Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

350. Zo handhaaft de leer van het verbond op wonderschone wijze Gods soevereiniteit in heel het werk van de zaligheid. Het gaat het werkverbond zeer verre te boven, zo ver als Christus Adam overtreft. Veel klaarder dan in de schepping komt Gods drievuldig wezen in de herschepping tot openbaring. Het is de Vader, die de verlossing voorneemt en wil; het is de Zoon, die er voor instaat en ze feitelijk verwerft; het is de Geest, die ze uitwerkt en toepast. En in dat hele werk van de zaligheid komt er van het begin tot het einde niets in van de mens. Het is Gods werk geheel en alleen; het is louter genade en onverdiende zaligheid. Maar des te meer is het van belang, om op te merken, dat deze leer van het verbond, in weerwil dat zij of liever juist omdat zij in het werk van de zaligheid Gods soevereiniteit zo zuiver en ten volle handhaaft, tegelijkertijd de redelijke en zedelijke natuur van de mens op zo schone wijze tot haar recht doet komen. Bij het werkverbond is dit reeds breedvoerig in het licht gesteld1. Maar in het genadeverbond komt het nog treffender uit. In dit opzicht is het grotelijks onderscheiden van de verkiezing2. Wel zijn beide niet zo onderscheiden, dat de verkiezing particulier en het genadeverbond universeel is, dat gene de vrije wil ontkent en dit hem leert of veronderstelt, dat het laatste terugneemt wat de eerste belijdt. Maar wel verschillen zij zo, dat in de verkiezing de mens volstrekt passief, in het genadeverbond echter ook actief voorkomt. De verkiezing zegt alleen zonder meer, wie verkoren zijn en onfeilbaar de zaligheid zullen erlangen; het genadeverbond beschrijft de weg, waarlangs deze verkorenen tot hun bestemming zullen geraken; het is de bedding, in welke de stroom van de verkiezing zich voortbeweegt naar de eeuwigheid heen. Christus treedt in het genadeverbond wel als hoofd en vertegenwoordiger van de zijnen op, maar Hij effaceert en vernietigt hen niet. Hij staat voor hen in, maar zo, dat zij ook zelf, door zijn Geest geleerd en bekwaamd, bewust en vrijwillig in het verbond toestemmen. Het verbond van de genade is wel met Christus gesloten, maar het breidt zich over en door Hem heen ook tot de zijnen uit en neemt dezen geheel en al met lijf en ziel in zich op. Het pactum salutis breidt zich uit tot een foedus gratiae; het hoofd van het genadeverbond is tevens de middelaar ervan. En daarom treedt het dadelijk bij zijn promulgatie ook op met de eis van geloof en bekering, Matt. 1:15. In de eerste tijd spraken de Gereformeerden vrijmoedig van voorwaarden van het verbond3. Maar toen de natuur van het genadeverbond dieper ingedacht werd en tegen Roomsen, Luthersen en Remonstranten moest verdedigd worden, voelden velen daartegen bezwaar en vermeden dit spraakgebruik4.

Eigenlijk zijn er in het foedus gratiae, d.i. in het Evangelie, hetwelk de bekendmaking van het genadeverbond is, geen eisen en geen voorwaarden. Want God geeft wat Hij eist; Christus heeft alles volbracht en ook wedergeboorte, geloof en bekering, schoon Hij ze niet in onze plaats volbracht, toch voor ons verworven; en de Heilige Geest past ze toe. Maar toch neemt het genadeverbond in zijn bediening door Christus deze eisende, voorwaardelijke vorm aan, om de mens te erkennen in zijn redelijke en zedelijke natuur, om ook als gevallene hem nog te behandelen als naar Gods beeld geschapen, om ook op dit hoogste terrein, waar het gaat om de eeuwige zaligheid en het eeuwig verderf, hem verantwoordelijk en onontschuldigbaar te stellen, om hem met bewustheid en vrijheid te doen intreden in dit verbond en dat met de zonde te doen verbreken. Het verbond van de genade is daarom wel monopleurisch, het gaat van God uit; Hij heeft het ontworpen en vastgesteld. Hij handhaaft en verwezenlijkt het; het is een werk van God drieëenig en volkomen afgewerkt binnen de drie personen onderling. Maar het is bestemd, om dupleurisch te worden, om in de kracht van God door de mens bewust en vrijwillig aanvaard en bewaard te worden. Dit is de wil van God, die in het verbond zo duidelijk en zo schoon aan het licht treedt, dat het werk van de genade zich klaar afspiegelt in het menselijk bewustzijn, en de wil van de mens opwekt tot krachtige energie. Het verbond van de genade doodt de mens niet, en behandelt hem niet als een stok en blok; maar het neemt de mens geheel en al op met al zijn vermogens en krachten, naar ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid; het omvat hem geheel, vernietigt zijn kracht niet, maar ontneemt hem zijn onmacht; doodt zijn wil niet, maar maakt hem vrij van de zonde; verdooft zijn bewustzijn niet, maar verlost het van de duisternis; het herschept de hele mens en doet hem dan, door de genade vernieuwd, vrij en zelfstandig met heel zijn ziel en geest en lichaam God liefhebben en Hem zich wijden. Het verbond van de genade spreekt uit, dat Gods eer en roem niet ten koste, maar ten bate van de mens wordt verkregen en in de herschepping van de hele mens, in zijn verhelderd bewustzijn en in zijn herstelde vrijheid, haar triumfen viert.

Tegelijk is daarmee nog een andere gedachte gegeven, welke in het genadeverbond, in onderscheiding van de verkiezing, aan het licht treedt. In de verkiezing treden de verkorenen op als zovele Gode met name bekende personen; wel zijn ze uitverkoren in Christus en vormen ze een organisme met Hem als hun Hoofd. Maar toch treedt dit in de verkiezing niet klaar en sterk op de voorgrond. Heel anders is dit in het genadeverbond. Hier treedt Christus op als de plaatsvervanger van Adam, als het tweede Hoofd van het menselijk geslacht. Hier staat Christus met zijn gemeente in samenhang met de mensheid onder Adam. De verkiezing let vooral op de individuen, en op zichzelf liet zij de mogelijkheid open, dat de verkorenen, elk op zichzelf, individualistisch, sprongsgewijze uit het menselijk geslacht werden uitgenomen, wedergeboren en in de hemel overgebracht. Maar het verbond van de genade zegt, dat die verkiezing zich op ene heel andere wijze realiseert. Het spreekt de diepe, schone waarheid uit, dat Adam door Christus is vervangen; dat de mensheid, die in de eerste viel, in de tweede wordt hersteld; dat niet enkele losse individuen worden behouden, maar dat in de verkorenen onder Christus het organisme van de mensheid en van de wereld zelf wordt gered; dat niet alleen de personen van de verkorenen, maar ook, om zo te zeggen, de structuur van het organisme, hetwelk zij in Christus vormen, aan de oorspronkelijke schepping in Adam is ontleend. Daarom springt het verbond van de genade ook niet van individu op individu over, maar het zet organisch en historisch zich voort. Het doorloopt een geschiedenis, en heeft verschillende bedelingen. Het schikt zich naar de tijden en gelegenheden, door de Vader als Schepper en Onderhouder bepaald. Het wordt nooit alleen met een enkel persoon gesloten, maar dan altijd ook daarin met zijn zaad; het is een verbond van geslachten tot geslachten. Het omvat nooit de persoon van de gelovige alleen, in het afgetrokkene, maar die persoon concreet, gelijk hij historisch bestaat en leeft, dus hem niet alleen, maar ook alles wat van hem is; hem voor zijn persoon niet slechts, maar hem ook als vader of moeder, als ouder of kind, met alwat het zijne is, met zijn gezin, met zijn geld en zijn goed, met zijn invloed en macht, met zijn ambt en betrekking, met zijn verstand en zijn hart, met zijn wetenschap en kunst, met zijn leven in maatschappij en staat. Het verbond van de genade is de aan de scheppingsordening zich aansluitende, in deze als teruggrijpende, en heel de schepping kwalitatief en intensief in zich opnemende organisatie van de nieuwe mensheid onder Christus als haar Hoofd.

Het spreekt daarom vanzelf, dat het verbond van de genade tijdelijk, in deze aardse bediening en bedeling, ook zulken in zich opneemt, die innerlijk ongelovig blijven en de geestelijke weldaden niet deelachtig zijn. De Gereformeerden maakten met het oog hierop onderscheid tussen een inwendig en een uitwendig verbond5, of tussen verbond en verbondsbedeling6, of tussen een absoluut en een conditioneel verbond7; zelfs gingen enkelen8 zover, dat zij twee verbonden aannamen, het ene met de uitverkorenen en ware gelovigen, het andere met de niet oprecht gelovende, uitwendige leden van de kerk, en daardoor het lidmaatschap van de laatsten en hun toegang tot het avondmaal trachtten te rechtvaardigen. Maar anderen9 kwamen terecht hiertegen op. Het verbond van de genade is één; en de uit- en inwendige zijde ervan, hoewel hier op aarde nooit samenvallend, kunnen en mogen niet van elkaar losgemaakt en naast elkaar gelegd worden. Er zijn zeer zeker kwade ranken aan de wijnstok, er is kaf onder het koren, er zijn in een groot huis gouden en aarden vaten, Matt. 3:12, 13:29, Joh. 15:2, 2 Tim. 2:20. Maar ons ontbreekt het recht en de macht, om tussen beide scheiding te maken; God zelf zal dat doen in de dag van de oogst. Zolang zij naar het oordeel van de liefde in de weg van het verbond wandelen, zijn zij als bondgenoten te beschouwen en te behandelen. Hoewel niet de foedere, zijn zij toch in foedere en zullen zo eenmaal geoordeeld worden. Zij zijn hier op aarde op allerlei wijze met de verkorenen verbonden; en uitverkorenen kunnen, omdat zij leden zijn van de Adamitische mensheid, als organisme niet anders onder Christus als hun Hoofd worden vergaderd tot één, dan in de weg van het verbond.

1 Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 39 De bestemming van de mens; 296 v.

2 Verg. H. H. Kuyper, Hamabdil bl. 18 v.

3 Calvijn, Inst. IV 15, 17. Comm. op Gen. 15:6; 17:4. Matt. 3:7, 9. Gomarus, de foedere. Maresius, Syst. Theol. VIII 5. Trigland, Antapologia c. 18. Voorrede van de Statenvert. voor het Nieuwe Testament. Voetius, Disp. V272, 273 enz.

4 Olevianus, Wezen des genadeverbonds 113, 14. Junius, Disp. Theol. XXV 12. 13. 19. Coccejus, de foedere par. 87. Id., Summa Theol. 41, 5. 12. 13. Cloppenburg, de foedere par. 29. Witsius, Oec. foed. III 1, 8-16. Franken, Kern c. 23. Brakel, Red. godsd. XVI 17. Comrie, Heid. Catech. I 352 enz., verg. M. Vitringa, VI 224. In Engeland kwamen de Antinomianen, zoals Tobias Crisp, er tegen op, maar vonden bij anderen, zoals Rich. Baxter, Dan. Williams, weer tegenspraak.

5 Kanttekening van de Statenvert. op 1 Cor. 7:14; 1 Petr. 2:9. Witsius, Oec. foed. III 1, 5. Mastricht, Theol. V1, 28.

6 Olevianus, Wezen des genadeverbonds 12. Alting, Theol. Catech. bl. 33. Turretinus, Theol. El. XII 6, 5.

7 Maresius, Theol. Syst. VIII 7. Koelman, Historie van de Labadisten bl. 566.

8 Blake bij Vos t.a.p. bl. 12. 45. Stoddard, te Northampton bij Edwards, Works 134. J. Schuts, Het verbond van de genade verduisterd 1713, en Verhandeling over het heilig avondmaal 1722. R. Schutte, Tweetal verhandelingen 1785 enz.

9 Edwards, Works I 185-295. Koelman, Historie van de Labadisten bl. 95 v. Appelius, De Herv. Leer 1769. Vitringa, Obs. Sacra II c. 6. Brakel, Red. godsd. c. 16. De Moor, Comm. V 470, ook Ds. de Herder, in de Heraut 937. Verg. H. H. Kuyper, Hamabdil bl. 141 v.

x
This website is using cookies. Accept