Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

330. Door deze leer van de Schrift werd de opvatting van de zonde in de Christelijke theologie bepaald. Enerzijds kon daarom die mening niet aangenomen worden, welke het wezen van de zonde zocht in enige substantie en ze herleidde tot een principe van toorn in God (Böhme), of tot een boze macht naast God (Mani), of tot een of andere stof, zoals de ulh, de sarx (Plato, de Joden, Flacius enz.). En anderzijds was ook de theorie te verwerpen, dat de zonde bestond in een nog-niet-zijn, dat ze behoorde tot de noodzakelijke tegenstellingen in het leven en van nature eigen was aan de eindige, zichzelf ontwikkelende, naar volmaaktheid strevende mens (Spinoza, Hegel enz.). Daartegenover hield de Christelijke theologie van begin af staande, dat de zonde geen substantie was. Er is hierover nooit verschil of strijd geweest. Petavius haalt tal van kerkvaders aan, die allen in dit opzicht hetzelfde leren. Er was hier ook geen twijfel of aarzeling mogelijk. Indien de zonde een substantie was, zou er een wezen zijn, dat God niet tot auteur had of zou God ook haar oorzaak zijn. De zonde moest dus opgevat en omschreven als oute on oute en toiv ousin, als een elleifiv, sterhsiv, anacwrhsib tou agayou, als asyeneia, asummetria, evenals blindheid een beroving is van het gezicht1. In het westen heeft vooral Augustinus dit privatief karakter van de zonde in het licht gesteld en tegenover de Manicheën gehandhaafd. Alle zijn is in zichzelf goed. Omnis natura, in quantum natura est, bona est. Het kwade kan daarom slechts zijn aan het goede, non potest esse ullum malum nisi in ajiquo bono, quia non potest esse nisi in ajiqua natura. Het is zelf nulla natura, maar amissio, privatio, corruptio boni, vitium, defectus naturae; bonum minui malum est2. Het heeft daarom ook geen causa efficiens, maar alleen deficiens3. En ook werd door de scholastici, door de Roomse, Lutherse en Gereformeerde godgeleerden het begrip van de zonde in metafysische zin tot dat van de privatio herleid4.

Aan de andere zijde is het echter duidelijk, dat de zonde door het begrip privatio niet voldoende omschreven wordt. Zij is toch geen bloot gemis, niet een louter niet-zijn; maar zij is een werkzaam en verdervend beginsel, een ontbindende, verwoestende macht. De Schrift spreekt van haar meestal in zeer positieve zin als overtreding, verkeerdheid, ongehoorzaamheid, onwettelijkheid enz., en schrijft haar de werkzaamheid van getuigen, heersen, bewegen, bedenken, strijden toe enz. Verschillende theojogen hebben daarom ook de onderscheiding tussen materia en forma in de zonde verworpen. Zij beriepen er zich b.v. op, dat Godslastering, afgoderij, haat tegen God enz. als daden zondig waren en nooit een goede forma konden aannemen, en zij omschreven de zonde daarom liever als een entitas quaedam realis ac positiva, als een reale quid5. Tot recht verstand zij hierbij echter het volgende opgemerkt.

1. Als de meeste Christelijke theologen de zonde als privatio opvatten, hadden zij daarmee allereerst de bestrijding van het Manicheïsme op het oog. In zover is hun mening ook volkomen juist en zonder voorbehoud te aanvaarden. De zonde is geen substantie, noch geestelijke noch stoffelijke, want dan zou zij God tot oorzaak hebben, of God zou niet de Schepper aller dingen zijn.

2. Ook het wezen van de zonde zelf verbiedt haar als een substantie te denken. Want zonde is geen fysisch, maar een ethisch verschijnsel. Zij is een toestand en een daad van de wil en heeft in deze haar oorzaak; zij is niet met de schepping gegeven, maar na de schepping door ongehoorzaamheid ontstaan. Zij kan dus geen materia zijn, welke eeuwig bestond of in de tijd door God werd geschapen, maar heeft alleen realiteit als deformatie van het zijnde; in zover kan zij zelfs een ouk on, een nihilum heten6.

3. Daarmee is dan geenszins bedoeld, dat de zonde een nihil negativum is. Veeleer is de pantheïstische opvatting van de zonde als een zuivere negatie, als een nog-niet-zijn, als een noodzakelijk moment in de ontwikkeling van een eindig en beperkt wezen, als een waan van de gedachte, door de Christelijke theologie te allen tijde zo beslist mogelijk bestreden. De zonde was geen mera negatio, maar een privatio. Het onderscheid tussen beide bestaat daarin, dat negatie alleen gemis (carere), privatie daarentegen gebrek (egere) aanduidt; dat een steen niet ziet, is een negatie, dat een mens niet ziet, is een privatie, omdat het zien tot de hoedanigheden van een mens behoort. Zonde is een beroving van die zedelijke volmaaktheid, welke de mens behoorde te bezitten.

4. De omschrijving van de zonde als privatio sluit daarom in het minst niet uit, dat zij ook, van andere zijde beschouwd, een actio is. Zij is geen ousia, substantia, res, maar wel in haar beroving van het goede een energeia, gelijk het hinken van de kreupele geen niet lopen, maar een verkeerd lopen is. Augustinus, die de zonde telkens als een privatio beschrijft, noemt ze daarom een transgressio legis7, voluntas retinendi vel consequendi quod justitia vetat8, een deficere, dat een tendere insluit, deficere autem non jam nihil est sed ad nihilum tendere9, inclinatio ab eo quod magis est ad id, quod minus est10, en geeft dan van de zonde deze definitie: peccatum est factum vel dictum vel concupitum aliquid contra aeternam legem; lex vero aeterna est ratio divina vel voluntas Dei, ordinem naturalem conservari jubens, perturbari vetans11. Deze definitie werd later door allen overgenomen; zonde is geen mera of pura privatio, sed actus debito ordine privatus12, een privatio cum positiva qualitate et actione, een actuosa privatio13.

1 Athanasius, c. Gent. 3v. Gregorius Nyss., Catech. c. 5. Dionysius, de div. nom. c.v. Damascenus, de fide orthod. I I30.

2 Augustinus, de civ. XI 9. 17. 22. Enchir. 11-13. c. Jul. c. 3 enz.

3 Id., de civ. XII 7. 9.

4 Zie behalve de boven reeds genoemde litt. bijv. nog: Becanus, Theol. schol. II 1 tract. 1 c. 5 qu. 1. Buddeus, Inst. theol. bl. 546. Ursinus, Tract. Theol. 1584 bl. 199. Turretinus, Theol. El. loc. IX enz.

5 Cajetanus bij Becanus t.a.p. Theol. Wirceb., VII 15. Vitringa Sr., Observ. Sacr. VI c. 15. 16. M. Vitringa, Doctr. II 288-290, en voorts ook Arminius, Op. bl. 730. Limborch, Theol. Christ. V 4. Strauss, Gl. II 360v. Müller, Sünde I 396-409. Shedd, Dogm. Theol. I 371.

6 Dr. R. P. Mees, Wetenschappelijke Karakterkennis. ‘s Gravenhage 1907, vergist zich dus, als hij bl. 63v. zegt dat de zonde vroeger als een ens positivum werd opgevat, (evenals de ziekte als een stof werd beschouwd).

7 Augustinus, de cons. Ev. II c. 4.

8 Id., de duab. an. c. Manich. I c. 11. Retract. I 11.

9 Id., c. Secund. Manich. c. 11.

10 Id., is. c. 12. Verg. de lih. arh. I 16. II 19.

11 Augustinus, c. Faust. Manich. XXII 27.

12 Lombardus, Sent. II dist. 35. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 71 art. 6. qu. 72 art. 1 ad. 2. qu. 75 art. 1 ad. 1.

13 Zanchius, Op. IV 1v. Polanus, Synt. VI 3. Heidegger, Corp. Theol. X8. Bucanus, Inst. Theol. XV 7. Synopsis pur. theol. XVI 4-9.

x
This website is using cookies. Accept