Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

352. Verrast door de ontdekking, dat er ook bij de volken rondom zulke treffende verwachtingen aangaande de toekomst voorkomen, hebben velen alle Messiaanse profetieën in het Oude Testament met die verwachtingen in verband gebracht en daaruit geheel trachten te verklaren. Er is in deze poging iets, dat verblijdt en de geloofwaardigheid van de Heilige Schrift bevestigt. Want zij levert het bewijs, dat de louter literaire kritiek van het Oude Testament haar tijd heeft gehad. Zolang deze heerschappij voerde, was men er op uit, om alle Messiaanse profetieën als vaticinia ex eventu op te vatten, en ze overal, waar zij in voor-exilische geschriften voorkwamen, als latere interpolaties te verwijderen. Want de hoop op het herstel van de Davidische dynastie kon eerst, naar men meende, in de tijd na de Ballingschap opkomen, en toen deze hoop keer op keer beschaamd werd, had zij zich langzamerhand in de verwachting van een toekomstigen Messias uit Davids huis geconcentreerd1. Op zichzelf was deze constructie al hoogst onwaarschijnlijk en leidde zij tot een buitengewoon willekeurige kritiek2; maar zij is thans ook tengevolge van bovengenoemde ontdekkingen bijna geheel prijsgegeven. In plaats daarvan wordt thans erkend, dat de voor-exilische profeten niet alleen zelf zulke Messiaanse verwachtingen koesterden, maar dat zij die ook bij hun volk veronderstellen; ook hebben zij ze niet uitgedacht en voor het eerst aan het volk verkondigd, maar zij ontlenen ze aan het verleden en bouwen voort op verwachtingen, die van oude tijden af bestaan hebben en in Israël verbreid zijn geweest. Vandaar dat deze nieuwe richting onder de Oudtestamentici van de vroegere interpolatie-hypothese zo goed als geheel afziet, aan alle eschatologische gedachten over de dag des Heeren, het verderf van de vijanden, de redding van het volk, de verschijning van de Messias, de voltooiïng van het Godsrijk enz. een hoge ouderdom toekent, en in het beeld van de Messias, zoals het Oude Testament dit tekent, ook de bovennatuurlijke trekken, zoals de wonderbare geboorte, Jes. 7:14, Mich. 5:1, de Goddelijke namen, Jes. 9:5 enz. weer ten volle tot hun recht laten komen. Tal van teksten en pericopen, die door de vroegere critici als na-exilisch werden beschouwd, gelden thans weer als echt, en de dusgenaamde Christologie van het Oude Testament ziet zich min of meer weer in haar recht en haar waarde hersteld.

Maar de volgelingen van de religionsgeschichtliche school slaan nu tot een ander uiterste over. De Messiaanse verwachtingen zijn niet eerst na de ballingschap opgekomen, maar zij wortelen in het grijs verleden en hebben in Babylonië en Assyrië, in Perzië en Egypte haar oorsprong. Ook hier ligt een waarheid in, welke door de Schrift ten volle wordt erkend. God heeft de mensheid haar geschiedenis niet laten beginnen, zonder dat Hij de hoop haar gaf in het hart, dat het vrouwenzaad eens over het slangenzaad de triomf zal behalen, Gen. 3:15. Zoals Eva in Kaïn, Gen. 4:1, zo zag Lamech in Noach een man, die door de Heere hem gegeven werd en hem troosten zou over het werk en de smart van zijn handen, Gen. 5:29. Na de zondvloed wordt Kanaän wel vervloekt, maar Sem wordt gezegend, en deze zegen ook tot Jafet uitgebreid, Gen. 9:25- 27. Volgens het Oude Testament zelf hebben de Messiaanse profetieën, aan het volk Israël geschonken, een brede grondslag in de beloften, welke God aan de mensheid en na de vloed bepaaldelijk aan de Semietische volken heeft medegegeven. Maar dan, bij de verkiezing van Abraham, gaat de mensheid uiteen en wordt Israël afgescheiden van de volken. En dat ziet de religionsgeschichtliche richting over het hoofd; uit de analogie, welke zij van de Messiaanse verwachtingen bij de volken ontdekt, besluit zij dadelijk tot identiteit; zij miskent bij de uitwendige overeenkomst het diepe, inwendige verschil.

Immers, als er in de verwachtingen, welke wij in Egypte en elders aantreffen, van een groot onheil sprake is, dat aan de eindelijke redding voorafgaat, wordt daarin nooit een gericht verstaan, dat God over de zonden van de mensen houdt, maar alleen een politieke of sociale ramp, die het volk treft. De koning, die de redding aanbrengt, ontvangt wel allerlei heerlijke predicaten, maar hij blijft een vorst, aan al zijn voorgangers gelijk, in heerschappij tot de grenzen van zijn eigen volk en land beperkt, en ook niet bestendig in duur. En het heil, dat hij brengen komt, draagt niet in de eerste plaats een religieus en ethisch karakter, maar het bestaat voornamelijk in of gaat in elk geval steeds gepaard met allerlei kultische, magische en politieke veranderingen. De naam swthr mag dan ook menigmaal aan koningen en keizers toegekend zijn; als hij in het Nieuwe Testament aan Christus wordt gegeven, bevat hij toch een heel andere inhoud en wordt hij de aanduiding van een Zaligmaker, die van zonde en dood bevrijdt en de gerechtigheid en het leven schenkt. Het is daarom wel mogelijk, dat de naam in het Nieuwe Testament, bijvoorbeeld in de Pastoraal-brieven, met een antithetische en apologetische bijbedoeling op Christus toegepast wordt. Evenals Paulus in 1 Cor. 8:5-6 zeggen kan: gesteld al, dat zogenaamde goden in de hemel of op de aarde bestonden, gelijk er vele heren zijn, zo hebben wij toch maar één God, de Vader, en één Heer, Jezus Christus; zo kunnen de apostelen soms aan Christus de naam van swthr hebben toegekend, om te doen uitkomen, dat, al noemen anderen een koning of een keizer hun swthr, Christus en Hij alleen en in der waarheid de Zaligmaker voor de gelovigen is. Hieruit volgt echter nog geenszins, dat deze naam door de schrijvers van het Nieuwe Testament aan het Heidens spraakgebruik is ontleend en dan vandaar op Christus is overgedragen. Want blijkbaar is deze naam in de kring van de discipelen in aansluiting aan de Hebreeuwsen naam van Jezus ontstaan, Matth. 1:21, verg. Luk. 1:47; 12:11; Hand. 5:31, 13:23. En nog veel minder is de Hebreeuwse naam voor de verwachte koning uit Davids huis van de Heidense volken overgenomen, want terwijl hier de naam van swthr voor de koning gebruikelijk is, wordt de Messias slechts enkele malen met de naam van eyvwm en in de regel onder heel andere namen aangeduid. Bij dit alles is nu nog toegegeven, dat de documenten, die aan het licht gekomen zijn, inderdaad zeggen, wat er in gelezen wordt; maar men mag tenslotte niet vergeten, dat vele van die uitspraken los op zichzelf staan en in het milieu, waarin zij ontstaan zijn, dikwijls een heel andere zin bevatten, dan die er thans in gevonden wordt; dat er groot gevaar bestaat, om ze te bezien en te verklaren bij het licht, dat het Oude Testament zelf ons geschonken heeft, en dat het in menig geval niet is uit te maken, of de Israëlietische profetie in vroeger of later tijd misschien niet op de Heidense verwachtingen voor de toekomst invloed geoefend heeft3.

1 Verg. bijv. Paul Volz, Die vor-exilische Jahweprofetie und van de Messias. Gött. 1897.

2 Dit wordt duidelijk aangewezen door W. Möller, Die Messianische Erwartung van de vor-exilischen Propheten, zugleich ein Protest gegen moderne Textzersplitterung. Gûtersloh 1906.

3 Wagner, Ueber swzein und seine Derivata im N. T., Zeits. f. neut. Wiss. 1905 bl. 205 v. Giesebrecht, in de recensie van Gressmann’s boek, Theol. Stud. u. Krit. 1907 bl. 619 v. Gressmann’s antwoord weer ib. 1908 bl. 807-817. E. Sellin, Die israeljüd. Heilandserwartung 1909 bl. 44 v. G. Vos, art. Saviour. in Hasting’s Dict. of Christ. II 573. Verg. ook Stimmen aus Maria Laach 1906 bl. 588-592.

x
This website is using cookies. Accept