Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

404. Intensief is het werk van Christus van oneindige waarde, maar ook extensief breidt het zich tot heel de wereld uit. Gelijk de wereld het voorwerp is geweest van Gods liefde, Joh. 3:16, zo is Christus gekomen, om die wereld niet te veroordelen, maar te behouden, Joh. 3:17; 4:42; 6:33,51; 12:47; in Hem heeft God de wereld, alle dingen in hemel en op aarde, tot zichzelf verzoend, Joh. 1:29, 2 Cor. 5:19, Col. 1:20, en vergadert ze in deze bedeling tot één, Ef. 1:10; de wereld, door de Zoon geschapen, is ook voor de zoon als haar erfgenaam bestemd, Col. 1:16, Hebr. 1:2, Op. 11:15. Door Origenes werd hieruit afgeleid, dat Christus door zijn lijden en sterven de hele wereld verlost heeft, niet alleen alle mensen maar ook alle andere redelijke wezens, nl. de gevallen engelen, en voorts alle schepselen; Christus oi monon uper anyrwpwn apeyanen, alla kei uper twn loipwn logikwn1. Hij is wel slechts eenmaal gestorven, in de voleinding van de eeuwen, Hebr. 9:26, maar de kracht van zijn dood is genoegzaam tot verlossing, niet alleen van de tegenwoordige wereld, maar ook van die, welke vroeger bestaan heeft of later bestaan zal, en niet alleen van de mensen, maar ook van de hemelse geesten2. Dit universalisme is echter door alle Christelijke kerken eenparig verworpen, en feitelijk zijn deze altijd in zover particularistisch, dat zij ta panta in Col. 1:20 beperken en niet tot de gevallen engelen uitbreiden. Maar desalniettemin heeft men uit deze en andere plaatsen, waar het woord wereld of allen met de offerande van Christus in verband wordt gebracht, Jes. 53:6, Rom. 5:18; 8:32; 1 Cor. 15:22; 2 Cor. 5:15, Hebr. 2:9; 1 Tim. 2:4, 6; 2 Petr. 3:9; 1 Joh. 2:2, het besluit getrokken, dat Christus voor alle mensen, hoofd voor hoofd, voldaan had, en dat de satisfactio vicaria dus als universeel moest worden opgevat.

De kerkvaders vóór Augustinus spreken gemeenlijk zeer universalistisch over de heilswil van God en over de verzoening van Christus3, maar de eigenlijke kwestie bestond in die tijd nog niet en kon toen ook nog niet opkomen, omdat men aan Gods zijde alleen een praescientia aannam en aan de kant van de mens op zijn wilsvrijheid, schoon door de zonde verzwakt, de nadruk liet vallen4. In de pelagiaanse strijd moest zij echter aan de orde komen; en Augustinus was de eerste, die duidelijk de particuliere voldoening leerde. Wel zegt Augustinus meermalen met de Schrift, dat God aller zaligheid wil, dat, indien een voor allen gestorven is, allen gestorven zijn, dat wie verloren gaan, niet hebben willen geloven, dat wie gelooft, dat vrijwillig doet5, dat Christus een verzoening is voor de gehele wereld en alle dingen, hemelse en aardse, met elkaar verzoend heeft6. Maar dit alles bewijst hoegenaamd niets tegenover dit andere, door Augustinus even klaar en duidelijk uitgesproken, dat de heilswil van God en de verzoening in Christus beperkt is tot de praedestinati. Ten eerste volgt dit reeds in het algemeen uit Augustinus’ leer over de predestinatie en over de genade7; als het getal dergenen, die zalig zullen worden, eeuwig en onveranderlijk door God is bepaald en hun alleen de genade van het geloof en van de volharding geschonken wordt, dan is daartussenin de stelling niet meer te handhaven, dat Christus voor alle mensen hoofd voor hoofd heeft voldaan. Ten tweede vat Augustinus 1 Tim. 2:4 altijd op in beperkte zin; wel geeft hij van die tekst verschillende verklaringen, nu eens, dat omnes qui salvi fiunt nisi ipso volente non fiunt8, en dan, dat onder alle mensen te verstaan zijn alle praedestinati, die uit alle volken en klassen van het menselijk geslacht zijn verkoren9; maar overal, waar hij de tekst opzettelijk verklaart, verstaat hij hem in beperkte zin10. En ten derde brengt hij de persoon en het werk van Christus telkenmale alleen met de verkorenen in verband. God riep door Christus populum credentium tot de adoptie. Christus heeft door zijn opstanding nos praedestinatos tot een nieuw leven geroepen, door zijn bloed justificandos peccatores vrijgekocht; omnis, qui Christi sanguine redemptus est, homo est, non tamen omnis, qui homo est, etiam sanguine Christi redemptus est11. Non perit unus ex illis, pro quibus Christus mortuus est12.

Hoewel het semipelagianisme spoedig de overhand kreeg, bleven er toch velen ook op dit punt aan Augustinus getrouw. Met beroep op 1 Tim. 2:4 zeiden de Semipelagianen, dat God alle mensen met gelijke liefde omvat en allen een gelijke mate van genade toedeelt. Daarop antwoordde Prosper, dat omnium cura est Deo, et nemo est, quem non aut evangelica praedicatio aut legis testificatio aut ipsa etiam natura conveniat; Bed infidelitatem hominum ipsis adscribimus hominibus; fidem autem hominum donum Dei esse fatemur, sine cujus gratia nemo currit ad gratiam. En wat betreft de particulariteit van de voldoening, Christus is wel pro totius mundi redemptione crucifixus, propter veram humanae naturae susceptionem et propter communem in primo homine omnium perditionem; potest tamen dici pro his tantum crucifixus, quibus mors profuit13. Hoe gematigd dit uitgedrukt zij, alle volgelingen van Augustinus, Prosper, Lucidus, Fulgentius enz., stemden toch hierin overeen, dat, hoezeer God voor alle mensen zorgt en hun allerlei weldaden schenkt, Hij toch niet op gelijke wijze de zaligheid van allen wil; dat Hij niet allen eenzelfde mate van genade verleent; en dat Christus, schoon in zekere zin voor allen gestorven, toch efficaciter alleen gestorven is voor hen, wie zijn dood werkelijk ten goede komt. Maar de synode van Arles 475 dwong Lucidus tot herroeping van zijn leer, dat Christus alleen gestorven was voor hen, die werkelijk zalig worden. En de synode van Orange 529 sprak slechts uit, dat omnes baptizati kunnen vervullen, wat tot de zaligheid nodig is14. In de 9e eeuw kwam het vraagstuk opnieuw ter sprake; Gottschalk leerde, dat Christus baptismi sacramento (reprobos) luit, non tamen pro eis crucem subiit neque mortem tulit neque sanguinem fudit. Lupus zei, dat Christus niet voor alle mensen gestorven is, maar wel voor alle gelovigen, ook voor hen, die later het geloof weer verliezen. Remigius maakte een dergelijke onderscheiding. En de synode van Valence 855 sprak in dezelfde geest; zij verwierp, dat Christus zijn bloed had gestort etiam pro illis impiis, qui aroundi exordio usque ad passionem Domini in sua impietate mortui aeterna damnatione puniti sunt, en beleed, dat die prijs alleen betaald was voor hen, de quibus ipse Dominus noster dicht: sicut Moyses exaltavit serpentero in deserto, ita exaltari oportet Filium hominis, ut omnis qui credit in ipso non pereat sed habeat vitam aeternam15.

Ook de scholastiek bleef in hoofdzaak nog aan Augustinus getrouw; 1 Tim. 2:4 moet niet zo opgevat, alsof God wel wilde wat niet geschiedt, alsof Hij wilde, dat er ook behouden werden, die het feitelijk niet worden, maar deze tekst wil zeggen, nullum hominum fieri salvum nisi quem salvum fieri ipse voluerit, of dat er allerlei mensen uit alle volken en standen zalig zullen worden, of ook wel, meer in de zin van Damascenus, dat God aller zaligheid wil, nl. voluntate antecedente, conditionale, d.i. indien zij zelf willen en tot Hem komen, maar dan was deze wil toch weer magis velleitas quam absoluta voluntas16. En wat de satisfactie aangaat, de scholastiek leerde wel, dat zij superabundans was en geschiedde pro peccato humani generis, totius humanae naturae17, maar zij betoogde de mogelijkheid van de voldoening vooral daarmee, dat Christus het hoofd was en de gelovigen de leden van zijn lichaams, en bracht de voldoening daarom telkens alleen met de gelovigen in verband; zo zegt Thomas bijv., caputet membra suntquasi una persona mystica et ideo satisfactio Christi ad ommes fideles pertinet sicut ad membra18; quia ipse est caput nostrum, per passionem suam liberavit nos tanquam membra sua apeccatis, quasi per pretium suae passionis, sicut si homo per aliquod opus meritorium quod manu exerceret, redimeret se apeccato quod pedibus commisisset19. En elders zegt hij: passio Christi prodest quidem omnibus quantum ad sufficientiam, sed effectum non habet nisi in illis, qui passioni Christi conjunguntur per fidem et charitatem20. Dat deze efficacitas niet afhangt van de vrijen wil van de mens, maar van Gods verkiezing en Christus’ offerande zelf, blijkt in het algemeen uit Thomas’ leer van de gratia en bepaald ook daaruit, dat hij uitdrukkelijk zegt: passio Christi efficienter causat salutem humanam21, evenals ook Lombardus verklaarde: Christus electos tantum sicut se dilexit eorumque salutem optavit22, of op een andere plaats: Christus se trinitati obtulit pro omnibus, quantum ad pretii sufficientiam, sed pro electis tantum ad efficaciam, quia praedestinatis tantum salutem effecit23. Later werd ditzelfde gevoelen binnen de Roomse kerk voorgestaan door Bajus; Jansenius, Quesnel, en ook nog door Tapper, Estius, Sonnius en anderen in bescherming genomen24

Maar naarmate het semipelagianisme in de Roomse kerk en theologie veld won, kreeg deze voorstelling de overhand, dat God voluntate antecedente aller zaligheid wil en Christus voor allen liet voldoen, maar dat Hij in zijn voluntas consequens rekening hield met het goede of kwade gebruik, dat de mensen van hun vrijheid en van de aangeboden genade gemaakt hebben25. Van ouds was dit reeds de belijdenis van de Griekse kerk geweest26; en ofschoon Luther oorspronkelijk heel anders had geleerd en de Formula Concordiae de universele heilswil van God en het servum arbitrium van de mens unvermittelt naast elkaar liet staan, spoedig vond deze gedachte ook ingang in de Lutherse theologie; voluntate antecedente wil God ieders zaligheid, maar voluntate cousequente wil Hij die alleen van hen, van wie het geloof en volharding Hij vooruit heeft gezien27. Deze kerken hadden echter alle in hun klare en vaste belijdenis van de triniteit, de Godheid van Christus en de voldoening nog een tegenwicht, zodat het pelagiaanse beginsel niet onbelemmerd doorwerken kon. Maar dit veranderde bij de Socinianen, die al deze objectieve dogmata verwierpen, en later ook bij de Remonstranten. Arminius zelf en zijn medestanders wilden deze leerstukken eerst nog handhaven, en meenden dit ook te kunnen doen; het had de schijn, alsof zij de grote Christelijke waarheden vasthielden, en alleen tegen de Calvinistische overdrijvingen en buitensporigheden opkwamen. Maar dit bleek toch weldra anders28. Het tweede van hun artikelen: over de dood van Christus, stond met de vier overige in het allernauwste verband, en alle vijf tezamen brachten in hun consequentie een heel andere opvatting van heel het Christendom mee. Als toch van de offerande van Christus gezegd wordt, dat zij voor alle mensen is gebracht, ook voor hen, die vanwege hun ongeloof de vrucht van die offerande nimmer deelachtig worden, dan krijgt die offerande zelf een heel ander karakter, dan haar in de Schrift wordt toegekend. Zij is dan niet geweest een volkomen voldoening aan de eis van de goddelijke gerechtigheid, een equivalentie van de straf, welke de zondaar had verdiend, een verwerving voor hem van de feitelijke en werkelijke zaligheid; maar zij was dan niet meer dan een voorbeeldige straf, welke God om andere redenen dan zijn strenge gerechtigheid noodzakelijk en ook voldoende achtte (acceptilatie), en welke eigenlijk feitelijk niets voor de mens, maar alleen voor God het recht en de mogelijkeid verwierf, om “opnieuw met de mensen te handelen en nieuwe voorwaarden, zulke als Hij zou willen, voor te schrijven, van dewelke de volbrenging aan de vrije wil van de mens hangen zou”29. Daarmee werd verder de wet van haar absoluut karakter beroofd, geloof en bekering als een nieuwe wet opgevat, de verkiezing niet alleen na de voldoening geplaatst, maar ook van de wil van de mens afhankelijk gemaakt, en zelfs de Goddelijke natuur van de middelaar overbodig gemaakt. Want als de offerande van Christus alleen in de billijkheid en gepastheid, en niet in de eis van de gerechtigheid haar grond en maatstaf vond, waarom kon ze dan niet van die aard zijn, dat zij door een heilig en rechtvaardig mens ten volle gebracht kon worden? Al deze en dergelijke gevolgtrekkingen lagen in het beginsel van het Remonstrantisme opgesloten, en zij werden er langzamerhand uit afgeleid. De Arminianen werden op de Synode te Dordrecht veroordeeld; maar niet verslagen. Hun denkbeelden zijn ingedrongen in de Lutherse en in de Anglikaanse kerk, ze zijn overgenomen door allerlei godsdienstige richtingen, die in het Protestantisme van de officiële kerken zich hebben losgemaakt, door Baptisten, Wesleyaansche Methodisten, Kwakers, Deïsten, Hernnhutters30 enz., en zij hebben ook binnen de Gereformeerde kerken een machtige invloed uitgeoefend.

1 Origenes, in Joann. I 40.

2 Origeens, de princ. I 6. II 3, 5. Hem. in Lev. 13. Verg. Schwane, Dogmengesch. 12 254.

3 Verg. Petavius, de incarn. XIII c. 1. 2. M. Vitringa, Doctr. VI 147.

4 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 33 De raad Gods; 233.

5 Petavius, de incarn. XIII c. 3.

6 Kühner, Augustins Anschauung von der Erlösungsbedeutung Christi 1890 bl. 62.

7 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 33 De raad Gods; 234 v, en voorts M. Vitringa, Doct. VI 147 v.

8 Epist. 107. de Civ. Dei XIII 23.

9 Enchir. 103. de corr. et gr. 14. c. Jul. IV 8.

10 Verg. Petavius, de Deo XI 7, 10. de incarn. XII 4.

11 Conf. IX 1, de trin. IV 13. de conj. adult. 115.

12 Epist. 102 ad Exod. Verg. Wiggers, August. und Pelag. I 313.

13 Resp. ad cap. cal. Gall. 8. 9.

14 Verg. Petavius, de incarn. XIII c. 5-7. Schwane, D. G. II 2 571-582.

15 Petavius, de incarn XIII 8. M. Vitringa, Doctr. VI 149-151.

16 Lombardus, gent. idist. 46, 2, en ook in zijn uitlegging van 1 Tim. 2:4 Bonaventura, is. art. 1 qu. 1. Thomas, S. Theol. iqu. 19 art. 7. qu. 23 art. 4 ad 3.

17 Thomas, S. Theol. III qu. 46 art. 1.

18 Thomas, S. Theol. III qu. 48 art. 2.

19 Thomas, S. Theol. III 49 art. 1.

20 Thomas, S. Theol. III qu. 79 art. 7.

21 Tkomas, S. Theol. III qu. 48 art. 6.

22 Lombardus, Sent. III 31, 4.

23 Lombardus, gent. III 20, 3.

24 Verg. Rivetus, Op. III 438. M. Vitringa, Doctr. VI 155-159.

25 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 33 De raad Gods; 235 v, en voorts Trid. VI c. 2 en 3. Catech. Rom. I 3, 7. Innocentius X in damn. 5 propos. Jans. Bellarminus, de sacrif. missae I 25, de poenit. I 2, de amiss. gr. IV 4. Becanus, Manuale controv. III 1 qu. 1 Petavius, de incarn. XIII 14. Theol. Wirceb., Theol. IV 322. Scheeben, Dogm. III 356. Jansen, Prael. Theol. II 784 enz.

26 Damascenus, de fide orthod. II c. 29. Conf. orthod. qu. 34. 47.

27 Symb. Bücher, ed. Müller bl. 781. Gerhard, Loc. VII c. 6. Quenstedt, Theol III 311-324. Hollaz, Ex. bl. 745. Buddeus, Inst. theol. bl. 824. Verg. reeds Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 33 De raad Gods; 236v.

28 De Gereformeerden maakten daarom tussen vroegere en latere, gematigde en consequente Remonstranten onderscheid. Op de vraag: an Remonstrantes sint haeretici? geeft Amesius ten antwoord: Remonstrantium sententia, prout avulgo ipsis faventium recipitur, non est proprie haeresis, sed periculosus error in fide, ad haeresin tendens. Prout vero aquibusdam eorum defenditur, est haeresis Pelagiana, quia gratiae internae operationem efficacem necessariam esse negant ad conversionem et fidem ingenerandam, De Conscientia IV 4 qu. 4.

29 Dordsche Leerregels II. Verw. der dwal. 3, en verg. voorts over de Remonstranten: hun Conf. en Apol. Conf. VIII 10. Arminius, Op bl. 153. Episcopius, op 1 Joh. 2:2. Limborch, Theol. Christ. IV. c. 3-5.

30 M. Vitringa, Doctr. VI 174 v.

x
This website is using cookies. Accept