Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

338. De straffen, welke God in dit leven op de zonde gesteld heeft, zijn schuld, smet, lijden, dood en heerschappij van Satan. Schuld is de eerste en zwaarste straf. Het woord, dat met schuld samenhangt, duidt eerst alleen aan, dat iemand ergens de bewerker van is, evenals aitia, causa. Meest sluit het al de gedachte in, dat iemand de oorzaak is van iets, dat niet behoorde te zijn of te geschieden (het is zijn schuld). In deze zin onderstelt schuld, dat wij verplicht waren iets te doen of na te laten; wij zijn schuldig, de hele wet te houden, Luk. 17:10, Gal. 5:3. En als wij dat dan niet gedaan hebben, staan wij schuldig; omdat wij de oorzaak van de wetsovertreding zijn, verkeren wij in staat van beschuldiging (aitiasyai, accusare, reus), de daad wordt ons toegerekend, wij moeten er ons voor verantwoorden1, en zijn verplicht, om aan de wet te voldoen; wij zijn gehouden tot straf. Schuld is de vanwege wetsovertreding op iemand rustende verplichting, om aan de wet door een evenredig straflijden te voldoen. Zij bindt de zondaar terstond na zijn overtreding aan de wet, aan haar eis om voldoening en straf. De mens meent door overtreding vrij te worden van de wet, maar juist het tegendeel heeft plaats, hij wordt op andere wijze veel vaster gebonden aan haar eis. God, die niet ophouden kan God te zijn, ook al geeft hij de mens vrijheid, om zich tegen Hem te stellen, laat de mens nooit los, en deze wordt nimmer los van God. Op hetzelfde ogenblik, dat hij zich buiten de wet, d.i. buiten de liefde plaatst, treft zij hem met haar vloek en bindt hem aan haar straf. Schuld is obligatio ad poenam justam sustinendam, subjectio peccatoris ad poenam2. De Roomse theologie maakt onderscheid tussen reatus culpae en poenae3. Maar deze onderscheiding verraadt kennelijk de bedoeling, om de satisfactorische straffen voor de gelovigen hier op aarde en in het vagevuur te rechtvaardigen, en is met de aard van schuld en straf in lijnrechte strijd. Wel is het waar, dat de zonden van de gelovigen, d.i. van hen, die volle vergeving hebben ontvangen, in zichzelf altijd zonden en strafwaardig blijven; tegen de Antinollianen, die dit loochenden en daarom het gebed om vergeving voor de gelovigen onnodig achtten, hebben de Gereformeerden dit steeds gehandhaafd en de distinctie gemaakt van reatus potentialis en reatus actualis4. Maar wanneer van de zonden de schuld is weggenomen, dan vervalt daarmee vanzelf ook alle voldoening en straf, want schuld is niets anders dan verbintenis tot straf. God is dan geen Rechter meer, maar een Vader; kastijdt wel de zoon, die hij liefheeft, 2 Sam. 12:13-14, maar straft hem niet; en eist geen voldoening van hem, voor wie de hele gerechtigheid door Christus aangebracht is. Zo zegt ook Augustinus van de gedoopte: omni peccato caret, non omni malo, quod planius ita dicitur, omni reatu omnium malorum caret, non omnibus malis5.

Dat de zonde nu waarlijk schuld meebrengt, staat vast door het getuigenis van God in de Schrift zowel als in het geweten. In de Schrift zijn zonde, schuld en straf zo onderling samenhangende begrippen, dat de woorden voor zonde, zoals Nwe, tajx, ongemerkt de betekenis van schuld verkrijgen, Gen. 4:13, Ex. 34:7, Lev. 24:15, Num. 9:13 enz.. Het eigenlijk woord, dat de zonde als schuld aanduidt, is Mva Gen. 26:10, Lev. 4:13, 5:2, Num. 5:1 enz., en ofeilhma Matt. 6:12, cf Matt. 5:26, Luk. 7:41-42; 13:46. God houdt de schuldige geenszins onschuldig en spreekt de vloek uit over al wie niet blijft in het boek van de wet, Deut. 27:26, Ga 3:10. Vloek, hla, hram, hllq. katara, anatema, maledictum, is het tegendeel van zegen: hkrb, eulogia benedictio, Deut. 11:26, 30:19. Zoals Gods zegen iemand allerlei heil en leven toeschikt, zo is de Goddelijke vloek de overgave van iemand aan het verderf, de ondergang, de dood, het oordeel, Satan. Mensen kunnen alleen zegen en vloek toewensen, maar Gods zegenen en vloeken is altijd exbibitief, het zendt wat het wenst. Eerst rustte Gods zegen op de schepping, Gen. 1:22, 28; 2:3, maar die zegen is in een vloek verkeerd, Gen. 3:17. Wel is later weer de zegen van God over de aarde en de mensheid uitgesproken, maar deze vloeit uit Gods genade voort. De Heidenen kennen dan ook het begrip van de Goddelijke zegen niet. Des te meer weten zij van de Goddelijke vloek; de klassieke oudheid wordt beheerst door de vrees voor de wraak van de Erinyen (Moiren, Furiën), de godinnen van de vloek. In alle heidense godsdiensten overweegt de angst (deisidaimonia, religio) verre het vertrouwen op de goden; de religie gaat meer en meer in superstitie over; overal acht men zich omgeven en beheerst door verderfbrengende goden, die men vergeefs door offeranden en pijnigingen te verzoenen zoekt. Er rust waarlijk een vloek van God op mensheid en wereld. Uit de liefde van God alleen het leven en de geschiedenis te willen verklaren, is onmogelijk. Er is een principe van de toorn van God in heel de schepping werkzaam, dat slechts door de oppervlakkige kan worden ontkend. Er is geen gemeenschap, maar scheiding tussen God en de mens; het verbond is verbroken; God heeft een twist met zijn schepsel. Allen staan schuldig en strafbaar voor zijn aangezicht, pantwn enocoi, Matt. 5:21, 22, Mark. 3:29, Jac. 2:10. De hele wereld is upodikov tw yew, Rom. 3:19; zij staat onder het gericht van God en heeft niets te antwoorden7.

Subjectief wordt dit bevestigd door het getuigenis van God in de consciëntie van ieder mens. Schuld en schuldbewustzijn zijn niet hetzelfde. Wie uit het schuldbewustzijn tot de schuld wil opklimmen, snijdt zich de weg af, om de schuld in haar eigenlijke betekenis en zwaarte te verstaan. Onwetendheid kan de zonde tot op zekere hoogte verontschuldigen, Luk. 23:34, Hand. 17:30, zoals bewuste en opzettelijke overtreding de zonde verzwaart, Luk. 12:47, Joh. 15:22, 9:41, maar er zijn ook voor onszelf en anderen verborgen zonden, Ps. 19:13 [Ps. 19:12]; en ook onwetendheidszonden zijn zonden, Hand. 17:27-29, Rom. 1:19-21, 28, 1 Tim. 1:13-16. Toch reflecteert de objectieve schuld zich zwakker of sterker in het bewustzijn van de mens. Terstond na de val werden aan Adam en Eva de ogen geopend en zij werden gewaar, dat ze naakt waren. Hierin ligt, dat zij ook weten en erkennen, kwaad gedaan te hebben. Schaamte is vrees voor schande, een onaangenaam pijnlijk gevoel over iets verkeerds of onbehoorlijks. En bij die schaamte komt de vrees voor God en de zucht, om zich voor Hem te verbergen. Dat is, in de mens is het geweten ontwaakt. Vóór de val was er in de mens, strikt genomen, geen geweten; er was geen kloof tussen hetgeen hij was en hetgeen hij wist, dat hij moest wezen. Zijn en zelfbewustzijn waren in harmonie. Maar door de val komt er scheiding. De mens houdt, door Gods genade, nog de bewustheid, dat hij anders behoorde te zijn, dat hij in alle delen met Gods wet moest overeenkomen. Maar de werkelijkheid getuigt anders; hij is niet die hij wezen moest. En dit getuigenis is de consciëntie. Het geweten is dus niet het bewustzijn van de gemeenschap van God met de mens, zoals Schenkel het opvatte8. Het is veeleer het tegendeel, het is juist een bewijs, dat de gemeenschap met God verstoord is, dat er een afstand en kloof is tussen God en de mens, tussen zijn wet en onze toestand. Duidelijk komt dit uit, als het geweten beschuldigend optreedt; maar ook waar het verontschuldigt in een gegeven geval, d.i. feitelijk zwijgt, ligt er die scheiding van God aan ten grondslag, Rom. 2:14-15. Het geweten is het subjectief bewijs voor de val van de mens, de getuige van zijn schuld voor het aangezicht van God. God klaagt de mens niet alleen aan; in het geweten veroordeelt de mens zichzelf en kiest hij voor God en zijn vonnis tegen zichzelf partij. Hoe fijner en nauwgezetter het geweten oordeelt, hoe meer het Gods gedachte over de mens in de Schrift rechtvaardigt. De besten en edelsten van ons geslacht hebben Gods waarachtigheid bevestigd en het schuldig uitgesproken over hun eigen hoofd9.

1 Verantwoordelijkheid en toerekenbaarheid zijn nauw verwant, maar niet hetzelfde. Verantwoordelijkheid is de zedelijke en rechtelijke toestand van een vrij redelijk wezen, dat tegenover anderen tot rekenschap van zijn daden verplicht is; ze veronderstelt altijd een verhouding tot andere personen, waardoor deze het recht hebben, om iemand op grond van zekere handelingen tot verantwoording te roepen; verantwoordelijkheid sluit altijd een afhankelijkheid van iemand ten opzichte van anderen in. Toerekening is daarentegen de handeling van anderen, welke een bepaalde daad toeschrijven aan, op rekening zetten van de verantwoordelijke wil van een vrij redelijk wezen; deze toerekening mag en moet geschieden, indien en naarmate (want er zijn graden in) zulk een wezen toerekenbaar is. Toerekenbaarheid is ruimer dan verantwoordelijkheid; als iemand zich niet tegenover anderen behoeft te verantwoorden (bijv. een koning, die onschendbaar is) of zich niet kan verantwoorden (door ziekte, krankzinnigheid, dood), dan blijft hij toch toerekenbaar; de gepleegde daad blijft voor zijn rekening; maar bij de anderen ontbreekt de bevoegdheid of de macht, om zo iemand tot verantwoording te roepen, te oordelen en eventueel te straffen. Verg. art. Zurechnung, bij Eisler, Wörterbuch der phil. Begriffe. Cathrein, Die strafrechtl. Zurechnungsfähigkeit, Stimmen a. Maria Laach 1904 bl. 357-373. De Bussy, Over Verantwoordelijkheid, Teylers Theol. Tijdschr. I.

2 Polanus, Synt. bl. 338. De Moor, Comm. III. 135. Turretinus, Theol. El. XI qu. 3. Mastricht Theol. IV 2, 7. Müller, Sünde I 264. Vilmar, Theol. Moral I 195. Art. Schuld van Kähler, in PRE3. Wuttke, Ethik 1197, Scholten, Vrije Wil 217v. Hoekstra, Vrijheid 303v.

3 Lombardus, Sent. II dist. 42. Thomas, II 1 qu. 87 art. 6. Conc. Trid., c. 14 can. 30. XIV. de poenit. c. 8 en can. 18-15. Bellarminus, de amiss. gr. V 19. Theol. Wirceb, VII 27.

4 De Moor, Comm. III 135.

5 Augustinus, c. Jul. VI c. 16, Verg. Alting, Theol. el. nova XVII 5. Turretinus, Theol. EI. IX qu. 3. De Moor, Comm. III 136. Shedd. Dogm. Theol. II 414.

6 Schultz, Altt. Theol4. 684v.

7 Art. Segen und Fluch van Kittel in PRE3. Art. Benediction, in Hastings, Dict. of Christ. and the Gospels, en art. Curse in Hastings, Dict. of the Bible. Art. anayema bij Cremer.

8 Schenkel, art. Gewissen in Herzog,1 en Die Christl. Dogm.v. Standpunkt des Gewissens sus 1858.

9 Verg. over het geweten mijne Beg. der Psych. 1897 bl. 111. 303.

x
This website is using cookies. Accept