305v. Mastricht, Theol. IV c. 3. De Moor, Comnm. III 299v. M. Vitringa, Doctr. Christ. II 282v.

Schleiermacher, Chr. Gl. 1361v. 408v. J. Müller, Die christl. Lehre van der Sünde5 I 32v. Tholuck, Von der Sünde und vom Versöhner5 1862. Weiszäcker, Zij der Lehrev. Wesen der Sünde, Jahrb. f, d. Theol. 1856 bl. 131-195. Krabbe, Die Lehrev.d. Sümde und vom. Tode 1836. Vilmar, Theol. Moral I 143v. Philippi, Kirchl. Gl. III. Thomasius, Christi Person u. Werk I3 181v. Dozner, Chr. Gl. II 4v. Frank, Syst, d. chr, Wahrheit I2 436v. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III2 304v. Nitzsch, Ev. Dogm. 287v. Kaftan, Dogm. par. 28v. Häring, Chr. Gl. 265v. Walther, Das Wesen der Sünde, Neue kirchl. Zeits. 1898 bl. 284-325 enz.

328. De erfzonde is ook daarin van alle herediteit onderscheiden, dat zij aan alle mensen, behalve Christus, gemeen en bij allen gelijk is. De dispositie tot misdaden en krankheden, die kinderen soms van hun ouders erven, breidt zich niet tot alle nakomelingen en tot alle geslachten, en ook niet tot allen, die zij aantast, in dezelfde mate uit. Terwijl de Heere de misdaad van de vaderen—aan de kinderen bezoekt tot in het derde en vierde lid dergenen, die Hem haten, doet Hij barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Hem liefhebben en zijn geboden onderhouden, Ex. 20:5-6. De erfzonde is echter tot alle mensen doorgegaan en is ook in dezelfde mate hun deel. Zij is immers niets anders dan de zonde van Adam zelf, toegerekend aan al zijn nakomelingen, en laat hen allen dus met dezelfde schuld, dezelfde onreinheid en dezelfde verderfelijkheid geboren worden, als die bij Adam terstond na zijn overtreding van Gods gebod intraden. De vraag naar het wezen van de zonde is daarom ook niet identiek met die naar haar aanvang en haar erfelijke verbreiding, want eerst bij de ontwikkeling wordt ten volle openbaar, wat in de kiem verscholen ligt. Toch is in de eerste zonde de zonde zelf als beginsel en macht reeds werkzaam en dus daaruit ook reeds enigermate te kennen. Over karakter en aard van de eerste zonde, zowel bij engelen als bij mensen, is echter verschil. De mening, dat de zonde van de engelen met wellust begon, is reeds vroeger weerlegd1. Veel waarschijnlijker is het, met het oog op de aard van de verzoeking in Gen. 3:5 en Matt. 4:3; 6:9, en de vermaning in 1 Tim. 3:6, om niet opgeblazen te worden en zo in hetzelfde oordeel als de duivel te vallen, dat de eerste zonde van de engelen in hoogmoed heeft bestaan; maar er is van hun val te weinig geopenbaard, dan dat wij hier met volstrekte zekerheid kunnen spreken; anderen dachten aan leugen, Joh. 8:44, aan nijd, Wijsh. 2:24, of aan een andere zonde2.

Volgens de Roomsen bestond ook de eerste zonde bij de mens in hoogmoed, en Bellarminus beroept zich daarvoor op Sir. 10:13, Tob. 4:13, Rom. 5:19 en op getuigenissen van Augustinus, Thomas en anderen3. Maar krachtig zijn deze bewijzen niet; Sirach en Tobias spreken alleen van de hoogmoed in het algemeen, Paulus noemt de eerste zonde juist ongehoorzaamheid, en kerkvaders en scholastici bestrijden, als ze de eerste zonde hoogmoed noemen, vooral de opvatting, die haar in zinlijke lust laat bestaan. De Protestanten lieten echter gewoonlijk de zonde bij Eva reeds met de twijfel en het ongeloof aanvangen, die dan werden gevolgd door hoogmoed en begeerlijkheid4. Terecht werd echter door Tertullianus en anderen opgemerkt, dat de eerste zonde reeds velerlei zonden in zich sloot en in beginsel een overtreding was van alle geboden; ze was immer ongehoorzaamheid aan God, twijfel, ongeloof, zelfverheffing, hoogmoed, doodslag, diefstal, begeerlijkheid enz.; en dienovereenkomstig werden er ook verschillende gedachten, aandoeningen, lusten, bewegingen in de mens gewekt; verstand en wil, ziel en lichaam namen er aan deel5. Zij was een bewuste en vrije daad, amartia, parabasiv, paraptwma, parakoh in eigelijke zin, Rom. 5:12v.

Ofschoon verleid, zijn de eerste mensen toch niet als onnozele kinderen, zonder beter te weten, ten val gebracht. Zij hebben Gods gebod met bewustheid en vrijheid overtreden; zij wisten en wilden, wat ze deden. Verontschuldigingen komen hier niet te pas. De omstandigheden, waaronder de eerste zonde door engelen en mensen bedreven werd, strekken niet tot vergoelijking, maar vermeerderen de schuld. Zij werd begaan tegen Gods uitdrukkelijk en duidelijk gebod; door een mens, die naar Gods beeld was geschapen; in een zaak van zeer geringe betekenis, die bijna geen zelfverloochening vorderde; en wellicht korte tijd, nadat het gebod ontvangen was. Ze is de bron geworden van alle ongerechtigheden en gruwelen, van alle rampen en onheilen, van alle ziekte en dood, die sedert in de wereld bedreven en geleden zijn. Hinc illae lacrimae! De zonde van Adam kan geen kleinigheid zijn; ze moet een principiële omkering van alle verhoudingen zijn geweest, een revolutie, waarbij het schepsel zich losmaakte van en stelde tegenover God, een opstand, een val in de meest eigenlijke zin, die voor heel de wereld beslissend was en haar leidde in een richting en op een weg, van God af, de goddeloosheid en het verderf tegemoet, ineffabiliter grande peccatum6. Zo ernstig werd in de Christelijke kerk en theologie de eerste zonde opgevat; ze was een val in eigenlijke zin, geen halfbewuste, bijna onschuldige afwijking, en nog veel minder een ontwikkeling en vooruitgang7.

1 Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 35 De geestelijke wereld; 263

2 Heppe, Dogm. der ev. ref. Kirche 157.

3 Bellarminus, de amiss. gr. et de statu peccati III, 4. Augustinus, de Gen. ad. litt. XI 30. Enchir. 45. de civ. XIV 13. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 163 enz.

4 Luther, op Gen. 3. Gerhard, Loci IX c. 2. Calvijn, Inst. II 1, 4. Zanchius, Op. IV 30. Synopsis pur. theol. XIV 9v. Marck, Hist. Parad. III 2. M. Vitringa, Doctr. II 27.

5 Tertullianus, adv. Jud. 2. Augustinus, Enchir. 45. Marck, Hist. Parad. III c. 2.

6 Augustinus, Op. imp. c. Jul. I 165.

7 Augustinus, de civ. XIV 11-15, XXI 12. Enchir. 26. 27. 45. Thomas, S. Theol. II 2 qu. I63 art. 3. Conc Trid. V1. Bellarminus, de am. gr. III 8-10. Scheeben, Dogm. II 594. Ned. Gel. art. 14. Heid. Cat. vr. 7. 9. Mastricht, Theol. IV 1, 15. Marck, Hist. Parad. III 2, 10 enz.

x
This website is using cookies. Accept