Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

400. Wanneer de descensus ad inferos overeenkomstig de Gereformeerde belijdenis tot de vernedering behoort, zijn er in de verhoging vier zogenaamde trappen te onderscheiden, de opstanding, de hemelvaart, de zitting ter rechterhand Gods en de wederkomst ten oordeel. De opstanding bestond daarin, dat Christus door zijn Goddelijke kracht het gestorven lichaam weer herleven deed, met zijn ziel verenigde en zo het graf verliet. Gewoonlijk wordt daarvoor het woord anastasiv gebruikt, niet alleen bij Jezus, maar ook bij de mensen in het algemeen, Matt. 22:13 enz. Reeds hieruit blijkt de onjuistheid van het vermoeden, dat dit woord oorspronkelijk betekende die Einsetzung Christi zum Hernn des eben errichteten Reiches Gottes1; want het was een vaststaande uitdrukking voor de opstanding van de doden, ook al werd deze laatste bijvoeging dikwijls weggelaten. Maar menigmaal staat er ook de nadere bepaling van twn nekrwn of ek twn nekrwn bij. Wanneer dit laatste aan de opstanding van Jezus toegevoegd wordt, bewijst dat, dat Jezus in zijn dood tot de doden behoord heeft, en bij zijn opstanding uit hun gebied in het land van de levenden is teruggekeerd.

Er ligt echter in het woord volstrekt niet opgesloten, dat zij, die opstaan, dit doen door hun eigen kracht, maar wel, dat zij, door God opgewekt wordende, nu zelf ook opstaan. Bij Jezus krijgt dit woord echter een andere en diepere zin. Want niet alleen voorspelde Hij meermalen zijn eigen opstanding, Matt. 20:19, of opwekking door de Vader, Matt. 16:21; maar Hij zei ook van zichzelf, dat Hij de tempel van zijn lichaams in drie dagen weer oprichten kon, Joh. 2:19-21, dat Hij macht had, het leven af te leggen en weer te nemen, Joh. 10:18, dat Hij zelf de opstanding en het leven was, Joh. 11:25. Ofschoon anderen in tijd vóór Hem opgewekt zijn, Hij is toch prwtov ex anastasewn, Hand. 26:23, aparch twn kekoimhmenwn, 1 Cor. 15:20, prwtotokov ek twn nekrwn Col. 1:18, Op. 1:5. Want Hij was immers ook de eerstgeborene van alle creatuur, Col. 1:18, Op. 1:5, het hoofd en beginsel van al het geschapene, en ontleende daaraan de macht, om de eerstgeborene onder vele broederen te worden. Zijn goddelijke natuur bleef ook in de dood met zijn menselijke ziel en lichaam ten nauwste verenigd, en bezat de almachtige kracht, om uit de dood het leven te voorschijn te brengen Maar Hij heeft voorts ook door zijn lijden en sterven het recht tot de opstanding verworven, en dus ook in de verhoging van zijn macht geen gebruik gemaakt dan in de weg van het recht. Omdat en gelijk de dood door een mens in de wereld is gekomen, is ook de opstanding van de doden door een mens tot beginsel van het eeuwige leven gemaakt, 1 Cor. 15:21. Als eerstgeborene in deze zin, is Christus dus ook opgewekt tot een eeuwig leven; Hij werd wel gekruisigd uit zwakheid, maar leeft thans uit de kracht Gods, 2 Cor. 13:4; wat Hij stierf, dat is Hij van de zonde eenmaal gestorven, maar wat Hij leeft, dat leeft Hij thans Gode; Hij kan niet meer sterven, omdat de dood geen macht meer over Hem heeft, Rom. 6:9-10. Hij was doodt maar leeft thans in alle eeuwigheid en heeft de sleutels van de hel en van de dood, Op. 1:18.

Niet minder dikwijls wordt de opstanding van Christus aan de macht van de Vader toegeschreven, en in dat geval een opwekking genoemd. Jezus spreekt er zelf zo van, Matt. 16:21 enz., en in de Handelingen en de Brieven van de apostelen is dit zelfs de gewone voorstelling, Hand. 2:24, 32; 3:26; 5:30; 13:37; Rom. 4:25; 8:11, 34; 1 Cor. 6:14; 15:13v. enz. De opstanding was niet alleen noodzakelijk met het oog op Christus’ eigen macht, bevoegdheid en recht, maar zij was even noodzakelijk krachtens Gods raad en wil. Het moeten in Luk. 24:26 slaat niet alleen op het lijden van Christus, maar ook op het ingaan in zijn heerlijkheid. Naar de raad van God was het niet mogelijk, dat Christus door de dood gehouden werd, en daarom wekte God Hem op, de smarten van de dood ontbonden hebbende, Hand. 2:24. De dood omstrikte Christus als het ware met zijn smarten, wdinev naar de LXX voor het Hebreeuws banden, Ps. 18:5; maar die smarten waren de barensweeën van de opstanding, die door God in het moment van de opstanding ontbonden, teniet gedaan werden. En zo is Christus naar Gods welbehagen de eerstgeborene uit de doden geworden; zijn opstanding was een geboorte uit de dood, en dus een overwinning van de dood en van hem, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel, 1 Cor. 15:21v. Hebr. 2:14, 2 Tim. 1:11.

De opstanding van Christus vormde van de aanvang af een allergewichtigst bestanddeel van het geloof van de gemeente; zonder dat geloof zou zij nimmer tot stand gekomen zijn. Want al de discipelen hadden zich geërgerd aan het kruis; toen Jezus gevangen genomen en gedood werd, waren zij gevloden, Mark. 14:50, en hielden zich schuil. Maar hun geloof herleefde, toen zij vernamen, dat Jezus opgestaan was; in het licht van de opstanding bezagen zij nu het vroegere leven van Jezus, hoe hij door God met de Heilige Geest en met kracht gezalfd was, Hand. 4:27, 10:38, door zijn werken en wonderen van zijn Messianiteit getuigenis aflegde, Hand. 2:22; 10:38, naar Gods raad sterven moest, Hand. 2:23; 4:28; en nu verstonden zij ook, dat Jezus in zijn opstanding door God tot een Heer en Christus, tot een Leidsman en Rechter aangesteld was, Hand. 2:20, 25, 36; 3:15; 4:26; 5:31; 10:42. Niet minder sterk is het getuigenis van Paulus in zijn omstreeks 53 n. Chr. geschreven eerste brief aan de gemeente te Corinthe; hij zegt daar, dat hij aan de Corinthiërs overgegeven heeft hetgeen hij zelf ook ontvangen had, en daartoe behoort, dat Christus gestorven, begraven en ten derde dage opgestaan is naar de Schriften, 1 Cor. 15:3-4. Wanneer wij bij dit ontvangen mogen denken aan het getuigenis van de opstanding, dat hij van anderen gehoord had, dan blijkt daaruit, dat het geloof aan de opstanding tot de belijdenis van de oudste gemeente behoorde en door Paulus bij zijn bekering daar aangetroffen werd. Inderdaad is de opstanding een feit, waaraan alle apostelen in hun brieven getuigenis geven; een voornaam kenmerk van hun apostolisch ambt was daarin gelegen, dat zij getuigen van Jezus’ opstanding waren geweest, Luk. 24:48, Hand. 1:22, 2:32, 3:15 enz.; en in alle vier Evangeliën neemt het verhaal van de opstanding een kleinere of grotere plaats in. De omstandigheden, waaronder deze gebeurtenis plaats greep, worden zeer verschillend beschreven, maar hun getuigenis aangaande het feit is één.

De zekerheid aangaande die opstanding berustte voor de gelovigen op de verschijningen, die zij zelf ontvangen hadden of waarvan anderen, die hun volkomen vertrouwen hadden, hun hadden verhaald, Luk. 24:34, 1 Cor. 15:5v.. Paulus maakt van zes verschijningen gewag, en noemt als de laatste daarvan die, welke hemzelf te beurt gevallen is, maar hij bedoelt daarmee zeker niet een volledige opsomming te geven. Opmerkelijk is daarbij, dat Paulus weet van een elders niet vermelde verschijning aan Jakobus (waarschijnlijk Jakobus de rechtvaardige, de broeder van de Heere) en aan vijfhonderd broeders op eenmaal, van welke het meerder deel nog in leven was; dat hij voorts de verschijning, welke hij zelf na de hemelvaart van Jezus ontvangen had, geheel op dezelfde lijn plaatst en er hetzelfde karakter aan toeschrijft, als aan de andere verschijningen; en dat hij de verschijningen beperkt zowel in tijd, want die, welke aan hem te beurt viel, was de laatste, als ook in de personen, aan wie ze geschonken werden; ook bij Paulus is Christus openbaar geworden, niet al de volke, maar de getuigen, die van God te voren verkoren waren, Hand. 1:3; 10:40-41; 13:31. Voorts zijn de verschijningen ook beperkt, wat de localiteit betreft, en hebben zij of in Jeruzalem óf in Galilea plaats. Velen trachten tegenwoordig de eerstgenoemde als onhistorisch voor te stellen, op grond van het Evangelie van Markus, dat oorspronkelijk met Mark. 16:8 eindigde, en met de niet te miskennen bedoeling, om de opstanding dan gemakkelijker als een visioen te kunnen verklaren. Maar als Markus oorspronkelijk met Mark. 16:8 eindigde, maakte dit Evangelie van geen enkele verschijning gewag, en kan men dus ook niet zeggen, of het alleen verschijningen in Galilea aannam; voorts leidt men uit Mark. 14:50 ten onrechte af, dat de discipelen bij hun vlucht terstond naar Galilea teruggekeerd zijn en dus op de opstandingsmorgen niet meer in Jeruzalem waren. Mark. 16:7 zegt juist uitdrukkelijk, dat Jezus hen zou voorgaan naar Galilea; en eindelijk spreken Mattheüs, Matt. 28:9, Lukas, Luk. 24:13v., Johannes, hoofdst. 20 [Joh. 20], wel van verschijningen in Jeruzalem, evenals de door Paulus genoemde verschijningen, behalve die aan de vijfhonderd broeders en aan hemzelf, ook waarschijnlijk daar plaats hadden. Volgens Johannes hadden de verschijningen de eerste acht dagen in Jeruzalem plaats, Joh. 20:26, waar de discipelen nog bleven om het paasfeest, en eindigden zij daarmee, dat Jezus aan zijn jongeren de Heilige Geest gaf en de apostolische volmacht schonk, Joh. 20:22, 23.

De verschijningen in Jeruzalem hadden waarschijnlijk plaats, omdat de discipelen het bericht van de vrouwen weigerden te geloven, Luk. 24:11, 24, 25 Mark. 16:11, 13-14, en in deze gemoedstoestand zeker ook niet geneigd waren, naar Galilea te gaan met de verwachting, Hem daar te zien. Maar daarna volgden de verschijningen in Galilea; Jezus ging zijn discipelen zelf daarheen voor, Mark. 16:7; daarheen moesten de discipelen terugkeren, omdat zij geen veertig dagen in ledigheid en vrees te Jeruzalem konden doorbrengen; daar had Jezus de meeste tijd van zijn leven gewoond en gearbeid, en ook de meeste discipelen gewonnen. Er is derhalve niets vreemds in, dat Jezus na zijn opstanding weer enige tijd naar Galilea ging en daar van tijd tot tijd aan zijn discipelen verscheen, hen onderrichtende aangaande de dingen van het koninkrijk Gods, Hand. 1:3, en er bestaat geen reden, om bij Galilea aan een heuvel op de Olijfberg bij Jeruzalem, en niet aan het bekende landschap te denken2. Mattheüs, Matt. 28:16v., en Johannes, hoofdst. 21 [Joh. 21], besluiten met deze verschijningen in Galilea en vermelden de hemelvaart niet. Maar volgens Luk. 24:19, Hand. 1:4 moesten de discipelen in Jeruzalem blijven, totdat zij aangedaan waren met kracht uit de hoogte; Lukas maakt van de Galilese verschijningen in het geheel geen gewag. Zeker heeft Jezus bij een van de verschijningen in Galilea ook weer aan zijn discipelen opgedragen, om naar Jeruzalem te gaan en daar te verwachten de belofte van de Vader; de hemelvaart heeft in elk geval weer in de nabijheid van jeruzalem plaats.

Terwijl de verschijningen op deze wijze in tijd, plaats en personen, aan wie zij te beurt vielen, beperkt worden, is de opstanding zelf volgens de eenparige getuigenis van allen op de derde dag geschied. De formule: ten derde dage, Matt. 16:21, 20:19 enz. wisselt af met: na drie dagen, Mark. 8:31, 10:34 enz., zonder dat dit verschil in duur geeft, verg. Gen. 42:17, 18. Maar de uitdrukking drie dagen en drie nachten, Matt. 12:40, 16:4, moet overdrachtelijk worden opgevat, en is in deze plaats gekozen ter wille van de vergelijking met Jona of als algemeen omschrijving van een zeer korte tijd. Hoe de discipelen nu eenparig tot het stellen van die opstanding op de derde dag gekomen zijn, wanneer deze niet werkelijk heeft plaats gehad, is moeilijk te zeggen. Uit het Oude Testament viel deze datum, althans zonder dat men reeds aan de opstanding geloofde, niet af te leiden; als men hem aan Jezus’ eigen voorspelling ontleende, sluit dit het geloof in, dat die voorspelling ook in het feit van de opstanding vervuld werd; en de mythologie laat hier ook in de steek en vertoont in het Nieuwe Testament in deze zaak geen enkel spoor; zo komt Kirsopp Lake dan ook tot de conclusie, dat deze datum als a reference to the experience of the women moet worden aangemerkt3. Er moet op die derde dag iets gebeurd zijn, dat men zo eenparig daarop de opstanding stelde. Daarbij komt dan nog het ledige graf, waarvan de waarheid tegenwoordig nagenoeg door allen erkend wordt. Maar hoe de ledigheid van het graf te verklaren, als Christus niet waarlijk met hetzelfde lichaam, dat Hij aflegde in de dood, is opgestaan? Zeker, het ledige graf is zonder meer niet de grond voor het geloof aan de opstanding, want dan waren de verschijningen overbodig; maar voor de realiteit van de lichamelijke opstanding is het toch van grote betekenis.

Een tijd lang heeft men gemeend, de opstanding te kunnen verklaren, door een schijndood van Jezus aan te nemen (vele Rationalisten, en ook later Herder, Schleiermacher, Hase, Gfrörer), of door het lichaam van Jezus door diefstal te laten verdwijnen4. Maar deze pogingen zijn zo goed als geheel prijsgegeven. In plaats daarvan hebben toen Strausz, Lang, Holsten, Hausrath, Renan ea. het subjectief visioen als een middel ter verklaring van het geloof van de discipelen voorgesteld. Maar ook hier deden zich tal van bezwaren voor: zulk een subjectief visioen veronderstelt veelmeer het geloof dan dat het dit voorbrengt, doch de gemoedsgesteldheid van de discipelen was alles behalve gelovig, zij waren moedeloos, neerslachtig, verkeerden in diepe twijfel en wilden het bericht van de opstanding eerst in het geheel niet geloven; voorts sluit zulk een visioen volstrekt niet het geloof aan opstanding in, want toen en later hebben vele mensen visioenen van afgestorvenen gehad, zonder dat zij daaruit tot hun opstanding besloten; verder gaan zulke visioenen bijna altijd gepaard met en leiden tot allerlei psychische en fysische abnormaliteiten, maar bij de apostelen is daarvan geen spoor te bekennen, zij worden opgebeurd uit hun moedeloosheid en twijfel, al is het dat de opgestane Heiland na enkele dagen hen weer verlaat, treden moedig als zijn getuigen op, en ontwikkelen een buitengewone activiteit; en eindelijk, om niet meer te noemen, de verschijningen, waarvan het Nieuwe Testament spreekt, hebben alle op een bepaalde plaats en tijd en aan bepaalde personen plaats, zij vormen een reeks, die op de derde dag begint en met de verschijning aan Paulus eindigt, en moeten dus tegenover alle mogelijke visioenen een onderscheiden, kenmerkend karakter gedragen hebben5.

Om al deze redenen is ook de theorie van het subjectieve visioen allengs verlaten en verwisseld voor die van het objectieve visioen. Hieronder wordt verstaan, dat de verheerlijkte Christus zelf aan zijn discipelen de zekerheid van zijn voortleven schonk. Hij deed dit dan zo, dat Hij deze zekerheid in hun hart werkte en daaruit de visioenen bij hen liet voortkomen, of dat Hij de objectieve visioenen bij hen teweegbracht en daaruit hen de zekerheid liet putten van zijn voortbestaan. De verschijningen in die visioenen kunnen dan, naarmate men aan het stoffelijke een mindere of meerdere waarde voor de geest toekent, meer of minder geestelijk worden gedacht; Christus werd aan hen openbaar als een geestelijk wezen, zonder enigen lichamelijke vorm, of als min of meer in een lichaam gematerialiseerd. Maar in geen geval verscheen Hij hun in datzelfde lichaam, dat Hij bij de dood had afgelegd en in de opstanding weer zou hebben aangenomen. Deze theorie van het door Keim zogenoemde “telegram uit de hemel” heeft nu wel veel ingang gevonden6, maar is toch aan niet minder ernstige bedenkingen onderhevig dan die van het subjectieve visioen. Ten eerste laat zij aan de getuigenissen van de Schrift, bepaaldelijk aangaande het ledige graf en de lichamelijke opstanding, geen recht wedervaren. Ten andere schuift zij voor het wonder van de lichamelijke opstanding een ander in de plaats, dat veel minder aannemelijk is en de verheerlijkte Christus aansprakelijk maakt voor de dwaling, waarin de discipelen van de aanvang af bevangen waren. Want dezen koesterden allen de vaste overtuiging, dat Christus met zijn gekruisigde en begraven lichaam weer was opgestaan. Ten derde maakt zij van de Godheid van Christus geheel geen gewag, beschouwt Hem als een gewoon, zij het ook zedelijk verheven mens, en leert dan feitelijk aangaande Jezus’ verschijningen na zijn dood niets anders dan wat het spiritisme thans van tal van afgestorvenen mogelijk en werkelijk acht. Het Christelijk geloof wordt daarmee uit het bijgeloof, de zuivere religie uit de magie, de druif uit de doorn en de vijg uit de distel verklaard. Eindelijk hangt deze theorie ook nog samen met een wijsgerig en godsdienstig dualisme tussen geest en stof, met loochening van de dood als straf van de zonde, met miskenning van de geestelijke betekenis van de lichamelijke opstanding. Hierover kan toch moeilijk twijfel bestaan, dat het feit van de lichamelijke opstanding van Christus alles wat daarop rust, het ledige graf, het vaste geloof van de discipelen, de overtuiging van de lichamelijke realiteit van de opstanding enz. voldoende verklaart. Indien men ze dan toch verwerpt, mag men daarvoor steun zoeken in de afwijkende berichten, maar komt men hiertoe toch altijd krachtens een wereld- en levensbeschouwing, welke lijnrecht staat tegenover die van de Heilige Schrift. Men redeneert dan zo: het dat staat vast, maar het hoe doet er niet toe; als Christus maar de levende Heer is, komt het er weinig of niet op aan, of Hij ook lichamelijk is opgestaan.

De Schrift gaat echter van een heel andere gedachte uit. Zij leert, dat hemel en aarde, geest en stof beide door God zijn geschapen; dat het lichaam tot het wezen van de mens behoort en op zijn wijze het beeld van God vertoont; dat de dood een gevolg en straf van de zonde is. En daarom komt voor haar alles aan op de lichamelijke opstanding van Christus; met het hoe staat het dat in het nauwste verband; als Christus niet lichamelijk is opgestaan, dan is de dood, dan is de zonde, dan is hij, die het geweld van de dood had, niet overwonnen; dan heeft feitelijk niet Christus, maar Satan getriomfeerd. De betekenis van de lichamelijke opstanding van Christus is daarom volgens de Schrift onoverzienbaar rijk. Kort samengevat, is die opstanding:

1. een bewijs van Jezus’ Messianiteit, een kroning van de knecht des Heeren tot Christus en Heer, tot Levensvorst en Rechter, Hand. 2:36; 3:13-15; 5:31; 10:42 enz.;

2. een zegel van zijn eeuwig, goddelijk Zoonschap, Hand. 13:33, Rom. 1:3;

3. een goddelijke goedkeuring van zijn middelaarswerk, een verklaring van de kracht en de waarde van zijn dood, het “amen” van de Vader op het “volbracht” van de Zoon, Hand. 2:23-24; 4:11; 5:31; Rom. 6:4, 10 enz.;

4. de aanvang van zijn door het lijden heen bereikte verhoging, Luk. 24:26, Hand. 2:33, Rom. 6:4, Phil. 2:9 enz.;

5. de waarborg van onze vergeving en rechtvaardigmaking, Hand. 5:31, Rom. 4:25;

6. de fontein van vele geestelijke zegeningen, van de gave van de Geest, Hand. 2:33, de bekering, Hand. 5:31, het geestelijke, eeuwige leven, Rom. 6:4v., de hele zaligheid, Hand. 4:12;

7. het beginsel en ondelpand van onze zalige en heerlijke opstanding, Hand. 4:2, Rom. 8:11, 1 Cor. 6:14 enz.;

8. de grondslag van het apostolisch Christendom, 1 Cor. 15:12v.7.

1 Aldus W. B. Smith, Der vorchristliche Jezus nebst weiteren Vorstudien zur Entstehungsgesch. des Urchrist. M. e. Vorwort von P. W. Schmiedel. Giessen 1906, verg. Meyboom, Theol. Tijdschr. 1907 bl. 1-17.

2 Verg. hierover Masterman, art. Mount of olives, in Rastings, Dict. of Christ II 207, volgens wie heel dit topografisch vraagstuk breedvoerig is besproken door Lepsius, Reich Christi 1902 n. 7, 8.

3 Kirsopp Lake, The historical evidence of the resurrection of Jezus Christ. London 1907 bl. 196.

4 Verg. thans nog Paul Rohrback, Die Berichte über die Auferstehung Jesu Christi. Berlin 1898,

5 Aldus vooral Keim in zijn Geschichte Jesu von Nazara, verg. Hastings. Dict. of Christ II 511.

6 Weisse, Ev. Geschichte 1838 II 432. Keim, Geschichte Jesu von Nazara III 605. Schweizer, Chr. Gl. II 216 v. Lotze, Mikrokosmos 3 1880 III 365 v. Ziegler, Zeits. f. Th. u. K. 1896 bl. 260. Reischle, Zur Frage nach der leiblichen Auferstehung Jesu Chr., Christl. Welt 1900 bl. 3 v. Id., Leitsätze f. e. akad. Vorl. über die Christl. Glaubenslehre bl. 99. Harnack, Das Wesen des Christ. Akad. Ausgabe bl. 101 v. Dobschütz, Ostern und Pfingsten. Eine Studie zu 1 Kor. 15. Leipzig 1903. Kirsopp Lake, The historical evidence for the resurrection of Jezus Christ. London 1907 bl. 265-279. Wallis, Die Erscheinungen des auferstandenen Christus, Die Studierstube 1906 bl. 595-599 enz. Verg. daartegen oa. Ihmels, Die Auferstehung Jesu Christi. Leipzig 1906. Horn, Der Kampf um die leibliche Auferstehung des Herrn, Neue Kirchl. Zeits. 1902 bl. 241-249. Th. Korff, Die Auferstehung Christi und die radikale Theologie. Halle 1908. Steude, Die neueren Verhandlungen über die Auferstehung Jesu Christi, Beweis des Glaubens 1906 bl. 46-58.

7 Verg. voorts nog over de opstanding van Christus: Loofs, Die Auferstehungsberichte und ihr Wert. Leipzig 1898. 3 Tübingen 1908. Burkhardt, Die Auferstehung des Herrn und seine Erscheinungen, Göttingen 1899. Riggenbach, Die Auferstehung Jesu2 1908, voor Ned. bewerkt door W. Back, Baarn 1907. Disteldorf, Die Auferstehung Jesu Christi. Trier 1906. Armstrong, The resurrection and the origin of the church in Jeruzalem, Princeton Theol. Review Jan. 1907 bl. 1-25. James Orr, The resurrection of Jezus. London 1908.

x
This website is using cookies. Accept