Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

331. Op grond van de Heilige Schrift en in overeenstemming met de belijdenis van het Christelijke geloof kan daarom het wezen van de zonde op de volgende wijze nader worden omschreven en toegelicht.

1. omdat de zonde geen fysische of metafysische, maar een ethische tegenstelling van het goede is, heeft zij geen eigen, zelfstandig, van het zijn van de dingen onafhankelijk bestaan. Wie de zonde voor een substantie houdt, schijnt wel diep doordrongen van haar macht en betekenis, maar verzwakt ze feitelijk, brengt ze van ethisch op fysisch terrein over, en maakt de strijd tussen goed en kwaad tot een worsteling tussen licht en duisternis, geest en stof, een goede en een kwade God, die nimmer eindigt en alle verlossing van de zonde onmogelijk maakt. Daarom is het van het hoogste belang, om de zonde altijd te beschouwen als een ethisch verschijnsel. De straffen en gevolgen van de zonde breiden zeer zeker ook over het fysisch terrein zich uit, maar de zonde zelf is en blijft van ethische aard. Dan kan zij ook geen eigen principe en geen zelfstandig bestaan hebben; zij is ontstaan na en bestaat slechts door en aan het goede. Het kwade is wel van het goede afhankelijk, maar niet omgekeerd. tw men gar esylw egcwrei kakw genesyai1, to beltion kai timiwteron proteron einai th fusei dokei2. Bonum (verum) index sui et mali (falsi). Het goede is door vrije keus de oorzaak van het kwade geweest, en blijft er het substraat van. Gevallen engelen en mensen zijn en blijven als schepselen goed, en bestaan van ogenblik tot ogenblik alleen door en in en tot God. En evenals in haar oorsprong en in haar zijn, blijft de zonde ook in haar werken en strijden van het goede afhankelijk. Zij vermag alleen iets met en door middel van de krachten en gaven, die door God geschonken zijn. Satan is daarom terecht de simia Dei genoemd: als God een kerk sticht, bouwt hij een kapel; tegenover een ware, wekt hij een valse profeet; tegenover de Christus stelt hij de antichrist. Zelfs kan een roversbende alleen bestaan, als zij in eigen kring het recht eerbiedigt. Een leugenaar tooit zich met de schijn van de waarheid. Een zondaar jaagt het kwade na sub ratione boni. Satan verschijnt als een engel van het licht. De zonde is altijd gedoemd, om in haar werking en verschijning haars ondanks te lenen van de deugd. Zij ligt onder de onverbrekelijke fataliteit, om naar vernietiging van al het goede strevende, tegelijk ook te werken aan haar eigen dood. Zij is een parasiet van het goede.

2. Ofschoon de zonde zo krachtens haar aard streeft naar het niet-zijn, heeft zij toch over het zijn zelf geen macht. Zij kan niet scheppen, ze kan ook niet vernietigen. Door de zonde is daarom noch het wezen van de engelen, noch dat van de mensen, noch dat van de natuur veranderd. Het zijn wezenlijk dezelfde schepselen vóór en na de val, met dezelfde substantie, dezelfde vermogens, dezelfde krachten. Vóór en na de val heeft de mens ziel en lichaam, verstand en wil, aandoeningen en hartstochten. Wat veranderd is, is niet de substantie, de materia, maar de forma, waarin deze zich vertonen, de richting, waarin zij werken. Met dezelfde kracht van de liefde, waarmee de mens oorspronkelijk God liefhad, mint hij nu het schepsel. Hetzelfde verstand, waarmee hij vroeger bedacht de dingen die boven zijn, doet hem nu dikwijls met bewonderenswaardige scherpzinnigheid en diepzinnigheid de leugen als waarheid huldigen. Met dezelfde vrijheid, waarmee hij eertijds God diende, dient hij nu de wereld. Substantiëel is er door de zonde niets uit de mens weggenomen en niets in hem ingebracht. Het is dezelfde mens, maar nu wandelend, niet naar God heen, maar van God af, het verderf te gemoet. Peccatum non est essentia aliqua sed defectus et corruptela, qua scilicet corrumpitur modus, species et ordo3.

3. Ook het verlies van het beeld van God en de verbreking van het werkverbond is met deze opvatting van de zonde niet in strijd. Het beeld van God toch, ofschoon geen donum superadditum en de mens van nature eigen, was geen substantia maar een accidens; d.w.z. de mens gelijk hij geschapen werd, was zó ingericht, dat zijn natuur vanzelf, zonder bovennatuurlijke genade, echter niet zonder Gods goede voorzienigheid, die kennis en heiligheid en gerechtigheid meebracht en openbaarde, welke de voornaamste inhoud van het beeld van God waren. Toen de mens echter viel, heeft hij niets substantiëels verloren, geen vermogen zelfs en geen kracht, maar omdat de zonde de forma van heel zijn natuur, van al zijn vermogens en krachten heeft geschonden, werken deze alle nu zo, dat ze niet meer de kennis van God en de gerechtigheid, maar juist het tegendeel voortbrengen. De mens heeft dus door de val niet maar een onwezenlijk toevoegsel aan zijn natuur, een donum superadditum, verloren, terwijl overigens zijn natuur intact is gebleven; hij is ook geen duivel geworden, die, voor herschepping onvatbaar, nooit meer de trekken van het beeld van God vertonen kan; maar terwijl hij wezenlijk en substantiëel dezelfde, d.i. mens, gebleven is en alle menselijke bestanddelen, vermogens en krachten behouden heeft, is van die alle de forma, de natuur en aard, de gezindheid en richting zó veranderd, dat zij nu, in plaats van Gods wil, de wet van het vlees volbrengen. Het beeld is veranderd in een karikatuur. En ook is het foedus operum verbroken, in zover door de werken van de wet geen vlees meer gerechtvaardigd kan worden, Rom. 3:20, Gal. 3:2, maar het is zo weinig vernietigd en afgeschaft, dat de wet van dat foedus operum nog ieder mens tot volstrekte gehoorzaamheid verplicht, dat zij in het genadeverbond door Christus opgenomen en volkomen vervuld is, en nu voor de gelovigen nog een regel van de dankbaarheid blijft.

4. Afgezien van het goede substraat, waardoor de zonde gedragen wordt en waaraan zij zich vasthoudt, kan deze daarom nooit anders dan als privatio boni omschreven worden. Men bedenke echter wel, dat aan van de zonde abstractief en metafysisch gesproken wordt. En zo beschreven, heeft ze geen zijn, is ze geen substantie, maar een nihil, niets positiefs, maar alleen iets privatiefs; wie haar anders wilde opvatten, zou daardoor in manichese zin het kwade zelfstandig en eeuwig maken en tegen het summum bonum een summum malum overstellen. Het bovengenoemde bezwaar, tegen de bepaling van de zonde als privatio ingebracht, berust dan ook eigenlijk op misverstand. Abstractief en metafysisch is de zonde een privatio en kan en mag ze op Christelijk standpunt niet anders worden opgevat. Maar concreet komt ze niet anders voor dan als verkeerde forma van een bepaalde toestand of handeling en maakt die toestand of die handeling zelf zondig, evenals een ziekte, zonder een substantie te wezen, toch het lichaam ziek maakt. In concreto is de zonde dus altijd in en aan iets, dat substantiëel goed is. Het mag moeilijk zijn, om in bepaalde gevallen van zonde tussen materia en forma te onderscheiden, en nog veel moeilijker, om ze te scheiden, evenals op een gegeven ogenblik de warmte van de kachel niet te scheiden is. Toch, evenmin als daarom de kachel de warmte zelf is, is het zijn of de daad, waaraan de zonde zich hecht, met de zonde te vereenzelvigen. Zelfs in de Godslastering is de kracht, nodig om haar te uiten, en de taal, waarvan zij gebruik maakt, op zichzelf goed; wat deze en wat alle dingen verkeerd en zondig maakt, dat is de deformitas, de aberratio alege divina.

5. Want maatstaf van de zonde is Gods wet alleen. Wat zonde is, wordt ter laatste instantie bepaald, niet door de kerk (Rome) of de staat (Hobbes,) niet door de onafhankelijke zedewet (Grotius) of het autonome ik (Kant), niet door de mensheid (Comte) of de sociale instincten (Darwin), maar enkel en alleen door de wet van God. Het begrip zonde drukt dit duidelijk uit en wordt daarom vermeden door allen, die geen hogere maatstaf voor het zedelijk kwaad kennen dan een menselijke. God is ook de enige, die volstrekt gezag over ons heeft en ons in het geweten binden en verplichten kan. Nu gaf Hij vele wetten voor de onderscheiden schepselen, wetten voor zon en maan, hemel en aarde, plant en dier, mens en engel; en wat de mens aangaat, weer onderscheiden wetten voor zijn lichamelijk, geestelijk, intellectueel, esthetisch leven enz.; eigen wetten ook voor zijn zedelijk leven. Nader is het nu deze zedewet, welke de maatstaf van alle zonde is. Overtreding van alle andere wetten, esthetische, sociale, politieke, kerkelijke enz., is slechts dan en in zoverre zonde, als ze direct of indirect een overtreding van de zedewet, van het gebod van God, insluit. Deze zedewet, die de mens bij zijn schepping werd ingeplant, na de val in zijn consciëntie nawerkt, door God op de Sinaï werd afgekondigd en ook voor de gelovigen regel van het leven blijft, is de kenbron van de zonde, Rom. 3:20, 4:14, 5:20, 7:7. Door Schleiermacher, Ritschl e.a. is er terecht nadruk op gelegd, dat de zonde eerst tegenover het Evangelie van de genade van God in Christus, en dus binnen de grenzen van de Christenheid tot haar schrikkelijkste openbaring komt4. De Schrift getuigt daar zelf van, als zij bepaaldelijk in het Nieuwe Testament herhaaldelijk en breedvoerig de zonden van het ongeloof, van de ergernis, van de afval en vooral ook van de lastering tegen de Heilige Geest bespreekt en haar grote schuld en strafwaardigheid in het licht stelt. Maar daaruit volgt nog niet, dat alle zonden, vóór en buiten het Evangelie bedreven, alleen onwetendheids- en zwakheidszonden zijn, en evenmin, dat niet de wet, maar het Evangelie kenbron van de zonde zou wezen. Het Christelijk geloof is nodig, om de zonde recht te leren kennen, maar dat geloof ziet ook naar de wet terug, ontdekt haar geestelijk karakter, en ontvangt zo een inzicht in de ware aard van de zonde. Het Evangelie zou geen Evangelie zijn, wanneer het niet inhield vergeving van al die overtredingen, welke wij tegen de wet van God bedreven hebben; zoals genade zonde, vergeving schuld onderstelt, zo onderstelt ook het Evangelie de wet. In die zedewet komt God tot ons, niet alleen als Vader met vaderlijke vermaningen en kastijdingen, maar, gelijk de categorische imperatief bij een ieder getuigt, ook als Wetgever en Rechter met bevelen en straffen. Ofschoon niet dwingend als de logische en niet onverbreekbaar als de natuurwetten, gaat de zedewet in majesteit alle andere te boven; zij richt zich tot de wil, ademt in de vrijheid, verlangt vervulling uit liefde; en toch wendt zij zich tot alle mensen zonder onderscheid, komt tot hen in alle omstandigheden, breidt zich uit over hun woorden en daden niet alleen, maar ook over hun toestand, weet van geen toegeven en van geen vergoelijking, spreekt onverbiddelijk, categorisch, met souverein gezag en wreekt elke van haar overtredingen in strenge straf. Zij is een decretum Numinis, openbaring van Gods wil, uitdrukking van zijn wezen.

6. Uit dit karakter van de zedewet volgt, dat de zonde alleen wonen kan in een redelijk schepsel. De redeloze natuur kan lijden onder de gevolgen van de zonde, maar zonde valt er alleen in een wezen, met verstand en wil begaafd. Nader bepaald, is de wil het eigenlijk subject, deiktikon van de zonde. De zedewet is juist de wet voor de wil van het schepsel; het zedelijk goede is van dien aard, dat het alleen door de wil kan worden gerealiseerd. Wat volstrekt—en beslist buiten elken invloed van de wil omgaat, kan geen zonde zijn. In die zin zei Augustinus terecht: a deo peccatum voluntarium est malum ut nullo modo sit peccatum, si non sit voluntarium5. Maar dit woord is voor misverstand vatbaar. En toen de Pelagianen er gebruik van maakten ten bewijze, dat zonde nooit anders dan in een wilsdaad kan bestaan, gaf Augustinus er later een zodanige verklaring van, dat onwetendheids-, begeerlijkheids- en erfzonde er niet door werden uitgesloten6; en elders zegt hij uitdrukkelijk, dat de wet ook de motus concupiscentiae involuntarios verbiedt7. Daarmee in overeenstemming leerden nog vele scholastici, dat de zonde wel in de wil haar laatste oorzaak had, en dus in die zin wel altijd zetelde in de wil, maar dan toch niet in voluntate sic ut in subjecto sed sicut in causa8; zonde kan daarom ook zetelen in de sensualitas, al is zij dan ook slechts een peccatum veniale9. Maar verschillende oorzaken brachten allengs wijziging in deze leer. De concupiscentia was een onduidelijk begrip; ze kon evengoed in bonam als in malam partem worden verstaan, omdat vele natuurlijke, vanzelf in ons opkomende begeerten, zoals bijv. van de hongerige naar spijze, toch geen zonde zijn; Augustinus sprak daarom van de concupiscentia soms zo, dat ze geen zonde was en niet schaden kon, indien ze maar niet in strijd met de wet werd ingewilligd10. Voorts ging de scholastiek allengs onderscheide tussen motus primo-primi, secundo-primi en plane deliberati, d.i. tussen zulke gedachten en begeerten, die vóór alle toestemming van de wil, geheel onwillekeurig in ons opstijgen en in het geheel geen zonde zijn; zulke, waartegen de wil zich wel verzet maar waardoor hij overmand wordt en die vergefelijke zonden zijn; en zulke, waarin de wil bewust en ten volle toestemt en die doodzonden zijn. En daarbij kwam dan nog, dat de erfzonde steeds zwakker opgevat en als door de doop geheel tenietgedaan beschouwd werd; wat er overbleef, de concupiscentia, was zelf geen zonde, maar kon alleen aanleiding tot zondigen worden. Zo stelde Rome dan ook vast, dat schuld en smet van de erfzonde door de doop geheel worden weggenomen, dat de concupiscentia wel blijft maar hun niet schaadt, die haar niet inwilligen, en alleen zonde heet en kan, quia ex peccato est et ad peccatum inclinat11.

De Hervorming trad daartegen op en beweerde, dat ook onreine gedachten en begeerten, die vóór en zonder onze wil in ons opstijgen, zonde zijn; zij bedoelde daarmee niet, dat alle begeren in psychologische en filosofische zin zonde was, maar wel, dat de concupiscentia in Schriftuurlijke en theologische betekenis, ons schuldig maakte voor God. En hierin had ze ongetwijfeld gelijk. Want zeker is de zonde begonnen met een bewuste en vrije wilsdaad. Maar die eerste zondige daad is niet spoorloos aan ons voorbijgegaan, zij heeft heel de menselijke natuur bedorven en een toestand nagelaten, die in alle opzichten in strijd is met de wet van God. Al ontstond de zonde dus door de wil, zij bestaat nu feitelijk wel buiten de wil en heeft haar zetel ook in alle andere vermogens en krachten van de mens, in ziel en lichaam, in lager en hoger ken- en begeervermogen, Gen. 6:3, 8:21, Ex. 20:17, Ps. 19:13 [Ps. 19:12], 51:7 [Ps. 51:5], Jer. 17:9, Matt. 5:28, Mark. 7:21, Rom. 7:7, 15-17; 8:7; Gal. 5:7 enz. Sine voluntate non potest es se peccatum, quia sine voluntate non potest existere ut sit; sine autum voluntate potest esse, quia sine voluntate potest manere quod existit12. Lutherse en Gereformeerde theologen bestreden daarom gewoonlijk de stelling, dat alle peccatum voluntarium was. Daarmee bedoelden zij echter geenszins, dat er ook zonde kon zijn, die geheel en volstrekt buiten het wilvermogen omging. Alleen komt het er op aan, om van de natuur en werking van de wil zich een juiste voorstelling te vormen. De wil is nl. volstrekt niet het hele begeervermogen, maar daarvan slechts een bijzondere kracht en werkzaamheid13. De wil in deze engere zin gaat slechts aan de dadelijke zonden vooraf, gelijk Jak. 1:15 daarvan spreekt, maar volstrekt niet aan de toestands- en onwillekeurige zonden. Indien het voluntarium in deze zin een noodzakelijk element van de zonde was, zouden niet alleen alle onreine gedachten en begeerten ophouden zonde te wezen, maar zouden met de leus: tout compendre serait tout pardonner, ook bijna alle dadelijke zonden te verontschuldigen zijn. Ten einde de onschuld van de concupiscentia te kunnen handhaven, kwam Bellarminus dan ook reeds tot de verklaring: non omne quod repugnat legi peccatum est, de motus involuntarii zijn wel in strijd met de wet maar toch geen zonden14. Maar al is het, dat het voluntarium in dezen enge zin niet steeds het begrip van de zonde mee constitueert, toch gaan daarom de toestands- en de onwillekeurige zonden niet geheel buiten de wil om; er is niet alleen een voluntas antecedens, maar ook een voluntas concomitans, consequens, approbans; de wil keurt later in sterker of zwakker graad de zondigheid van onze natuur, van onze gedachten goed en schept er behagen in. En ook wanneer later de wil, door de rede voorgelicht, zich daartegen verzet, of de wedergeborene met Paulus getuigen kan, dat hij het kwade, dat hij doet, niet wil, dan wordt daardoor zeker de graad van de zonde verminderd, maar niet de natuur van de zonde bepaald. Want deze heeft haar maatstaf alleen in Gods wet; Paulus noemt hetgeen hij niet wil maar toch feitelijk doet, wel terdege zonde en stemt de wet toe, dat zij goed is. Ook dan echter gaat zelfs de zonde, die bedreven wordt zonder gewild te zijn, niet geheel buiten de wil om. Want zeer zeker kan Paulus zeggen: ik doe hetzelf niet meer, maar de zonde die in mij woont, en zo een tegenstelling maken tussen zijn herboren ik en zijn onherboren vlees, maar terechtheeft Augustinus deze woorden reeds aldus verklaard: etsi concupiscentiae non consentio, etsi post concupiscentias meas non eo, tamen adhuc concupisco et utique etiam in ipsa parte ego sum. Non enim ego alius in mente et alius in carne. Sed quid igitur ipse ego? Quia ego in mente, ego in carne. Non enim duae naturae contrariae sed ex utroque unus homo, quia unus deus a quo factus est homo15. Het is toch niet een ander wezen, dat in het vlees de zonde doet, en een ander, dat ze toch niet wil. Maar het is beide malen dezelfde mens, die enerzijds in de concupiscentia op onreine wijze naar het verbodene jaagt, en toch anderzijds in het diepst van zijn wil er zich van afwendt en er tegen strijdt. En daarom, omdat de mens, ook de wedergeborene zolang hij in het vlees is, altijd in zwakker of sterker mate het verbodene begeert, al is het, dat hij met zijn wil in engere zin daartegen ingaat, daarom kan gezegd worden, dat alle zonde toch in de diepste grond vrijwillig is. Er is niemand of niets, dat de zondaar dwingt, om de zonde te dienen. De zonde zetelt niet buiten hem maar in hem en heeft zijn denken en begeren in haar richting geleid. Zij is zijn zonde, in zover hij ze door middel van zijn verschillende vermogens en krachten tot de zijn gemaakt heeft16.

7. Zo blijkt dan eindelijk de zonde een onbegrijpelijk raadsel te zijn. Wij weten niet vanwaar ze is, noch wat zij is. Zij is er en heeft geen recht van bestaan. Zij bestaat en niemand verklaart haar oorsprong. Zij is zelf zonder motief in de wereld gekomen en is toch het motief voor alle denken en handelen van de mensen geworden. Zij is abstract beschouwd, niets dan een privatie en is toch in concreto een macht, die allen en alles beheerst. Zij heeft geen eigen, zelfstandig principe, en is toch een beginsel, dat heel de schepping verwoest. Zij leeft van het goede en bestrijdt het tot vernietiging toe. Zij is niets en heeft niets en kan niets zonder de wezens en krachten, welke God heeft geschapen, en organiseert deze toch alle tot de opstand tegen Hem. Zij bestrijdt met wat Godes is al wat Godes is. Zij is de wil van het zwakke, eindige schepsel in verzet tegen de Schepper; de afhankelijkheid, in vijandschap tegen de Onafhankelijk en zelf naar onafhankelijkheid jagend; het bestandloze worden in worsteling met de eeuwig Zijnde; de grootste tegenspraak, door God in zijn schepping geduld en door Hem in de weg van recht en gerechtigheid tot een instrument voor zijn glorie gebruikt.

1 Plato, Protag. p. 344.

2 Aristoteles, Categ. c. 9.

3 Bonaventura, Brevil. III 1.

4 Schleiermacher, Chr. Gl. par. 112, 5. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 3 384v. Kaftan, Wesen der chr. Rel. 250. Gerretsen, De val des mensen 57.

5 Augustinus, de vera relig. 14.

6 Id., Retract. I 13.

7 Id., de spir. et lit. c. 36. de nupt. I 17. 23. c. Jul. IV c. 2. VI c. 8. de civ. XIV 10.

8 Thomas, Sent. II dist. 24 qu. 3 art. 2 ad 2. S. Theol. II 1 qu. 74 art. 2 ad 2. qu. 10 art. 2.

9 Lombardus, Sent. II dist. 24. 8. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 74 art. 3. Bonaventura, Brevil. III c. 8. Sent. II dist. 24 pars 2 art. 2 qu. 2.

10 Augustinus, c. Jul. VI 5. de Gen. c. Manich. II 14.

11 Trid. V5, en voorts Cat. Rom. II 2, 7. Becanus, Theol. schol. II 1519 bl. 145-150. Sylvius, Comm. in totam primam sec. S. Thomae, ed. 4 II bl. 336v. Daelman, Theol. II 1759 bl. 174v. Dens, Theol. I 1828 bl. 314v. Kleutgen, Theol. d. Vorz. II 644.

12 Augustinus, bij Dorner, Augustinus bl. 129.

13 Verg. mijne Beginselen der Psychologie 1897 bl. 166v.

14 Bellarminus, de amiss. gr. et de statu pecc. V 10.

15 Augustinus, de verbis apost. serm. 5.

16 Melanchton, Apol. Conf. art. 2. Loci C. de peccata. Form. Conc. II 1. Gerhard, Loc. X c. 6 en 11. Quenstedt, Theol. II 60. 92. 139. Hollaz, bl. 501. 525, Calvijn, Inst. II 1. III 3. IV 15, 10. 11. Zanchius, Op. IV 56v. Beza, Tract. II 345. Polanus, Synt. bl. 336. Martyr, Loci C. bl. 70. Turretinus, Theol. El. IX qu. 2. XI qu. 21. Mastricht, Theol. IV 2, 22. Commentaren Op Ex. 20:17. Rom. 7:7, Gal. 5:16. Heid. Cat. vr. 113. Müller, Sünde I 251v.

x
This website is using cookies. Accept