Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

353. Maar onder dit voorbehoud valt er toch niet aan te twijfelen, dat de profetie onder Israël in verband staat met de beloften, die volgens het getuigenis van de Schrift zelf, Gen. 3:15; 8:21; 9:9v., 25-27, reeds van te voren aan de mensheid waren geschonken en daar in meer of minder zuivere vorm zijn bewaard. Misschien is dat verband nog veel inniger, dan wij op dit ogenblik kunnen vaststellen, want de gedachte, welke in de laatste tijd door velen is uitgesproken, is volstrekt niet ongerijmd, dat de Israëlietische profeten bij hun beschrijving van de Messias en zijn rijk en in het algemeen in hun eschatologische verwachtingen zich bedienen van voorstellingen en uitdrukkingen, vergelijkingen en beelden, welke reeds lang bestonden en ver tot het verleden teruggaan. Bij de wetgeving is dat geschied, want tempel, altaar, priesterschap, offerande, besnijdenis enz. komen bij vele volken voor, en ook wortelt de profetie in de historie van Israël en van de natiën rondom.

Maar aan de andere kant staat het even vast, dat de profetie bij Israël ver boven die historie is uitgegaan en zich op een eigen wijze en in een eigen richting ontwikkeld heeft. Dat wordt daaruit bewezen, dat de profeten met het hele volk op dezelfde grondslag stonden van wet en belofte, maar dat zij, als het volk van het verbond met de Heere misbruik maakte, om zich te verheffen boven alle volken van de aarde en een blijde toekomst zich te verzekeren, met alle kracht daartegen opkwamen en de dag des Heere schilderden als een dag van duisternis en oordeel, Am. 5:18, Mich. 3:5, Joël 2:2, Jes. 5:19, Jer. 5:12 enz.. En van begin af aan is aan de profetie onder Israël zulk een zelfstandig karakter eigen geweest. Aan de aartsvaders werd beloofd, dat alle geslachten van de aarde in hun zaad gezegend zouden worden, Gen. 12:2-3; 18:18; 22:18; 26:4; 27:29; 28:14, en van de patriarch Jakob ging deze belofte op Juda over, van wie de scepter niet wijken zal, totdat Schilo komt, aan wie de volken gehoorzaam zullen zijn1. De profetie beperkt haar gezichtskring niet tot het volk van Israël en het land van Kanaän, maar ziet over heel de aarde heen en belooft de zegen van Abraham aan de hele mensheid; en die zegen heeft tot hoofdinhoud, dat God zijn God en de God van zijn zaad zal zijn. Het is een universeel en een geestelijk rijk, dat in het einde van de dagen door God aan zijn volk beloofd wordt.

Deze belofte werd door de wet, welke later bij de bondssluiting met het volk Israël inkwam, niet te niet gedaan, maar nader ontvouwd en naar haar vervulling heengeleid. Er zijn in het Oude Testament niet enkele, op zichzelf staande Messiaanse teksten, maar heel de Oudtestamentische bedeling met haar personen en gebeurtenissen, haar ambten en instellingen, haar wetten en ceremoniën is een heenwijzing en heenbeweging naar de vervulling in het Nieuwe Testament. Er is een “Symbolik der Schöpfung,” een typering in de natuur, welke blijkens Jezus’ gelijkenissen in Hem en in zijn koninkrijk haar verwezenlijking krijgt. Er is een onbewuste verwachting en hoop in de religie en in de historie van de volken, welke in het Christendom tot haar waarheid komt. Er is ene rechtstreekse en opzettelijke voorbereiding en afschaduwing van de logikh latreia in de instellingen en gebeurtenissen van het Oude Testament; tempel en altaar, priester en offerande, Zion en Jeruzalem, profeet en koning, alle zijn ze voorbeelden en schaduwen van een hogere, geestelijke, waarachtige werkelijkheid. En vooral het koningschap kreeg onder Israël zulk een typische betekenis. De theocratische koning, die vooral in David met zijn nederige afkomst, zijn rijke levenservaring, zijn diep gevoel, zijn poëtische aanleg, zijn onbezweken moed, zijn schitterende overwinningen belichaamd werd2, was een zoon van God, 2 Sam. 7:14, Ps. 2:6-7; Ps. 89:27 [Ps. 89:26], de gezalfde bij uitnemendheid, Ps. 2:2; 18:51 [Ps. 18:50], aan wie allerlei lichamelijke en geestelijke zegeningen werden toegewenst, Ps. 2:8v., Ps. 21; 45; 72, die zelfs als Elohim werd aangesproken, Ps. 45:7 [Ps. 45:6]. De koning is drager van de hoogste, van de Goddelijke waardigheid op aarde. In David heeft de theocratische koning zijn zuiverst beeld gevonden; daarom zal het koningschap ook blijven in zijn huis, 2 Sam. 7:8-16. Deze belofte van God aan David is dan de grondslag, het middelpunt van alle volgende verwachting en profetie. De profetie, die bij de typiek ter verklaring bijkomt, ziet uit het verleden en heden naar de toekomst heen en tekent de te verwachten Davidide steeds duidelijker in zijn persoon en werk af. Naarmate het koningschap in Israël en Juda minder aan zijn idee beantwoordde, nam de profetie de belofte van 2 Sam. 7 op en klemde zich daaraan vast, Am. 9:11, Hos. 1:11, 3, 5, Mich. 5:1-2 [Mich 5:2-3], Jes. 9:5-6; 11:1-2, 10; Jer. 23:5; 30:9; 33:17, 20-22, 26, Ezech. 34:23-24; 37:22-24. Deze gezalfde koning zal uit Davids huis voortkomen, als dit tot nederheid vervallen, van de troon verstoten, aan een afgehouwen tronk gelijk geworden zal zijn, Jes. 11:1, 2, Mich. 5:1, 2. Ezech. 17:22; God zal hem als een spruit aan Davids huis doen voortspruiten, Jer. 23:5-6 ; 33:14-17, zodat hij zelf de naam van Spruit draagt, Zach. 3:8, 6:12. Maar ondanks zijn nederige geboorte, zal hij toch de echte, ware, theocratische koning zijn. Ofschoon afkomstig uit het kleine, verachte Bethlehem, waar het Davidisch koningshuis zijn oorsprong heeft, en zich, verdreven uit de heerschappij, terugtrekt, Mich. 5:2, cf. Micha 3:12; 4:9, 14 [Mich. 5:1], zal de Messias toch een Heerser over Israël zijn, wiens uitgangen en oorsprongen als Heerser, van God uit, al zijn van ouds af, van de dagen van de eeuwigheid. Hij wordt door God gegeven, is een eeuwig koning, draagt de namen van Wonderbaar, Raadgever, sterke God, Deut. 10:17, Jer. 32:18, eeuwig Vader (voor zijn volk), Vredevorst, Jes. 9:5-63, is gezalfd met de Geest van de wijsheid en van het verstand, van de raad en van de dapperheid, van de kennis en vreze des Heeren, Jes. 11:5, wordt gelegd tot een beproefde kostelijke grondsteen in Zion, Jes. 28:16, is een rechtvaardig, zegerijk, zachtmoedig en daarom op een ezelin rijdende koning, die niet trots is op zijn macht, maar door God ondersteund wordt, Jer. 33:17, 20, 22, 26, Zach. 9:9v., die het volk noemt en erkent als de Heere onze gerechtigheid, Jer. 23:6, (cf. Jer. 33:16, waar Jeruzalem zo genoemd wordt als de stad, in welke de Heere zijn gerechtigheid wonen doet); die een held zal zijn als David en wiens huis zal wezen als God, als de Engel van God, die eens bij de uittocht Israëls leger voorging, Zach. 12:8, cf. Mal. 3:1, die eeuwig heersen, een rijk van gerechtigheid, vrede en welvaart stichten zal, en zijn heerschappij ook over de Heidenen, tot de einden van de aarde uitbreiden zal, Ps. 2; 45; 72, Ezech. 37:25, Zach. 6:13, 9:10 enz.

Dit heerlijk Messiasbeeld wordt dan daardoor nog afgewerkt, dat deze toekomstige koning ook als profeet en priester getekend wordt. Wel treden deze trekken niet op de voorgrond, want in het Godsrijk zal de Geest van God op allen uitgestort worden, Joël 2:28, Zach. 12:10, 13:2v.., Jer. 31:34, en al het volk zal priesterlijk en de Heere heilig zijn, Jes. 35:8, Joël 3:17, Zach. 14:20-21; maar toch wordt de Messias ook als profeet voorgesteld, op wie in bijzondere mate de Geest des Heeren rust, en die een blijde boodschap brengen zal aan Israël en de Heidenen, Deut. 18:15, Jes. 11:2, Jes. 40-60, Mal. 4:5; en hij zal de priesterlijke en de koninklijke waardigheid in zich verenigen, Jer. 30:21, Zach. 3; 6:13, Ps. 110. In de knecht des Heeren bij Jesaja komen duidelijk alle drie ambten aan het licht; hij is priester, die door zijn lijden de zonden van zijn volk verzoent, hij is profeet, die met Gods Geest gezalfd het aangename jaar des Heeren verkondigt, hij is koning, die verheerlijkt wordt en de vrucht van zijn arbeid geniet. Hoe diep deze Messiasverwachting in Israël is ingegaan, tonen ons de psalmen; vele gaan uit van het Davidisch koningschap en zijn in engere zin messiaans, Ps. 2; 18; 20; 21; 45; 61; 72; 89; 132, andere spreken alleen van God of de Heere als Koning, Ps. 10; 24; 29; 44; 47; 48; 66; 68; 87; 93; 95-100, 145-150; maar alle wijzen zij toch heen naar een toekomst, waarin de Heere zelf zijn koninkrijk in Israël oprichten en vandaar tot de volken uitbreiden zal4.

1 Van het woord Schilo bestaan zeer vele opvattingen, die echter geen van alle genoegzame zekerheid hezitten, cf. E. Sellin, Die Schiloh-Weissagung in 1 Mos. 49:10, in de Theol. Stud. Theod. Zahn z. 10. Okt. 1908 dargebracht bl. 869-390. Art. Schiloh in Hastings’ D. B. IV 500. Dr. Adolf Poswanski, Schiloh. Ein Beitrag zur Gesch. van de Messiaslehre. I Die Auslegung von Gen. 49:10 im Altertum bis zum Ende des Miltelalters. Leipzig Hinrichs 1909. Maar het Messiaanse karakter van de tekst is aan geen twijfel onderhevig.

2 Smend, Altt. Relig. bl. 58.

3 Caspari, Echtheit, Hauptbegriff und Gedankengang van de messian. Weissagung, Jes. 9:1-6. Gütersloh 1908.

4 Over de Mess. profetieën handelen verder nog Kuenen, De profeten I 234 v. Duhm, Die Theol. van de Propheten 1875. König, Die Theol. van de Psalmen 1857. Boehmer, Das Reich Gottes in de Psalmen, Neue kirchl. Zeits 1897, Heft 8-10. H. Weiss, Die messian. Vorbilder im A. T. Freiburg Herder 1905. A. Schulte, Die messian Weissagungen des A. T., nebst dessen Typen übersetzt und erklärt. Paderborn Schoningh 1909 enz.

x
This website is using cookies. Accept