Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

354. Ook na het uitsterven van de profetie is de Messiasverwachting in het hart van Israëls volk blijven leven. In de apocriefe literatuur vinden we wel de verwachting van Israëls toekomstige verlossing en heerschappij, maar zonder dat daarbij van de Messias anders dan een paar aanduidingen voorkomen, 1 Makk. 2:57, 4:46, 9:27, 14:41. Ook Philo heeft niets over de Messias. In het algemeen was de eigengerechtigheid van het Judaïsme aan de Messiasverwachting niet gunstig; Israël had immers de wet, was door haar onderhouding rechtvaardig en had daarom geen verlosser nodig; hoogstens was er plaats voor een aards koning, die de Joden vergold naar hun verdienste en hen tot heerschappij bracht over de volken van de wereld. De Messias werd enkel en alleen een politiek persoon. Maar in het volk bleef toch de Messiasverwachting leven en kwam telkens weer boven, vooral in tijden van druk. Ze werd onderhouden en gevoed door de lectuur van het Oude Testament; tal van plaatsen werden Messiaans verklaard, gelijk de LXX bewijst; de Joden vonden in de Schriften zelfs 456 Messiaanse beloften, 75 in de Pentateuch, 243 in de Profeten, en 138 in de Hagiographa; en vooral de apocalyptische literatuur van Henoch, het Psalterium Salomonis, Baruch, de Sibylle, 4 Ezra nam de Messiasverwachting weer op en werkte ze uit. Men verwachtte over het algemeen, dat Hij aan het einde van de hzx Mle verschijnen zou, nadat bange tijden, de zogenaamde Messiasweeën, en Elias of ook een ander profeet als Mozes of Jeremia waren voorafgegaan. Hij werd gewoonlijk aangeduid als Messias, Mensenzoon, Uitverkorene, Zoon van David, enkele malen ook als Zoon van God, en werd opgevat als een mens, die te voren reeds bestond en bij God verborgen was, die uit Bethlehem te voorschijn zou komen, die rechtvaardig, heilig en met vele gaven door God toegerust was en die het rijk van God op aarde bevestigen zou. In hoofdzaak komt daarmee de verwachting overeen, die volgens het getuigenis van het Nieuwe Testament, Luk. 1:38, 74; 2:25 enz. in de volkskringen aangetroffen werd1.

Te midden van deze verwachtingen trad de Christus zelf op, predikende het Evangelie van het koninkrijk Gods, en zeggende: de tijd is vervuld en het koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u en gelooft het Evangelie, Mark. 1:15. Het koninkrijk Gods, dat door de profeten voorspeld en verwacht werd, waarin God koning en zijn wil aller lust zal zijn, dat naar oorsprong en natuur een hemels koninkrijk is en thans ook al in de hemelen aanwezig is, Matt. 6:10, dat koninkrijk komt nu ook op aarde, het is nabij, Mark. 1:15. Maar aanknopende aan die verwachtingen, bracht Jezus er terstond een grote wijziging in; van de Joodse traditie gaat Hij terug tot de Schrift, en verstaat onder het koninkrijk niet allereerst een politieke, maar een religieus-ethische heerschappij. De God van Abraham, Izak en Jakobs, Mark. 12:26, de God van Israëls, Matt. 15:30, die Jezus als zijn God erkent en belijdt, is zeker ook en vóór alles Koning, Matt. 5:35, 18:23, 22:2, de Heere van de hemel en van de aarde, Matt. 11:25; maar Hij is tevens de Vader in de hemelen, die in zijn rijk als een Vader over zijn kinderen heersen wil; zijn rijk is tegelijk een familie, een gemeente, Matt. 6:4, 6, 9; 7:11; Mark. 8:34-35; en deze beide gedachten van het koningschap en het vaderschap van God schaden niet, maar bevorderen elkaar. Voorts: ingang in dat koninkrijk is er niet door farizese wetsonderhouding, maar door bekering, geloof, wedergeboorte, Matt. 18:3, Mark. 1:15, Joh. 3:3, en daarom staat het juist open voor de armen, de verlorenen, de tollenaren en zondaren, Matt. 5:3; 9:11-12; 11:5, 28-30, Luk. 19:10. Dat koninkrijk, dat enerzijds vóór alles moet gezocht worden en een andere en betere gerechtigheid dan die van de farizeën veronderstelt, Matt. 5:20, 6:33, 13:44-46, en dan als een loon wordt voorgesteld, bewaard in de hemelen, Matt. 5:12, 6:20, 19:21, 20:1-7, 24:45, is toch anderzijds met heel zijn inhoud, vergeving van de zonden, Matt. 9:2, 26:28, Luk. 1:77, 24:47, gerechtigheid, Matt. 6:33, eeuwig leven, Matt. 19:16, 25:46; Mark. 8:43 [???] een alle werk en verdienste ver te boven gaande gave, Matt. 19:29; 23:12; 24:47; 25:21; 25:34, Luk. 6:32v., Luk. 12:32, 37; 17:10; 22:29. In zoverre de heerschappij van God hier op aarde in de gelovigen niet dadelijk ten volle gerealiseerd wordt en zij van hun zijde de goederen van dat koninkrijk, het eeuwige leven, de aanschouwing van God, de volkomene zaligheid, hier nog niet ten volle ontvangen en genieten, is het koninkrijk dus wel toekomstig, Matt. 5:3v., Matt. 5:20; 6:10, 33; 7:21; 18:3; 19:23-24; 25:34; 26:29 enz. Maar in zover het door de persoon en door de werken van Christus hier op aarde gesticht, en door wedergeboorte, geloof en bekering in de harten geplant wordt, is het tegenwoordig, Matt. 11:11-12, 21; 12:28; 13:11, 19, 24, 31, 52, Mark. 4:26-29, 9:1, Luk. 10:18, 17:21, en zijn de gelovigen reeds hier op aarde er burgers en deelgenoten van, Matt. 7:13-14; 13:23, 30; 28:18, 20; Mark. 10:15, Luk. 7:28. Op dezelfde wijze is het koninkrijk van God bij Paulus nu eens aanduiding van een heerschappij, die thans reeds bestaat, Rom. 14:17, 1 Cor. 4:20; 15:24-25; Col. 1:13, 4:11, en dan weer benaming voor de regering van God in de toekomst, 1 Cor. 6:9, 15:50, Gal. 5:21, Ef. 5:5, 1 Thess. 2:12, 2 Thess. 1:5. Christus is thans Koning en maakt de zijnen tot koningen en priesters, Openb. 1:6, 18; 3:21; 5:10, en toch wordt eerst bij zijn wederkomst het Godsrijk voltooid, Openb. 19-21.

Schmoller, Joh. Weiss en anderen hebben daarom ten onrechte aan het koninkrijk van God een uitsluitend eschatologische betekenis toegekend2. Het is bij Jezus en ook bij de apostelen niet een louter toekomstig, in de hemel bewaard, en op gerechtigheid als loon geschonken goed, maar het is ook aanvankelijk op aarde in de weldaden van bekering, geloof, wedergeboorte, vernieuwing gerealiseerd, het wast allengs op en doordringt alles, het is tegelijk een religieus-ethisch begrip. Dat is, Jezus neemt het begrip van het rijk van God over, zoals het in de Schrift en vooral later in de apocalyptiek in eschatologische zin ontwikkeld was. Maar Hij verbindt daarmee de later door het Judaïsme verwaarloosde gedachte, dat, al zal het koninkrijk van God in eschatologische zin eerst aan het einde van de dagen door een in de wereld ingrijpende daad van God gerealiseerd worden, het desalniettemin door een religieus-ethische vernieuwing, door het koninkrijk van God in deze zin, moet voorafgegaan en voorbereid worden. Bij de profeten van het Oude Testament gaan deze gedachten samen en zijn ze ineengeweven. Zij kennen slechts één komst van de Messias. Het Godsrijk is inbegrip van alle geestelijke en natuurlijke weldaden; het brengt tegelijk bekering en terugkeer (herstel van Israël als volk en rijk). Maar Jezus maakt tussen deze onderscheid. Het koninkrijk is er in religieus-ethische, het komt in eschatologische zin. Het éne idee van het rijk van God komt in twee grote momenten tot stand. De éne komst van de Messias splitst zich in een dubbele, ter behoudenis en ten gericht, ter voorbereiding en ter voltooiing. Das Messiaswerk wird Heilswerk, es entwindet sich der Eschatologie und mündet ein in die Soteriologie3. Daargelaten de vraag, hoe lange tijd er voor Jezus’ bewustzijn en dat van de apostelen tussen zijn tegenwoordig en zijn toekomstig koninkrijk verlopen zou; het feit staat vast, dat beide ook temporeel onderscheiden zijn4.

1 Ludwig Paul, Die Vorstellungen vom Messias und vom Gottesreich bei de Synopt. Bonn 1895. Baldensperger, Das Selbstbewustsein Jesu im Lichte van de messian. Hoffnungen seiner Zeit. Die messianisch-apokalypt. Hoffnungen des Judentums. Strassburg 1903. P. Volz, Die jüd. Eschatologie von Daniël bis Akiba 1903. Bousset, Die Religion des Judentums im neut. Zeitalter2 1906. Couard, Die mess. Erwartung in de altt. Apokryphen, Neue kirchl. Zeits. 1901 bl. 958-973. Klausner, Die messianischen Vorstellungen des jüdischen Volkes im Zeitalter van de Tannaiten. Berlin 1904. Rabinsohn, Le Messianisme dans le Talmud et les Midraschim. Paris 1907. Lagrange, Le Messianisme chez les Juifs 150 avant J. C. à 200 après J. C. Paris 1909.

2 Schmoller, Die Lehre vom Reiche Gottes in de Schriften des N. T. Leiden 1891, Joh. Weiss, Die Predigt Jesu vom Reiche Gottes 1892; in de zweite völlig neu bearbeitete Auflage, Göttingen 1900 is de eschatologische opvatting gehandhaafd, maar toch enigszins verzacht. Bousset, Das Reich Gottes in der Predigt Jesu, Theol. Rundschau 1902 bl. 397-407, 437-449.

3 Baldensperger, Das Selbstbewustsein Jesu. 1888 bl. 114.

4 Holtzmann, Neut. Theol. I215-225. Fréd. Krop, La pensée de Jésus sur le royaume de Dien d’ après les évang. synopt. avec un appendice sur la question du fils de l’ homme. Paris Fischbacher 1897, die bl. 7 literatuur geeft. Wernle, Die Reichsgotteshoffnung in den altesten christl. Dokumenten und bei Jezus. Tüb. 1903. Traub, Die Gegenwart des Gottesreiches in de Parabeln vom Senfkorn und Sauerteig, vom der selbst wachsenden Saat, dem Unkraut und dem Fischnetz, Zeits. f. Th. u. K. 1905 bl. 58-75. Gottschick, Reich Gottes in PRE3 XVI 783-806. Orr, Kingdom of God in Hastings, DB II 834-856. Bartmann, Das Himmelreich und sein König nach de Synopt. bibl. dogm. dargestelIt. Paderborn 1906. J. Boehmer, der religionsgesch. Rahmen des Reiches Gottes. Leipzig 1909. Verg. ook Wegener, A. Ritschls Idee des Reiches Gottes im Lichte der Gesch. Leipzig 1898. J. Weiss, Die Idee des Reiches Gottes in der Theol. Giessen 1901.

x
This website is using cookies. Accept