Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

329. De velerlei namen, welke de Heilige Schrift voor de zonde bezigt, wijzen haar ontzettend karakter en haar veelzijdige ontwikkeling aan. tajx heet de zonde als een handeling, die haar doel mist en in afdwaling van de rechte weg bestaat; lye of Nwe duidt haar aan als ombuiging, verdraaidheid, verkeerdheid, als afwijking van de goede richting; evp doet haar kennen als overtreding van de gestelde grenzen, als verbreking van de verbondsverhouding tot God, als afval en opstand; hggv als een verkeerde daad, die onopzettelijk, uit vergissing is geschied; evr als een goddeloos, van de wet afwijkend, schuldig handelen en wandelen. Voorts wordt ze door Mva getekend als schuld, door lem als ontrouw, trouwbreuk, verraad, door lwa als nietigheid, door awv als valsheid, door hlbn als dwaasheid, door er als een kwaad, malum, enz. De Griekse woorden zijn vooral amartia, amarthma, adikia, apeiyeia, apostasia, parabasiv, parakoh, paraptwma, ofeilhma, anomia, paranomia; ze spreken voor zichzelf en beschrijven de zonde als afwijking, onrecht, ongehoorzaamheid, overtreding, afval, onwettelijkheid, schuld; en bovendien wordt de zondige macht in de mens nog door sarx, fucikov en palaiov anyrwpov, en in de wereld door kosmov aangeduid. Het Latijnse peccatam is van onzekere afleiding; het Nederlandse woord zonde, dat waarschijnlijk met het Latijnse sons, d.i. nocens, samenhangt1, is in het Christelijk spraakgebruik een door en door religieus begrip geworden; het duidt een overtreding aan, niet van een menselijke, maar van een Goddelijke wet; stelt de mens in verhouding, niet tot zijn medemensen, tot maatschappij en staat, maar tot God, de hemelse Rechter; is daarom ook in vele kringen niet geliefd, en wordt dan liefst door zedelijk kwaad enz. vervangen. Verreweg de meeste van deze namen doen de zonde kennen als een afwijking, overtreding van de wet. De Schrift vat de zonde steeds op als anomia, 1 Joh. 3:4; haar maatstaf is de wet van God. Deze wet had in verschillende tijden ook een verschillende gedaante. Adam verkeerde in een heel bijzonder geval; niemand kan na hem zondigen in de gelijkheid van zijn overtreding, Rom. 5:14. Van Adam tot Mozes was er geen positieve, door God afgekondigde wet. De tegenwerping kan dus gemaakt worden, dat als er geen wet is, er ook geen overtreding, zonde en dood kan zijn, Rom 5:13, 4:15. In Rom. 5:12v geeft Paulus daarop geen ander antwoord, dan dat door de éne overtreding van Adam de zonde als macht in de wereld is ingekomen en allen beheerst heeft en zo de dood tot alle mensen is doorgegaan. De overtreding van Adam heeft allen tot zondaren gesteld en allen de dood onderworpen. Deze invloed van Adams overtreding sluit niet uit, maar sluit in, dat alle mensen zelf ook persoonlijk zondaren zijn. Want juist omdat door de éne overtreding van Adam de zonde in de mensenwereld is gaan heersen en allen dientengevolge ook zelf persoonlijk zondaren waren, daarom is de dood ook tot allen doorgegaan. Meer zegt Paulus in Rom. 5:12v. niet. Dat was daar, in dat verband voldoende. Maar van elders kan dit antwoord worden toegelicht en aangevuld. Als er van Adam tot Mozes zonde en dood is geweest, Rom 5:13-14, dan moet er ook een wet hebben bestaan, wel geen positieve, die met hoorbare stem door God is afgekondigd, zoals in het paradijs en op de Sinaï, maar toch wel een wet, die ook de mensen toen persoonlijk bond en schuldig stelde. Dat zegt Paulus ook duidelijk in Rom. 2:12-26. De Heidenen hebben de Mozaïsche wet niet, maar ze zondigen toch en gaan verloren anomwv, omdat zij zichzelf een wet zijn en hun consciëntie zelf hen beschuldigt. Er is een openbaring van God in de natuur beide van religieuze en ethische inhoud, welke genoegzaam is, om alle onschuld te benemen, Rom. 2:18v., 1 Cor. 1:21. Terwijl God echter de Heidenen wandelen liet op hun eigen wegen, maakte Hij aan Israël zijn wetten en rechten op duidelijke wijze bekend. En deze wet is nu voor Israël de maatstaf van alle zedelijk handelen.

In de laatste tijd is dit zeer sterk bestreden. Natuurlijk kwam het begrip van zonde bij Israël van ouds, evenals bij alle andere volken2, voor; maar men beweert, dat zonde oorspronkelijk nog niets met het zedelijke te maken had. Niet alleen was het ten enenmale onbekendt dat de zonde in een gezindbeid, in een innerlijke neiging en richting van het hart kon bestaan, maar ook bij de zondige daden dacht men aan heel iets anders, dan wat wij gewoonlijk daaronder verstaan. Het besef van de zonde ontbrak bijna geheel. Maar er heerste in het oude Israël algemeen deze gedachte, dat de ellende waarin men verkeerde, de krankheid waardoor men bezocht werd, de nederlaag, die men in de oorlog leed enz., bewijzen van de toorn van de Heere waren, en dat men dus op de een of andere wijze tegenover Hem ongelijk had, Gen. 42:21-22, Joz. 7:11v, 1 Sam. 4:3; 14:37-44; 2 Sam. 21:1. Het woord ajx betekende oorspronkelijk ook niets anders dan, tegenover een machtigere in het ongelijk zijn of gesteld worden, Ex. 5:16, 1 Kon. 1:21, 2 Kon. 18:14. Eerst later duidde het aan een handelen in strijd met de volkszede, Gen. 19:7v.; Gen. 34:7, Joz. 7:15, Richt. 19:23; 20:6, 2 Sam. 13:12, 21:1-14, en nog weer later, vooral nadat de profeten het ethisch monotheïsme hadden verkondigd, een overtreding van Gods wet. Het woord kreeg dus eerst langzamerhand een ethische betekenis.

In de oudste tijd was daar echter nog geen sprake van. Uit de rampen besloot men alleen tot het ongenoegen van de Heere. Maar dat ongenoegen openbaarde zich volstrekt niet over wat wij zonde noemen, maar over allerlei willekeurige dingen. Omdat de Heere nog geen ethisch karakter had, toornde Hij dikwijls zo maar, zonder enige reden; Hij was nog geheel en al een God van willekeur, en zelf een Bewerker, niet alleen van het goede, maar ook van het kwade. Hij geeft bevel tot het beroven van de Egyptenaren, Ex. 3:22, en het uitroeien van de Kanaänieten, Deut. 9:3. Hij zendt een boze geest, Richt. 9:22, 1 Sam. 16:14, 23; 18:10; 19:9, zet Saul tegen David op, 1 Sam. 26:19, port David aan, 2 Sam. 24:1, doet een leugengeest uitgaan in de profeten, 1 Kon. 22:21v., beschikt, dat Simson een vrouw bij de Filistijnen zoekt, Richt. 14:4, veroorzaakt de scheuring van het rijk, 1 Kon. 12:16-24, gebruikt zonde als een strafmiddel, 2 Sam. 12:4, 16:21, en is de bewerker van alle kwaad in de stad, Am. 3:6. En even willekeurig als Hij in zijn toorn is, is Hij het ook in zijn straffen; Hij straft schuldigen en onschuldigen tegelijk, verdelgt om Achans zonde zijn hele huis, Joz. 7:24, om Sauls afval zeven mannen van zijn zonen, 2 Sam. 21:1v., en bezoekt de overtredingen in het derde en vierde geslacht, Ex. 20:5, 34:7, Deut. 5:9v3.

Al deze beschuldigingen tegen de moraal van het Oude Testament werden indertijd reeds ingebracht door de Gnostieken en Manicheën, die daarom de God van het Oude Testament onderscheidde van de Vader van Christus4. En zij hebben dit eigenaardige, dat zij waar en vals dooreenmengen. Onjuist is, dat in het oude Israël het eigenlijk begrip van de zonde, als zonde tegen God, ontbrak. Want in Gen. 13:13 heten de mannen van Sodom reeds grote zondaars tegen de Heere; in Gen. 38:9-10 is de zonde van Onan kwaad in de ogen van de Heere; van Jozef wordt gezegd, dat hij God vreest, Gen. 42:18, en niet wil zondigen tegen God, Gen. 39:9; David wil zijn hand niet slaan aan de gezalfde van de Heere, 1 Sam. 24:7, 2 Sam. 1:14, looft de Heere, dat Hij hem teruggehouden heeft van zich aan Nabal te wreken, 1 Sam. 25:39, en belijdt in de zaak van Uria en Bathseba, dat hij tegen de Heere gezondigd heeft, 2 Sam. 12:13 enz. Al deze getuigenissen bewijzen overvloedig, dat ook het oude Israël de zonde wel terdege reeds kende als een kwaad voor Gods aangezicht. En onder dat kwaad werd niet alleen de zondige daad, maar ook de zondige gezindheid verstaan. Hoe zou dat anders kunnen bij een beschouwing van de mens, waarin het hart zulk een ruime plaats inneemt? Reeds in Gen. 6:5, 8:21, wordt door God gezegd, dat het gedichtsel van de gedachten van het hart bij de mens boos is van van de jeugd aan, en elders heet het telkens, dat God het hart en de nieren proeft, Ps. 7:10 [Ps. 7:9], 17:3, 26:2, 139:13, Jer. 11:20, 17:10, 20:12, dat Hij het hart aanziet, 1 Sam. 16:7, dat Hij het hart van de mens eist, 1 Kon. 11:4, 15:13, Jes. 29:13, Ezech. 33:31, Spr. 23:26, omdat daaruit de uitgangen van het leven zijn, Spr. 4:23, dat Hij een rein, een nieuw, een vlesen hart schenkt, Ps. 51:12 [Ps. 51:10], Jer. 24:7, 31:33, 32:39, Ezech.11:19; 36:26 enz.5. En hierbij moet men nog in overweging nemen, dat in het Jahvistisch verhaal van Gen. 3 de eerste zonde bestaat in een overtreding van Gods gebod; dat de broedermoord door de Heere in Gen. 4:10v streng wordt afgekeurd; dat de boosheid van de mensen, niet alleen in daden maar ook in het gedichtsel van hun hart, door de Heere werd aanschouwd, Gen. 6:5, en de zondvloed noodzakelijk maakte; dat God de doodslag van een mens verbiedt, Gen. 9:6, en bij Babel van de mensen hoogmoed straft, Gen. 11:5 enz.

Hiermee is volstrekt niet in strijd, dat de volkszede dikwijls als een maatstaf van het zedelijk handelen geldt, want Joz. 7:15 leert duidelijk, dat beide: het overtreden van het verbond van God en het doen van een dwaasheid in Israël, zeer goed samen kunnen gaan. De volkszede is op zichzelf even weinig met Gods wet in strijd, als het geweten, dat ook een ondergeschikte, subjectieve norma van het zedelijk leven is, en blijft daarom altijd, ook in de uitnemendste maatschappij, een norma normata. Vandaar, dat God, toen Hij zijn wet aan Israël gaf, die volkszede niet vernietigd, maar integendeel erkend, opgenomen en naar de bedoeling met zijn volk gewijzigd heeft. Dat geldt van de besnijdenis, de offerdienst, het priesterschap, de feestdagen, de bloedwraak, de gastvrijheid enz., welke van ouds bij de volken en ook bij Israël bestonden, en aan de Sinaï niet afgeschaft, maar gewijzigd en in een hogere orde van zaken, dat is, in het verbond van de genade ingelijfd en daaraan dienstbaar gemaakt zijn. Meer nog, Jezus zegt ten aanzien van de echtscheiding, dat Mozes ze toegelaten heeft vanwege de hardheid van de harten, Matth. 19:8, en dat geldt van vele bepalingen in zijn wetgeving (polygamie, slavernij, bloedwraak, corporatieve verantwoordelijkheid enz.). Men mag haar niet beoordelen naar de wetgeving bij een Christelijk volk, noch zelfs naar die van Hammurabi, die voor een ander volk en in andere toestanden geschreven werd, maar men moet rekening houden met de eigenaardige toestand, waarin Israël zich bevond, toen het uit Egypte werd uitgeleidt en met de bedoeling, die God met dat volk had, als Hij er zijn verbond mee oprichtte. Men moet zich de ruwheid van die tijden voor ogen stellen, als men gevallen van wrede behandeling, zoals er soms verhaald worden, Richt. 1:6; 4:21; 2 Sam. 8:2, 12:31 enz billijk beoordelen wil. Men moet de uitroeiïng van de Kanaänieten bezien in het licht van het oordeel van God, dat soms over geslachten en volken gaat, en dat toen reeds door God Zelf, ter waarschuwing, met de verwoesting van Sodom en Gomorra begonnen was, Gen. 18:20v., verg. Lev. 18:24-25; 20:23; Deut. 9:4-5; 12:29v., 1 Kon. 21:26, Ezr. 9:11. En in het algemeen heeft men zich te stellen op het standpunt van de apostel Paulus, die getuigde, dat de wet na de belofte gekomen en aan de belofte toegevoegd was, om de overtredingen te vermeerderen en Israël in zijn onmondige staat heen te leiden naar de vrijheid, die in Christus Jezus is, Rom. 4:15, 5:20, 7:4, Gal. 3:19, 23-24; 4:1 v,.

Voorts behoeft de volkszede niet met Gods wet in strijd te zijn, maar daaruit volgt toch volstrekt niet, dat zij er feitelijk steeds mee overeenstemt. Het geweten van de Christenen is dikwijls daarnaar slechts voor een deel geconformeerd, en onder hen leven van geslacht tot geslacht tal van gewoonten en gebruiken voort, die de toets van die wet niet kunnen doorstaan. Veel sterker was dat nog in de oude dag onder Israël het geval; er bestond te allen tijde een groot verschil tussen de voorstellingen en handelingen van het volk en de openbaring, welke God door Mozes en de profeten aan zijn Israël gaf. Het volk verviel telkens tot afgoderij, beeldendienst en allerlei heidense gruwelen; en als het uitwendig aan de Heere trouw bleef, verhief het zich op zijn verkiezing, op het bezit van de tempel, op zijn slacht- en brandoffers, en meende daarmee de Heere welbehagelijk te zijn. Zelfs de vromen bleven zondaren, die dagelijks struikelden in velen. Vele daden, die van de heiligen in het Oude Testament worden verhaald, van Noach, Abraham, Izak, Jakob, Rachel, David enz. zijn daarom beslist te veroordelen, en niet, omdat zij gelovigen waren, met de Rabbijnen te verontschuldigen. Het wezen van de zonde wordt tenslotte niet bepaald door wat onder Israël gebruikelijk was of soms plaats had, maar door de wet van God.

Deze wet bevatte, in verband met de hele heilsoeconomie, niet alleen zedelijke, maar ook burgerlijke en ceremoniëele geboden. De zonde was dus in zekere zin een veel ruimer begrip dan thans bij ons, want zij omvatte ook alles, wat met de burgerlijke wetgeving en met de levietische reinheid in strijd was. Daardoor werd de zonde uitgebreid en vermeerderd, werd haar wezen als het ware langs uitwendige weg tot bewustzijn van het volk gebracht, maar werd ook het gevaar geboren, om de zedelijke geboden licht te achten en in uitwendige, levietische reinheid de gerechtigheid te zoeken; de profetie drong daarom te allen tijde op de eis van de Heere aan, dat gehoorzaamheid en barmhartigheid beter zijn dan offeranden. Voorts waren alle geboden onder Israël één wet, onder de bescherming van de overheid gesteld; alle zonde kreeg dus het karakter van een misdaad; ze was een overtreding van Gods wet, maar tegelijk van de staatswet; een verbreking van het verbond met God, maar ook van de band met het volk; wie dus een zonde gedaan had met opgeheven hand, wie moedwillig en opzettelijk het verbond had gebroken, moest uit de gemeenschap van God en van zijn volk verwijderd worden. En eindelijk, zonde en straf waren onder Israël zeer nauw verbonden. Ieder Israëliet was en beschouwde zich als deel van het geheel, als lid van de volksgemeenschap. Deze gemeenschap van gezin, familie, geslacht tvolk was veel sterker en werd veel dieper dan tegenwoordig onder ons gevoeld, al heeft men daaruit ten onrechte afgeleid, dat het individu toen zo goed als niets betekende6. Men rekende zichzelf in die gemeenschap en deelde dus vanzelf in haar lot, in haar zegen, maar ook in haar oordeel en straf. De wet sprak dit zelf uit en nam het in haar geboden op, Ex. 20:5, 6, 12; met de ouders werden de kinderen gezegend en gestraft. Vandaar dat het woord tajx betekenen kan zowel zonde, als ook straf en zoenofferande (zondoffer7; beide lagen vlak bij elkaar, als de zonde niet verzoend werd, moest zij gestraft worden. Daardoor werd onder Israël het bewustzijn van de schuldigheid en de doemwaardigheid van de zonde gewekt. En als het heden aan deze eis niet beantwoordde, als het leven telkens de voorspoed van de goddelozen en de verdrukking van de vromen te aanschouwen gaf, dan werd daaruit de verwachting geboren van een onschuldig lijden om de schuld van een andere, van de lijdende knecht des Heeren, die om onze ongerechtigheden verbrijzeld wordt en door zijn striemen ons genezing aanbrengt. De wet is na de belofte gekomen, maar wordt nu verder ook aan haar vervulling dienstbaar.

Tenslotte kan men nog opmerken, dat er in de zedelijke geboden van de tweede tafel van de wet altijd een grote overeenstemming tussen de volken bestaat, omdat het werk van de wet in hun harten geschreven blijft, Rom. 2:15. Maar het nieuwe en ongewone in de wetgeving van Israël is, dat aan de tweede tafel de eerste voorafgaat, en dat daarin zo sterk mogelijk de dienst van de Heere, als Israëls God, alleen wordt voorgeschreven. Terwijl alle andere volken het polytheïsme huldigen en dientengevolge aan allerlei superstitie en magie zich schuldig maken, is onder Israël alle afgoderij en beeldendienst, alle waarzeggerij en toverij, alle misbruik van de naam van de Heere en alle ontheiliging van de Sabbat, dit teken van het verbond, Ex. 31:17, Jes. 56:6, ten strengste verboden. Hierin ligt het onderscheidende van Israëls religie: de Heere, die Israël verkoor, is de enige God, de God van het recht maar ook de God van de genade en van de verlossing; zijn wet is een bondswet; omdat Israël het volk van de Heere is uit genade, moet het wandelen in zijn wegen. Daarop valt in het Oude Testament altijd de volle nadruk; de zonde mag groot of klein zijn, zij is slechts daarom zonde, omdat zij tegen God en zijn wet ingaat, Gen. 13:13, 20:6, 39:9, Ex. 10:16; 32:33; 1 Sam. 7:6; 14:33; 2 Sam. 12:13, Ps. 51:6 [Ps. 51:4], Jes. 42:14, Jer. 14:7, 20 enz. Als de Heere in de toekomst zijn Geest zal uitstorten, dan zal dit daartoe strekken, dat de kinderen Israëls in zijn inzettingen zullen wandelen en zijn rechten zullen bewaren en doen, Ezech. 36:27. En de bede van de vromen was, dat hun wegen gericht werden, om zijn inzettingen te bewarent Ps. 119:5.

Het Nieuwe Testament neemt principiëel hetzelfde standpunt in. Jezus stelt niemand minder dan God Zelf tot voorbeeld, Matt. 5:48, en beoordeelt alles naar zijn wet, Matt. 19:17-19, Mark. 10:17-19, Luk. 18:18-20. Deze is voor Hem de inhoud van wet en profeten; Hij handhaaft haar ten volle, zonder er iets af te doen, Matt. 5:17-19, 23v., Matt. 6:16v., Matt. 21:12v., Matt. 23:3, 23; 24:20, en beoordeelt juist van dit standpunt uit alle menselijke inzettingen, Matt. 5:20v., Matt. 15:2v., Mark. 2:23v., Mark. 7:8, 13 enz.. In Matt. 7:12 stelt Hij dan ook geen nieuw ethisch principe op, maar geeft Hij niets anders dan een praktische interpretatie van het gebod van de naastenliefde. Desniettemin wordt het zondebegrip en zondebesef door Christus verscherpt en verdiept. Juist door van de menselijke inzettingen tot de wet van God in het Oude Testament terug te gaan, doet Hij die wet ons weer kennen in haar geestelijk karakter, Matt. 5, herleidt Hij haar tot één beginsel, nl. de liefde, Matt. 22:37-40, en doet ze ons kennen als één geheel, verg. Jak. 2:10. Naar die wet oordelende, ontmaskert Hij de huichelarij, Matt. 23, verbreekt de band tussen het ethische en het fysische, Mark. 7:15, gaat tot het hart als bron van alle zonde terug, Matt. 16:18-19, en maakt ook het lijden van persoonlijke schuld onafhankelijk, Luk. 13:2-3, Joh. 9:3. Tegenover de openbaring van Gods genade in het Evangelie komt de zonde te donkerder uit. De wet blijft kenbron van de zonde, Rom. 3:20; 7:7; maar als die wet in het licht van het Evangelie gelezen wordt, wordt de zonde in al haar afschuwlijkheid openbaar. Dan blijkt, dat zij een macht is, die haar dienaren tot slaven maakt, Joh. 8:34, 6:20, die in de wet haar kracht, 1 Cor. 15:56, in het vlees met zijn begeerlijkheid haar zetel heeft, Rom. 7:18, Jak. 1:14, en die alleen door Christus gebroken en overwonnen kan worden, Joh. 8:36, Rom. 8:2. Omdat Gods genade ten volle in Christus verschenen is, daarom is het ongeloof thans zulk een grote zonde, Joh. 15:22, 24; 16:9, draagt het nemen van ergernis aan Christus zulk een erustig karakter, Matt. 11:6, is de afval van de genade zo schrikkelijk, Hebr. 2:3; 4:1; 6:4-5; 10:26, en is de lastering tegen de Heilige Geest een onvergefelijke zonde, Matt. 12:31. De Mozaïsche wet mag dus, wat haar eis en vloek, haar burgerlijke en ceremoniële geboden betreft, in Christus haar doel en haar einde hebben bereikt, Rom. 10:4, Gal. 3:24, de gelovige mag van het juk van haar dienstbaarheid ontslagen zijn en in de vrijheid staan, Rom. 6:14, 7:4, 10:4, Gal. 2:19; 3:15; 5:18;, die vrijheid heft toch de wet in haar ethisch gehalte niet op, doch bevestigt haar, Rom. 3:31; haar recht wordt juist vervuld in degenen, die wandelen naar de Geest, Rom. 8:4. Die Geest immers vernieuwt het hart en leert ons onderzoeken, kennen en doen, wat Gods wil is, Rom. 12:2, Ef. 5:10, Phil. 1:10. Deze wil is en blijft kenbaar uit het Oude Testament, Rom. 13:8-10; 15:4; 1 Cor. 1:31; 10:11; 14:34; 2 Cor. 9:9, 10:17, Gal. 5:14, is in Christus’ woord en leven ons verklaard, 1 Cor. 11:1, 2 Cor. 3:18, 8:9, 10:1, Phil. 2:5, 1 Thess. 1:6, 4:2, en vindt ook in het eigen geweten weerklank, 1 Cor. 8:7; 10:25; 2 Cor. 1:12; zij wordt geschreven in het hart van de gelovigen, Hebr. 8:10, 10:9. Door heel de Schrift heen is dus het wezen van de zonde gelegen in anomia, 1 Joh. 3:4, in overtreding van de wet, welke God in zijn Woord heeft geopenbaard.

1 Müller, Sünde I 114v.

2 Hastings, D. B. IV 534; waar Westcott, Religious thought in the West, wordt aangehaald.

3 Stade, Gesch. des Volkes Israëls I 1887 bl. 507v. Clemen, Lehrev. d. Sünde I 21v. Eerdmans, De gedachte-zonde in het Oudtestamentische Th. Tijdschr. 1905 bl. 307-324.

4 Diestel, Gesch. der Alten Test. in d. chr. Kirche. Jena 1869 bl. 64v. 114v.

5 Wildeboer, Theol. Studiën 1903 hl. 109-118. 1906 bl. 94-110.

6 Max Löhr, Socialismus und Individualismus im A. T. Giesen 1906, heeft het onjuiste van deze mening van Stade, Smend e.a. duidelijk aangetoond.

7 Dat het werkwoord ajx in Ex. 5:16; 1Kon. 1:21; 2Kon. 18:14 de betekenis heeft van: in het ongelijk zijn of gesteld worden tegenover een machtigere, zonder bijgedachte van schuld, is volstrekt niet bewezen. Het woord betekent eigenlijk missen, Richt. 20:16, en zou dus die ruimere betekenis wel toelaten. Maar de genoemde plaatsen bewijzen dit niet. In Ex. 5:16 zeggen de Israëlieten eenvoudig tot Faraö: wij krijgen geen stro en moeten toch tichelstenen maken, en als wij ze niet maken, worden wij toch geslagen en krijgen wij de schuld. In 1 Kon. 1:21 zegt Bathseba tot David: als gij niet beslist en Adonia koning wordt, dan zullen wij, Bathseba en Salomo, straks de schuldigen zijn, die door Adonia worden gedood, omdat wij hem niet erkennen, terwijl wij toch feitelijk, op grond van uw eed, vs. 17, gelijk hebben. En in 2 Kon. 18:14 doet Hizkia een belijdenis van schuld, die hem in de nood wordt afgeperst en die hij zelf later niet erkent. In al deze plaatsen behoudt dus het woord zijn gewone betekenis.

x
This website is using cookies. Accept