Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

349. Dit foedus gratiae, dat door verschillende bedelingen heen nu in het Nieuwe Testament ten volle is gerealiseerd, werd van het eerste ogenblik van zijn openbaring af aan en wordt nu nog altijd van alle zijden door het foedus naturae, dat God met alle schepselen heeft opgericht, omgeven en gedragen. De gratia specialis is wel wezenlijk van de gratia communis onderscheiden, maar staat er toch mee in het nauwste verband. Immers, ofschoon het verbond bij Noach ter onderscheiding foedus naturae heet, het is daarom toch niet uit Gods natuur voortgevloeid of met de dingen van de natuur gegeven; het berust ook op genade, is uit Gods lankmoedigheid voortgekomen en schenkt alle natuurlijke weldaden en zegeningen uit Gods algemene goedheid; het is een verbond van de genade in ruimere zin. Voorts is het de Vader, die niet buiten de Zoon om, maar bepaaldelijk door de Logos en de Geest alle krachten en gaven in natuur en onherboren mensheid werkt, Joh. 1:4-5, 9-10, Col. 1:17, Ps. 104:30, 139:7. En deze Logos en deze Geest, die in alle schepselen en mensen wonen en werken, zijn dezelfde, die als Christus en als Geest van Christus de verwerver en toepasser zijn van alle weldaden in het verbond van de genade. Vader, Zoon en Geest bereiden dus in het foedus naturae het foedus gratiae voor en grijpen als het ware uit het foedus gratiae telkens in het foedus naturae terug.

Het wezenlijke van het genadeverbond bestaat dus daarin, dat het uit Gods bijzondere genade voortvloeit en niets dan genade, onverdiende en verbeurde zegeningen tot inhoud heeft. In zover is het essentieel van het vóór de val opgerichte, maar door de val verbroken foedus operum onderscheiden. Zeker was God ook tot het oprichten van het werkverbond niet verplicht; het is nederbuigende goedheid, en zo ook genade in algemene zin, die Hem dit verbond aan de mens schenken deed; Hij heeft het dan ook vastgesteld en alle delen ervan bepaald; het is zijn ordening en instelling. Maar in dat werkverbond kwam God toch tot de mens met de eis van de gehoorzaamheid en beloofde Hij hem, eerst in die weg en na die volbrachte gehoorzaamheid, de zaligheid van de hemel, het eeuwige leven, de genieting van zijn aanschouwing te schenken. Het werkverbond rekende dus met de vrije wil van de mens, het rustte ten dele in de mens, en daarom was het wankel en onvast. Feitelijk is het dan ook verbroken, niet door God, maar door de mens. God houdt zich aan de regel, dat wie de wet onderhoudt, het eeuwige leven ontvangen zal. Hij zegt dat in zijn wet, Hij getuigt het in ieders consciëntie, Hij doet dit woord in Christus gestand. Maar de mens heeft het werkverbond verbroken; hij kan zijnerzijds thans niet meer door wetsonderhouding het leven verwerven; uit de werken van de wet kan geen vlees gerechtvaardigd worden. Daarom heeft God in onderscheiding van en in tegenstelling met het werkverbond een ander, beter verbond opgericht, geen wettisch, maar een Evangelisch verbond. Maar dit heeft Hij opgericht niet met een, die enkel mens was, doch met de mens Christus Jezus, die zijn eigen, eengeboren, veelgeliefde Zoon was. En in deze, die van de Goddelijke natuur en van de Goddelijke eigenschappen deelachtig is, ligt het onwankelbaar vast. Het kan niet meer verbroken worden, het is een eeuwig verbond. Het rust niet in enig werk van de mens, maar alleen in het welbehagen van God, in het werk van de Middelaar, in de Heilige Geest, die eeuwig blijft. Het is van geen voorwaarde van de mens afhankelijk, het schenkt geen gave op enige verdienste, het wacht niet op enige wetsvolbrenging van de zijde van de mens. Het is uit en door en tot genade. God zelf is de enige en eeuwige, de getrouwe en waarachtige, in wie het rust; die het opricht, handhaaft, uitvoert, voltooit; het verbond van de genade is het Goddelijk werk bij uitnemendheid, Zijn werk alleen, Zijn werk geheel. Alle roem is voor de mens hier uitgesloten, maar alle glorie komt toe aan Vader, Zoon en Heilige Geest.

Toch is hiermede de volle inhoud van het genadeverbond nog niet in het licht gesteld. Het genadeverbond moet daartoe niet alleen in zijn onderscheidenheid van, maar ook in zijn verwantschap met het werkverbond in het licht worden gesteld. God heeft na de verbreking van het werkverbond niet terstond een heel ander verbond uitgedacht, dat met het vorige niets te maken heeft en een geheel ander karakter draagt. Dat kan niet het geval zijn, omdat God onveranderlijk is, omdat de eis, in het werkverbond aan de mens gesteld, geen gril en geen willekeur is, omdat het beeld van God, de wet, de religie in hun wezen slechts één kunnen zijn, omdat de genade de natuur, het geloof de wet niet te niet kan of mag doen. En het is ook niet zo. Het genadeverbond is niet, gelijk Coccejus leerde, de successieve afschaffing, het is veeleer de vervulling en herstelling van het werkverbond. Gratia reparat et perficit naturam. God houdt zich aan de eis, dat alleen in de weg van gehoorzaamheid het eeuwig leven te verkrijgen is; en als de mens zijn wet overtreedt, dan wordt die eis nog met een andere vermeerderd, dat nl. de overtreding door straf moet worden geboet. Na de val heeft God dus een dubbele eis op de mens, die van strafvordering voor het bedreven kwaad en die van volkomen gehoorzaamheid aan zijn wet, satisfactio en obedientia. Arminius meende in een brief aan Uytenbogaerdt, dat de mens vóór de val wel tot gehoorzaamheid, maar nu na de val alleen maar tot straf was verplicht, omdat het contract verbroken en dus de partij van zijn verplichting ontslagen was. Doch de gehoorzaamheid aan Gods wet is wel in het werkverbond in een bijzondere vorm gegoten en tot een bijzonder doel aangewend, nl. tot het verkrijgen van het eeuwige leven, doch zij is op zichzelf in de natuur van de mens gegrond en daarom een verplichting, waarvan de mens nooit los komen kan. Anders zou hij ook door één overtreding in het vervolg van het houden van al Gods geboden, en dus van alle zonden en straffen zich kunnen ontslaan. De Schrift spreekt daarom ook over de zondaar niet alleen Gods oordeel uit, Deut. 27:26, Gal. 3:10, Rom. 6:23, Hebr. 10:27, maar handhaaft ook voor de mens na de val de eis tot volmaakte gehoorzaamheid als weg tot het eeuwige leven, Lev. 18:5, Matt. 19:17, Luk. 10:28.

Het verschil tussen werkverbond en genadeverbond bestaat daarom hierin, dat God in het laatste niet met één, maar met een dubbele eis optreedt en dat Hij met die dubbele eis niet tot de mensheid in Adam, maar tot de mensheid in Christus komt. Het foedus operum en het foedus gratiae verschillen voornamelijk daarin, dat Adam uitgewisseld wordt voor en vervangen wordt door Christus. Paulus zegt in Gal. 3:16-18, dat het verbond met Abraham door de later ingekomen wet niet vernietigd is, maar eigenlijk betrekking had op en wezenlijk rustte in Christus, die alle belofte vervuld en de erfenis geschonken heeft. Nog verder gaat hij in Rom. 5:12-21 en 1 Cor. 15:22, 45-49 terug; uit Adam vloeit van de mensheid de zonde en de dood, uit Christus vloeit haar de gerechtigheid en het leven toe. Christus is de tweede en laatste Adam, die herstelt en overneemt wat de eerste bedorven en nagelaten heeft, de middelaar van het genadeverbond, het hoofd van de nieuwe mensheid. De Gereformeerde theologie heeft beter dan enige andere deze gedachte van de Schrift in haar verbondsleer tot haar recht doen komen. De ontwikkelingsgang was daarbij in het kort deze, dat eerst ter handhaving van de wezenlijke eenheid van Oude en Nieuw Testament de leer van het genadeverbond opkwam; dat dienovereenkomstig ook de verhouding van God en de mens vóór de val als een verbond en wel als een werkverbond werd voorgesteld; dat het indenken van de overeenkomst en het verschil tussen werk- en genadeverbond tot het inzicht leidde, dat het genadeverbond, in zover het met Christus was opgericht, wezenlijk een werkverbond was; dat daarom in het genadeverbond weer onderscheiden moest worden tussen het verbond, zoals het met Christus van eeuwigheid was opgericht (pactum salutis, raad des vredes) en het verbond, zoals het als uitvoering van die vrederaad in de tijd met de uitverkorenen of gelovigen wordt opgericht; en dat eindelijk deze onderscheiding weer werd teniet gedaan, genadeverbond en vrederaad als wezenlijk één werden opgevat, en het genadeverbond zelf in de eeuwigheid werd verlegd, als zijnde daar met Christus en in Hem met al de zijnen opgericht. Het laatste punt, de vereenzelviging van vrederaad en genadeverbond, kwam het eerst in Engeland tot ontwikkeling, bij Rollock, Preston, Blake, Westm. Catech. major1, en werd dan van de Engelsen overgenomen door Comrie, Brahe en anderen2. Velen bleven echter tegen deze vereenzelviging bezwaar koesteren, en handhaafden beider onderscheid3.

Er is ook inderdaad onderscheid tussen pactum salutis en foedus gratiae; in het eerste is Christus borg en hoofd, in het tweede middelaar; het eerste blijft tot Christus beperkt en eist van Hem het dragen van de straf en het volbrengen van de wet in de plaats van de uitverkorenen, het tweede breidt zich over en door Christus tot de mensen uit en eist van hen geloof en bekering, die Christus niet in onze plaats heeft volbracht of kunnen volbrengen; het eerste loopt over de verwerving van de zaligheid, is eeuwig en kent geen historie, het tweede handelt over de toepassing van de zaligheid, neemt in de tijd een aanvang en heeft onderscheiden bedelingen. Maar toch mag bij dit onderscheid de samenhang en de eenheid niet over het hoofd gezien worden. Er zijn in de Schrift slechts twee verbonden, twee wegen voor de mens ten hemel, nl. het werk- en het genadeverbond. Het werkverbond is de weg ten hemel voor de ongevallen, het genadeverbond die voor de gevallen mens. Het werkverbond werd met de mensheid gesloten in Adam, het genadeverbond in Christus; Hij en Hij alleen is het de mensheid vervangende en vertegenwoordigende Hoofd. Als dan ook in de Schrift gezegd wordt, dat het verbond van de genade opgericht is met Adam, Noach, Abraham, Israël enz., dan mag dit niet zó verstaan worden, alsof zij de eigenlijke partijen en hoofden in dit verbond waren. Neen, Christus was toen en nu, in Oude en Nieuwe Testament het hoofd, de partij in het genadeverbond, en door zijn bediening kwam het tot de aartsvaders en tot Israël. Hij, die van eeuwigheid bestond en zich borg gesteld had, is ook terstond na de val daadwerkelijk opgetreden als profeet, priester en koning, als tweede Adam, als hoofd en vertegenwoordiger van de gevallen mensheid. In de verbonden met Adam, Noach, Abraham, David enz. is Hij de middelaar, de borg, die voor de realisering van het verbond instaat, die het door zijn Geest verwezenlijkt in de harten, die het aan zondaren bedient, die de weldaden ervan schenkt, die de zijnen in het verbond opneemt. Heel het verbond is van het begin tot het einde Hem toebetrouwd; alleen in Hem ligt het vast; gelijk de Vader Hem het koninkrijk heeft verordineerd, zo verordineert Hij het hun, die Hem gegeven zijn; Hij deelt de door Hem verworven weldaden als een erfenis uit. Het verbond is vast als een testament, het is een foedus testamentarium en een testamentum foederale. Het is betrekkelijk onverschillig en raakt geen beginsel, of men de tweeheid dan wel de eenheid van pactum salutis en foedus gratiae op de voorgrond plaatst; indien maar vaststaat, dat in het pactum salutis Christus nooit één ogenblik is los te denken van de zijnen noch ook in het foedus gratiae de gelovigen één enkel ogenblik beschouwd kunnen worden buiten Christus. Het is in beide de Christus mysticus4, Christus als de tweede Adam, die optreedt als de handelende partij. Adam en Abraham en David enz. mogen typen zijn, maar de antitype is Christus. En omdat Adam vóór de val reeds, blijkens 1 Cor. 15:45v., type was van Christus, zo werd het genadeverbond niet eerst door Noach en Abraham, en niet eerst door het verbond van de genade met Adam, maar reeds in en door het werkverbond voorbereid. God, die alles weet en bepaalt en de verbreking van het werkverbond ook in zijn raad opnam, heeft bij de schepping van Adam en bij de instelling van het werkverbond reeds op de Christus en op zijn genadeverbond gerekend5.

1 Verg. Vos, De verbondsleer in de Geref. theol. 1891 bl. 27 v. Th. Boston, Ene beschouwing van het verbond van de genade, uit het Engels door Alex. Comrie 1741.

2 Verg. bijv. Brahé, Verklaring van Ps. 89, voorrede bl. V-XXXVI, en Shedd, Dogm. Theol. II 360.

3 Turretinus, Theol. El. XII 2, 12. Witsius, Oec. foed. 112, 1. Misc. Sacra II 820-824. R. Schutte, Tweetal verhandelingen over Gods testament en verbond 1785 bl. 143 v. Hodge, Syst. Theol. II 358.

4 Zanchius, Op. II 400 v. Mastricht, Theol. v 1, 4.

5 Verg. Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 39 De bestemming van de mens; 294 v.

x
This website is using cookies. Accept