Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

399. Maar zeer vele Gereformeerde godgeleerden waren toch van een ander gevoelen en gaven op de bovengestelde vraag een bevestigend antwoord. Volgens hun mening was de gebedsverhoring, Joh. 11:42, Hebr. 5:7, en vooral de hele staat van de verhoging, van de opstanding af tot de wederkomst ten oordele toe, een loon voor de arbeid, die Christus in de dagen van zijn vernedering als knecht des Heeren verricht had1. Met de Schrift in de hand is er ook geen ander antwoord mogelijk. Want telkens stelt zij de staat van de vernedering voor als de weg en het middel, waardoor Christus alleen de verhoging deelachtig kon worden, Jes. 53:10-12, Matth. 23:12, Luk. 24:26, Joh. 10:17; 17:4-5; Phil. 2:9, Hebr. 2:10, 12:2. Het dio in Phil. 2:9 duidt niet maar de ordo en consequentia, doch bepaaldelijk de causa meritoria van de verhoging aan; omdat Christus zich zo diep heeft vernederd, daarom heeft God Hem zo uitermate verhoogd. Vooral de brief aan de Hebreën legt op dit meritorisch verband tussen Christus’ vernedering en verhoging telkens sterke nadruk, Heb. 1:3; 2:9; 10; 5:7-10; 10:12; 12:2. Christus is zelf door het lijden geheiligd, dat is niet aan God gewijd of zedelijk volmaakt geworden, maar voltooid, tot volle wasdom en rijpheid gebracht, teleiov geworden, hetwelk dan daarin bestaat, dat Hij thans met eer en heerlijkheid is gekroond, Heb. 2:9, als hogepriester is gezeten aan de rechterhand van de majesteit in de hoogste hemelen, Heb. 8:1, de vreugde deelachtig is geworden, met het oog waarop Hij het kruis verdroeg en de schande verachtte, Heb. 12:2, en een oorzaak van de eeuwige zaligheid is geworden voor allen, die Hem gehoorzaam zijn, Heb. 5:9.

De reden, waarom velen bezwaar hadden, om bij Christus van een verdienste voor zichzelf te spreken, lag in de oppositie tegen de Socinianen, die Christus eerst in de staat van de verhoging tot de koninklijke waardigheid en tot de rang van de Godheid lieten komen. Deze voorstelling is ook beslist te verwerpen. Want de Schrift getuigt herhaaldelijk, dat Hij in de beginne bij God en zelf God was, Joh. 1:1 v., Joh. 17:5, Rom. 8:3; 2 Cor. 8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:9, Hebr. 1:3 enz., en dat Hij reeds van eeuwigheid door de Vader tot profeet, priester en koning gezalfd en als zodanig reeds in de dagen van het Oude Testament en voorts ook tijdens zijn omwandeling op aarde werkzaam was, 2 Tim. 1:9, Tit. 3:4, Hebr. 13:8, 1 Petr. 1:11, 20. Wat Christus dus in de staat van de verhoging voor zichzelf ontving, kan niet bestaan hebben in de goddelijke natuur of de rang van de Godheid, noch ook in het ambt van profeet, priester of koning, hetwelk op goddelijke verkiezing en aanstelling berust; maar het bestond in de verhoging zelf, in de opstanding, hemelvaart, zitting ter rechterhand Gods en wederkomst ten oordele, of maw. in de middelaarsheerlijkheid, waartoe Hij naar beide naturen verheven werd. Deze bezat Hij tevoren niet, maar verkreeg Hij eerst bij zijn verhoging; en deze verhoging was dus geen schijn, geen loutere manifestatie van wat Hij inwendig vroeger reeds was, maar een deelachtig worden van wat Hij in de staat van de vernedering nog niet bezat, een verhoging in objectieve en reëele zin. Hierover waren alle Gereformeerden het eens, en zij wisten hiermee op de bodem van de Schrift te staan2.

Immers, volgens Rom. 1:3 is Christus kata sarka, d.i. in de weg van de vlees, door geboorte uit een vrouw, Gal. 4:4, geworden uit David; maar kata pneuma afiwsunhv, krachtens de Geest van de heiligheid, die in Hem woonde en Hem in heel zijn leven geleid had, werd Hij uit en door de opstanding krachtig door God verordineerd en aangesteld, orisyeiv, cf. Hand. 17:31, als Zoon van God. Geboorte en opstanding staan hier tegenover elkaar3. Door de geboorte werd Christus het zaad Davids, Rom. 9:5, nam Hij aan omoiwma sarkov amartiav, Rom. 8:3, werd Hij zwak, 2 Cor. 13:4; maar door de opstanding werd Hij openlijk als Zoon van God aangesteld. Dat wil niet zeggen en kan niet betekenen, dat Hij toen eerst de goddelijke natuur of de rang en de naam van God ontving, want het tegendeel blijkt uit Rom. 1:3; 8:3, 32; Gal. 4:4, enz.; maar terwijl Hij bij zijn menswording de morfh yeou met de morfh doulou verwisselde, Phil. 2:9, ontving Hij nu bij de opstanding die heerlijkheid, welke Hij naar zijn Godheid reeds te voren bij de Vader had, Joh. 17:2, werd Hij nu kuriov thv doxhv 1 Cor. 2:8, yeou dunamiv, 1 Cor. 1:24, kreeg Hij een naam boven allen naam, d.i. de naam van kuriov, Joh. 20:28, Hand. 2:36, 1 Cor. 12:3, Phil. 2:9-10, en daarin de kuriothv, het recht, de bevoegdheid en de macht, om als middelaar, als profeet, priester en koning over alle schepselen te heersen, zijn vijanden te onderwerpen, zijn volk te vergaderen en de gevallen schepping voor God te herwinnen, Ps. 2; 72; 110; Matt. 28:18, 1 Cor. 15:21 v., Ef. 1:20-23, Phil. 2:9-114, Hebr. 1:3v., 1 Petr. 3:22, Op. 1:5 enz. In de opstanding heeft God Hem openlijk tot Zoon van God, Heer, Koning, Middelaar aangesteld en tot Hem gezegd: Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd, Hand. 2:33, 36; 3:15; 5:31; 13:33; 17:31; Hebr. 1:5.

Inderdaad is Christus door zijn opstanding ingetreden in een nieuwe stand; Hij is als middelaar boven alle schepselen aan Gods rechterhand verhoogd. In die verhoging deelt in zekere zin ook zijn Goddelijke natuur. Zoals niet maar de menselijke natuur van Christus, maar de persoon van de Zoon subject van de vernedering was, zo is ook diezelfde persoon naar beide naturen subject van de verhoging. Hij had immers zijn morfh yeou afgelegd en zijn Goddelijke natuur achter het kleed van een zwakke menselijke natuur verborgen; niemand zag in Hem of kon in Hem zien de Eniggeborene van de Vader, tenzij dan met het oog van het geloof, Joh. 1:14. Maar nu, in de staat van de verhoging, straalt zijn Goddelijke heerlijkheid een ieder in de ogen; wie Hem thans ziet, moet belijden, dat Christus de Heer is tot heerlijkheid van God de Vader. Maar voorts deelt in die verhoging ook zijn menselijke natuur. Het pneuma agiwsunhv woonde ook reeds in Christus vóór zijn opstanding, van zijn ontvangenis af aan, want Hij was ontvangen van de Heilige Geest, Luk. 1:36, was vol van de Heilige Geest, Luk. 4:1, ontving Hem zonder mate, Joh. 3:34, enz., cf. Matt. 12:18, 28, Luk. 4:14, Hand. 1:2, 4:27, Hand. 10:38. Maar deze heerlijkheid, die Christus inwendig bezat, kon zich toch niet naar buiten openbaren; Hij was vlees, en werd krachtens de zwakheid van het vlees ook gedood aan het kruis, 2 Cor. 13:4. Doch in de dood heeft Hij die zwakheid afgelegd, en heeft Hij alle samenhang met zonde en dood verbroken. God, die zijn eigen Zoon voor ons in de dood gaf en daarin het oordeel over de zonde voltrok, heeft Hem door zijnn Geest, die als pneuma agiwsunhv in Christus zelf en ook in alle gelovigen woont, Rom. 8:11, uit de doden opgewekt, opdat Hij nu niet meer in zwakheid van het vlees, maar in kracht van de Geest leven zou. Gedood is Hij dus wel in vlees, maar Hij is levend gemaakt in Geest, 1 Petr. 3:18. De Geest Gods heeft toch in Christus, ook toen Hij vlees was, gewoond als de beheersende macht van zijn leven, als pneuma agiwsunhv, zodat Christus zich altijd door die Geest leiden liet en de Vader gehoorzaam bleef tot in de dood toe; en daarom moet die Geest zich nu ook in Christus bij de opstanding als pneuma zwhv openbaren, die de dood in Christus en ook eenmaal in de gelovigen volkomen overwint, Rom. 8:11. Zover is Christus nu boven alle zwakheid van het vlees verheven, dat Hij geworden is door de opstanding tot een pneuma zwopoioun, 1 Cor. 15:45; Hij heeft ook na de opstanding nog wel een swma, Hij is dezelfde Jezus, Hand. 9:5, Rom. 4:24; 8:11; 1 Cor. 12:3; 2 Cor. 1:14; 4:5v.; de tweede en laatste Adam, 1 Cor. 15:455; Hij heeft datzelfde swma, waarmee Hij opgestaan is, maar het is een swma pneumatikon, in plaats van de fyara, atimia en asyeneia, welke aan het swma fucikon, de sarx eigen zijn, heel andere eigenschappen nl. de aryarsia, doxa, dunamiv deelachtig, 1 Cor. 15:42v., Phil. 3:21. Ja, in 2 Cor. 3:17 zegt Paulus: o de kuriov to pneuma estin; de apostel wil daarmee niet een omschrijving geven van het substantiële wezen van Christus; maar hij komt tot deze uitspraak, omdat hij betogen wil, dat de Christenen vrij zijn van de wet. Die vrijheid toch vindt daarin haar grond, dat de Heer, d.i. de verhoogde Christus, de Geest is, dwz. dat de Geest van God nu in Christus zo absoluut woont en zo ten innigste één met Hem is, dat daardoor aan alle onvrijheid een einde wordt gemaakt, oi de to pneuma kuriou, eleuyeria. De uitdrukking pneuma kuriou bewijst, dat Paulus in het begin van het vers aan geen identificering van Christus en de Heilige Geest denkt; de Heilige Geest is de Geest van Christus, omdat Hij in Christus zelf woont en omdat Christus zich door Hem aan de zijnen mededeelt, vs. 186. En zo is Christus nu degene, in wie pan to plhrwma thv yeothtov swmaatikwv woont, Col. 2:9, cf. Col. 1:19. Hij is het zichtbare eikwn tou aoratou yeou Col. 1:19. Goddelijke heerlijkheid wordt in zijn menselijke natuur openbaar en straalt van zijn aangezicht af, 2 Cor. 3:18; 4:4, 6.

1 Zanchius, Op. VI 121. VIII 477. 502. Piscator, Comm. op Phil. 2:9. Gomarus, Op. I 230 v. Cloppenburg, Op. I 305. 888. Rivetus, Op. II 836. Voetius, Disp, II 265-267. Mastricht, Theol. V 14, 7. Heidegger, Corp, Theol. XVIII 39. De Moor, Comm. III 600. M. Vitringa, Doctr. V 585 v.

2 Verg. Voetius, Disp. II 277.

3 Bröse, Zur Auslegung von Röm. 1:3, Neue kirchl. Zeits. 1899 bl. 562-573.

4 J. Kögel, Christus der Herr, Erläuterungen zu Phil. 2:6-11 (Beiträge z. Förderung Christl. Theol.) 1908.

5 W. Lütgert, Der Mens aus dem Himmel, Greifswalder Studiën H. Cremer z. 25 j. Jub. dargebracht. Gütersloh 1895 bl. 207-228.

6 Gloel, Der Heilige Geist. Halle 1888 bl. 113 v. Verg. over deze moeilijke plaats ook: Holzmeister S. J. 2 Cor. 3:17 Dominus autem Spiritus est. Eine exeg. Untersuchung m. e. Uebersicht über die Gesch. d. Erklärung dieser Stelle. Innsbruck 1908.

x
This website is using cookies. Accept