Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

401. Na de opstanding vertoefde Christus nog een tijd lang op aarde. In Matt. 28:16v, Mark. 16:19, Luk. 24:50 wordt de opstanding zeer nauw met de hemelvaart verbonden, maar volgens Hand. 1:3 zijn er tussen beide gebeurtenissen veertig dagen verlopen. Dit laatste bericht wordt zijdelings bevestigd door de reeks van verschijningen, die er na de opstanding aan verschillende personen hebben plaats gehad. De eerste verschijningen hadden plaats in Jeruzalem, op de dag van de opstanding zelf aan Maria Magdalena, Matt. 28:9, Joh. 20:14, aan Petrus, Luk. 24:34, 1 Cor. 15:5, aan de Emmaüsgangers, Luk. 24:13v, aan de apostelen zonder Thomas, Joh. 20:19v, 1 Cor. 15:5, en acht dagen later aan de apostelen met Thomas, Joh. 20:26. Daarna komen de verschijningen in Galilea, Matt. 28:16v, Joh. 21, 1 Cor. 15:6, en dan nog weer de laatste in en bij Jeruzalem. Er moet hier een tijd mee verlopen zijn, en Lukas geeft ons in zijn tweede boek nader bescheid, dat dat veertig dagen zijn geweest.

Deze veertig dagen vormen een zeer eigenaardige periode in het leven van Jezus. Reeds in de beschrijvingen, die er van zijn lichaam gegeven worden, komt dat uit. Enerzijds is het geheel identiek met dat, hetwelk Hij te voren gedragen en bij het sterven afgelegd had. Er is sprake van zijn handen en voeten, Matt. 28:9, Luk. 24:39, van zijn vlees en benen, Luk. 24:39; Hij toont aan zijn discipelen zijn handen en zijn zijde, Joh. 20:20, laat zich betasten, Joh. 20:27, gebruikt spijze, Luk. 24:43, Joh. 21:12v, wordt zichtbaar bij zijn hemelvaart opgenomen, Hand. 1:9, en komt zo eenmaal weer, Hand. 1:11, Op. 1:7. En aan de andere kant mag Hij niet aangeraakt worden, Joh. 20:17, wordt Hij niet herkend, Luk. 24:16, Joh. 20:14, verschijnt en verdwijnt Hij op een geheimzinnige wijze, Luk. 24:36, Joh. 20:19, en verschrikken de discipelen bij zijn komst, Luk. 24:37, Joh. 21:12. Het is dezelfde Jezus, maar verschijnend in een andere gedaante, Mark. 16:12. Hij heeft een swma, dat gezaaid is in oneer en zwakheid, maar het is opgewekt in heerlijkheid en kracht en veranderd in een swma pneumatikon 1 Cor. 15:42v, 2 Cor. 13:4, Phil. 3:21; Hij is door de opstanding geworden tot een pneuma zwopoioun, 1 Cor. 15:45, 2 Cor. 3:17. Of deze vergeestelijking in de veertig dagen langzamerhand is toegegaan, valt moeilijk te zeggen, maar de eigenaardigheid van zijn lichaam in deze tijd staat zonder twijfel in verband met de overgangstoestand, waarin Hij zolang verkeerde. Zij is niet alleen aan zijn lichaam eigen, maar komt uit in al zijn doen en laten. Hij is nog op aarde, verschijnt van tijd tot tijd aan zijn discipelen, eet en drinkt en spreekt met hen. Maar Hij is toch de hunne niet meer, zoals Hij het tevoren was. De vertrouwelijke omgang van vroeger wordt niet meer hersteld. Jezus houdt zich op een afstand, trekt zich terug, behoort niet meer tot deze wereld, maar gaat over tot een andere wijze van leven en werken. Als de discipelen dat verwachten en hopen, dan verbiedt Jezus hen, evenals aan Maria Magdalena, om Hem aan te raken. Hij gaat van hen weg, keert niet meer naar de aarde terug, maar wandelt voort op de weg naar de hemel. Hij vaart aldoor op tot zijn God en Vader. Doch dat is niet tot schade, het is veeleer tot nut voor zijn discipelen. Want zijn God en Vader is ook hun God en hun Vader, zijn hemelvaart bereidt de hunne voor, Hij gaat voor doch zij zullen volgen. Ja, de omgang en het verkeer met Hem wordt door zijn lichamelijke verdwijning niet verzwakt, doch veeleer bevestigd en versterkt. Zij mogen hem nu niet meer aanraken, maar als Hij straks is opgevaren, dan wordt de gemeenschap met Hem door de Heilige Geest vernieuwd en bekrachtigd. Lichamelijk, plaatselijk beperkt, aan tijd en ruimte gebonden verkeer, maakt dan plaats voor geestelijke, innerlijke, diepe, onverbrekelijke, eeuwige gemeenschap.

De veertig dagen zijn dus voor de jongeren allerbelangrijkst geweest. Zij werden in die tijd ingeleid in de gemeenschapsoefening met de wel levende, maar tevens verheerlijkte Heer. Zij werden gewend aan de gedachte, dat Christus straks op een andere wijze, in een andere morfh, zou gaan bestaan en werken.

En met de verschijningen liet Jezus ook telkens zijn woord en onderwijs gepaard gaan. Nadat Hij geleden had, heeft Hij niet alleen zichzelf met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang levend aan hen vertoond, maar Hij heeft ook tot hen gesproken van de dingen, die het koninkrijk Gods aangaan, Hand. 1:3, 10:40-42, 13:31. Al te dikwijls wordt dit onderwijs, dat Christus tussen opstanding en hemelvaart aan zijn discipelen gaf, over het hoofd gezien, maar het verdient al onze opmerkzaamheid. Wie er niet mee rekent, doet een kloof gapen tussen hetgeen Jezus zelf vóór zijn sterven leerde en hetgeen later door de apostelen verkondigd wordt. Dezen toch knopen aan bij dat onderwijs, dat bepaaldelijk ook in de veertig dagen door Jezus aan zijn jongeren verstrekt werd. Jezus verscheen niet slechts aan zijn discipelen, om hen nu voorts aan hun eigen nadenken en redenering over te laten, maar Hij heeft in die veertig dagen de betekenis van zijn dood en opstanding, van zijn persoon en werk veel helderder voor hen in het licht gesteld, dan Hij het vroeger kon doen. Want vóór zijn dood en opstanding begrepen zijn discipelen Hem niet; ieder ogenblik miskenden zij zijn bedoelingen. Zij zouden het pas hierna verstaan. Maar toen Jezus gestorven en opgestaan was, zelf in een andere gedaante aan hen verscheen en met hen sprak over de dingen van het koninkrijk Gods, toen leerden zij in die veertig dagen meer dan in de drie jaren, welke zij met Jezus hadden omgegaan: toen verstonden zij eerst de woorden, die Hij vroeger tot hen gesproken had.

Allerbelangrijkst waren de dingen, waarin Jezus hen nu nader onderrichtte1. Zij betroffen, om in het kort het voornaamste te noemen, de noodzakelijkheid en de betekenis van zijn lijden, Luk. 24:26-27, de verklaring van de profetieën van het Oude Testament in het licht van haar vervulling, Luk. 24:27, 44-46, de heerlijkheid en macht, waartoe Hij nu verheven werd, Matt. 28:18, en de blijvende tegenwoordigheid in zijn gemeente, Matt. 28:20, de toerusting van zijn apostelen tot het ambt van hun bediening, Mark. 16:17, 18, Luk. 24:48, Joh. 20:21-23, het herstel van Petrus, Joh. 21:15-17, de prediking van het Evangelie aan alle volken, Matt. 28:19, Mark. 16:15, Luk. 24:47, Hand. 1:8, de aard van het geloof in zijn naam, Mark.16:16, Joh. 20:29, de weldaden, die daardoor verkregen worden, Mark. 16:16, Luk. 24:27, de betekenis en bediening van de doop, Matt. 28:19, de toekomst van het Godsrijk, Hand. 1:7, de belofte van de Heilige Geest, Luk. 24:49, Hand. 1:4-5, zijn eigen Godheid, Joh. 20:28, en de volle openbaring van God als Vader, Zoon en Geest, Matt. 28:19.

Nadat Jezus op deze wijze zijn discipelen onderwezen en bekwaamd had, voer Hij op de veertigste dag ten hemel. Mattheüs en Johannes maken van deze gebeurtenis in het geheel geen melding. Markus vermeldt ze wel, maar kort en in een gedeelte, dat volgens velen niet tot het oorspronkelijk Evangelie heeft behoord, 16:19. Volgens het Evangelie van Lukas, 24:50, 51, leidde Jezus zijn discipelen uit naar Bethanië, hief zijn handen op en zegende hen, en scheidde toen van hen, diesth ap autwn, en werd opgenomen in de hemel, anefereto eiv ton ouranon (ten onrechte zijn deze laatste woorden door Tischendorf weggelaten). In de Handelingen geeft Lukas ons een meer uitvoerig bericht, Hand. 1:1-12; we vernemen dan, dat de hemelvaart plaats had veertig dagen na de opstanding, van de Olijfberg, een sabbatsreis van Jeruzalem, dat Jezus opgenomen werd onderwijl de discipelen het zagen, maar dat een wolk Hem wegnam van hun ogen enz. De gebeurtenis wordt in het passivum uitgedrukt, anefereto, Luk. 24:51, ephryh, Hand. 1:9, anelhfyh, Hand. 1:2, 11, 22, 1 Tim. 3:16, maar ook in het activum, als een scheiden, Luk. 24:51, heengaan, Joh. 13:3, 33; 14:28; 16:5v., 1 Petr. 3:22, of opvaren Ef. 4:8 voorgesteld; ze is dus zowel een daad van de Vader, als een eigen werk van de Zoon. Terwijl de berichten over de gebeurtenis zelf weinige zijn, is het Nieuwe Testament rijk aan indirecte getuigenissen. Jezus voorspelde ze zelf, Matt. 26:64, en zinspeelde er herhaaldelijk op, Joh. 6:62; 13:3, 33; 14:28; 16:5, 10, 17, 28; 17:24. Petrus maakte er bij zijn optreden in Jeruzalem telkens melding van, Hand. 2:33-34; 3:21; 5:31; verg. 1 Petr. 3:21. Stefanus zag de hemelen geopend en de Zoon des mensen staande ter rechterhand Gods, Hand. 7:56. Paulus maakt er herhaaldelijk gewag van, Hand. 13:30-37, Ef. 4:8-10, Phil. 1:23,2:9,3:20, Col. 3:1,1 Thess. 1:10; 4:14-16; 1 Tim. 3:16; in de brief aan de Hebreën komt ze meermalen voor, Heb. 2:9; 4:14; 6:19-20; 7:26; 9:24; 10:12-13; 12:2, en ook in de Openbaring van Johannes, Openb. 1:13; 5:6; 14:14; 19:11-16; 22:1. Er kan dus geen twijfel over bestaan, dat de hemelvaart, evengoed als de opstanding, van begin af aan een bestanddeel gevormd heeft van het geloof van de gemeente. Trouwens, evenals de hemelvaart ongerijmd wordt voor wie de opstanding ontkent, even natuurlijk en vanzelf sprekend is ze voor hem, die met de hele gemeente op grond van het apostolisch getuigenis aan Jezus’ opstanding gelooft. Vandaar, dat de hemelvaart als zodanig, als gebeurtenis op de veertigste dag na de opstanding, zo zelden in het Nieuwe Testament op de voorgrond gesteld, en ten nauwste met de opstanding verbonden wordt2. Maar het gaat daarom toch niet aan, om beide te vereenzelvigen, of het bericht aangaande de hemelvaart van Christus te verklaren uit de verhalen van het Oude Testament over Henoch, Mozes en Elia, of uit de apotheosen in de Grieks-Romeinse mythologie, of uit de legende van Boeddha3. Want de vereenzelviging van opstanding en hemelvaart wordt door de natuur van Jezus’ opstandingslichaam en door de beperkte reeks van zijn verschijningen verboden, en de mythologische verklaring vindt weerspraak in de soberheid, waarmee in het Nieuwe Testament van de hemelvaart gesproken wordt. Haar betekenis ligt daarin, dat Hij door de Vader is verhoogd en in de hemelen opgenomen is tot de tijden van de wederoprichting van alle dingen, Hand. 3:214.

De hemelvaart is de intrede tot die staat van heerlijkheid, welke Christus in de hemel deelachtig wordt en welke aangeduid wordt met de naam van zitting ter rechterhand Gods. Ook deze belijdenis neemt in het Nieuwe Testament een voorname plaats in. Zij is nauw verwant aan opstanding en hemelvaart, maar is er niet eenzelvig mee en wordt er duidelijk van onderscheiden. Hand. 2:32-34, 1 Petr. 3:21, 22, Rom. 8:34. Deze zijn zitting ter rechterhand Gods had Christus reeds voorzegd, Matt. 19:28, 22:44, 25:31, 26:64, en toen opstanding en hemelvaart hadden plaats gehad, wisten de discipelen van stonde af aan, dat Hij gezeten was aan de rechterhand Gods, Hand. 2:34; 7:56; zij maken er in hun brieven telkens melding van, Rom. 8:34, Ef. 1:20, Col. 3:1, Hebr. 1:3, 13; 8:1; 10:12; 12:2; 1 Petr. 3:22, Op. 3:21. In de uitdrukkingen is er soms een klein verschil. Nu eens wordt gezegd, dat de Vader Hem aan zijn rechterhand heeft doen zitten, Hand. 2:30, Ef. 1:20, en dan, dat Hij daar zelf is gaan zitten, Mark. 16:19, Hebr. 1:3, 8:10, 10:12, en er nu gezeten is, Matt. 26:64, Luk. 22:69, Col. 3:1, Hebr. 1:13; en dat gezeten zijn wordt in Hebr. 12:3 in het perfectum aangeduid en dus als een voortdurende toestand beschouwd. De plaats, waar Hij gezeten is, wordt aangewezen met de woorden: aan de rechterhand Gods (in de hemel) Mark. 16:19, Col. 3:1, Ef. 1:20, aan de rechterhand van de kracht (Gods), Matt. 26:64, Luk. 22:69, aan de rechterhand van de majesteit in de hoogste hemelen, Hebr. 1:3, op de troon van God, Hand. 2:30, aan de rechterhand van de troon van God, Hebr. 12:2, aan de rechterhand van de troon van de majesteit in de hemelen, Hebr. 3:1. Meestal wordt gezegd, dat Hij daar gezeten is, maar soms heet het eenvoudig, dat hij daar is, Rom. 8:34, 1 Petr. 3:22, en ook komt de uitdrukking voor, dat Hij daar staat, Hand. 7:56, dat Hij wandelt in het midden van de gouden kandelaren, Op. 2:1, en dat Hij bekleed is met een lang kleed en de borsten, als een dienstdoend priester, omgord heeft met een gouden gordel, Op. 1:13.

Of de rechterhand van God nu weer een bepaalde plaats in de hemel aanduidt, valt met zekerheid niet te zeggen. Sommigen hebben dit gemeend, omdat de troon van God toch weer in de hemel gedacht wordt en Christus als mens aan plaats gebonden is5. Doch wij hebben te bedenken, dat wij, van Gods rechterhand sprekende, niet onjuist, maar toch op menselijke wijze en in beeld ons uitdrukken, 1 Kon. 2:19, Ps. 45:10 [Ps. 45:9], Ps. 110:1, Matt. 20:21. De Christelijke kerk is zich hier steeds van bewust geweest, en heeft van nadere bepaling van de plaats van Christus’ verhoging zich onthouden. Dit echter ligt in de zitting aan Gods rechterhand zonder twijfel opgesloten, dat Christus verheven is tot de hoogste macht, waardigheid en eer, welke onder die van God Zelf denkbaar en bestaanbaar is. Engelen staan voor Gods aangezicht en bedekken zich het aangezicht, 1 Kon. 22:19, Jes. 6:2, en de priesters stonden elke dag, dienende in de tabernakel, Hebr. 10:11, maar de Zoon is gezeten aan Gods rechterhand, Hij heeft een macht ontvangen, welke niet met de almacht identiek is, maar toch alle macht omvat in hemel en op aarde. Hij werd een heerlijkheid deelachtig, welke niet aan de Goddelijke gelijk is, maar toch die van alle schepselen verre overtreft. En Hij ontving een waardigheid, welke alle knie in hemel, op aarde, en onder de aarde voor Hem zich buigen doet en alle tong belijden doet, dat Hij de Heer is tot heerlijkheid van God de Vaders. Thans zien wij nog wel niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, maar Hij is toch reeds met heerlijkheid en eer gekroond, en moet als Koning heersen, totdat Hij alle vijanden onder zijn voeten gelegd zal hebben, 1 Cor. 15:25, Hebr. 2:8-9. Zo is dit dan onze troost, dat wij zodanig een hogepriester hebben, die gezeten is aan de rechterhand van de troon van de majesteit in de hoogste hemelen, Hebr. 8:1. Er zit een Priester-Koning op de troon van het heelal, die zijn hoogste verhoging bij zijn wederkomst ten oordele nog tegemoet ziet; maar deze komt later bij de leer van de laatste dingen in behandeling.

1 R. Seeberg, Evangelium quadraginta dierum, Neue Kirchl. Zeits. 1905 bl 335-531.

2 De brief van Barnabas, c. 15, plaatst opstanding en hemelvaart op denzelfde Zondag (of op een verschillende Zondag?); maar daaruit volgt nog niet, dat beide hetzelfde zijn. Het Evang. Petri, c. 5, laat de hemelvaart, op docetische manier, reeds geschieden in het ogenblik van het sterven aan het kruis, maar schijnt in c. 12, daar waar het manuscript afbreekt, een verschijning van Jezus in Galilea te willen verhalen.

3 Dobsthütz, Ostern und Pfingsten. Eine Studie zu 1 Kor. 15. Leipzig 1903. A. Meyer, Die Berichte über Auferstehung, Himmelfahrt und Pfingsten, ihr geschichtl. Hintergrund und ihre relig. Bedeutung. Tübingen 1905. W. Brandt, Die Evang. Geschichte und der Ursprung des Christ. 1893. Kirsopp Lake, The historical evidence for the resurrection of Jezus Christ. bl. 230 v.

4 W. Schmidt, Christl. Dogm. II 394 v. Art. Ascension in Hastings, D. B, I 160, en Dict. of Christ I 124. Meyer op Luk. 24:51.

5 Meyer, op Mark. 16:19 en Ef. 1:20.

x
This website is using cookies. Accept