Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

549. De bewijzen voor de onsterfelijkheid van de ziel, aan historie en rede ontleend, geven geen afdoende zekerheid, maar zijn toch niet van belang ontbloot. In de eerste plaats is het al van betekenis, dat het geloof aan de onsterfelijkheid bij alle volken, op ieder trap van ontwikkeling voorkomt. De consensus gentium is hier even sterk als bij het geloof aan God1. De verschillende overwegingen, waaruit men het geloof aan de onsterfelijkheid afgeleid heeft, zoals bijv. uit de vrees voor de dood en de dorst naar het leven, de ervaringen van droom en extase, het raadsel van de dood en de onmogelijkheid, om zich een absolute vernietiging van het denkend wezen van de mens voor te stellen, de vrees voor de straf en de hoop op beloning2, kunnen het geloof aan de onsterfelijkheid wel a posteriori steunen en bevestigen, maar zij geven geen bevredigende verklaring van zijn ontstaan. Ook waar dergelijke overwegingen ontbreken of waardeloos worden geacht, komt toch het geloof aan de onsterfelijkheid voor. De wens, om voort te bestaan, is dikwijls bij vele mensen zwakker, dan die, dat met de dood aan het bestaan een einde kwam. De hoop op beloning verklaart het geloof niet bij hen, die alle zelfzucht afgestorven zijn en in de gemeenschap met God de hoogste zaligheid hebben gevonden. De gedachte aan vergelding is vreemd aan de voorstellingen van het voortbestaan als een schaduwachtig schimmenleven. Het raadsel van de dood doet niet, dan bij hoge uitzondering, tot de onsterfelijkheid van dieren en planten besluiten. En de ervaringen van droom en extase doven het besef niet uit van het wezenlijk onderscheid, dat tussen deze verschijnselen en het sterven bestaat. Veeleer hebben wij bij dit geloof aan de onsterfelijkheid van de ziel evenals bij dat aan het bestaan van God met een overtuiging te doen, die niet uit nadenken en redenering verkregen is, maar aan alle reflectie voorafgaat en spontaan uit de menselijke natuur opkomt. Het is vanzelfsprekend en natuurlijk en wordt overal aangetroffen, waar geen wijsgerige twijfelingen het ondermijnd hebben. Met het bewustzijn van het eigen, zelfstandig, individueel bestaan ontwaakt ook dat van de persoonlijke voortduur. Het zelfbewustzijn, niet het afgetrokken zelfbewustzijn, waarvan de psychologie handelt, maar het zelfbewustzijn van de mens als persoonlijk, zelfstandig, redelijk, zedelijk, godsdienstig wezen sluit overal en altijd het geloof aan de onsterfelijkheid in, dat daarom ook geen blote wens of begeerte, geen conclusie uit premissen is, maar een machtig, onuitroeibaar, tegen alle redenering en bestrijding zich handhavend getuigenis van de menselijke natuur zelf. En de zogenaamde bewijzen voor de onsterfelijkheid zijn niets anders dan verschillende pogingen, welke dit geloof in de weg van de redenering aanwendt, om zich bedenkende enigermate rekenschap van zichzelf te geven, zonder dat het daarvan ooit in werkelijkheid afhangt of zichzelf afhankelijk maakt. Daarin ligt hun kracht en tegelijkertijd hun zwakheid; getuigenissen zijn het van, geen gronden voor het geloof; het weten blijft ver achter bij het geloven.

Het ontologisch bewijs, dat uit de idee van de onsterfelijkheid tot haar waarheid besluit, overbrugt, evenmin als het ontologisch bewijs voor het bestaan van God, de kloof, die het denken scheidt van het zijn. Het formuleert alleen het besef, dat het geloof aan onsterfelijkheid bij de mens geen willekeur of toeval is, maar met zijn natuur is gegeven en in zedelijke zin voor hem noodzakelijk is. De mens ontleent de idee van de onsterfelijkheid niet aan de wereld om hem heen, want deze predikt hem niets dan vergankelijkheid en dood; maar zij wordt hem opgedrongen door zijn eigen natuur. Gelijk God zich niet onbetuigd laat, maar tot ons spreekt uit al de werken van zijn handen, zo dringt zich aan de mens uit zijn eigen wezen de overtuiging op, dat hij niet vergaat als de dieren van het veld. En dat beoogt het ontologisch bewijs aan te tonen; het overschrijdt de grens van het denken tot het zijn niet, maar het geeft uiting aan de algemeenheid, de noodzakelijkheid en de aprioriteit van het onsterfelijkheidsgeloof. Een stap verder gaat het metafysisch bewijs, dat uit de natuur van de ziel tot haar onsterfelijkheid concludeert. Het kan dit echter doen en doet het op verschillende wijzen. Men kan er op wijzen, dat de ziel als principe van het leven en met het leven identiek, onaantastbaar is voor de dood; of dat zij blijkens de eenheid van het zelfbewustzijn, een ondeelbare, eenvoudige eenheid vormt, alle samenstelling mist en daarom voor geen ontbinding vatbaar is; of dat zij, onder alle wisselingen van de stof en alle veranderingen van het lichaam, weer blijkens het zelfbewustzijn steeds met zichzelf identiek blijft en dus een van het lichaam onafhankelijk, zelfstandig bestaan en leven geniet; en langs deze verschillende wegen kan men dan trachten te komen tot het besluit, dat de ziel onsterfelijk is. Maar er zijn tegen dit argument zeer erustige bezwaren ingebracht. Al is de ziel ook een actief, levend principe, zij is toch nooit met het leven zelf identiek. God alleen is het leven zelf; Hij alleen is onsterfelijk, 1 Tim. 6:16. Indien de ziel blijft voortbestaan, kan dat alleen geschieden door Gods alomtegenwoordige en almachtige kracht. De ziel is een schepsel, en dus beperkt, eindig, relatief, nooit van alle passiviteit en samenstelling, van alle verandering en wisseling vrij. Trouwens wij zien het voor onze ogen, dat zij verandert, toeneemt of afneemt in kennis en kracht, afhankelijk is van het lichaam en allerlei invloeden ondergaat. En de subjectieve eenheid en identiteit van het ik bewijst volstrekt niet de objectieve eenheid en eenvoudigheid van de ziel of zou, indien zij deze bewees, ook de onsterfelijkheid van planten of althans van dieren bewijzen, gelijk deze dan ook consequent door Leibniz, Bonnet, Bilderdijk e.a. aangenomen werd. Tegenover deze bedenkingen staat nu weer het onweersprekelijke feit, dat het leven uit mechanische stofwisseling niet is te verklaren en op een eigen principe terugwijst. Omne vivum ex vivo is nog heden ten dage het laatste woord van de wetenschap. En wat van het leven in het algemeen geldt, geldt in nog sterkere mate van het bewuste leven; de primitiefste gewaarwording is reeds door een ondempbare kloof van elke zenuwtrilling gescheiden. Wij treden daarmee een heel nieuwe, hogere wereld in, die wezenlijk verschilt van die van de zinnelijke, tastbare, weeg- en meetbare dingen. Dat het leven en zo ook het bewuste leven aan de zinnelijke wereld gebonden en met haar ten nauwste verenigd is, was reeds lang bekend en is waarlijk geen ontdekking van de nieuwere wetenschap te noemen. Maar dat het in de zinnelijke wereld zijn oorzaak heeft, is wel menigmaal beweerd, maar tot dusver door niemand bewezen. Het metafysisch bewijs houdt zijn waarde, voor zover het uit de eigensoortige psychische verschijnselen tot een van de stof onderscheiden, zelfstandig, geestelijk principe besluit.

Toch blijft dan nog altijd het bezwaar bestaan, dat op dezelfde wijze bij planten of althans bij dieren geredeneerd en geconcludeerd worden kan, en dat hun onsterfelijkheid toch niet aannemelijk is. Daarom moet aan het metafysisch vervolgens het antropologisch bewijs worden toegevoegd, dat uit het eigenaardige van het psychische leven van de mens tot een van dieren en planten onderscheiden geestelijk bestaan besluit. De ziel van het dier, ofschoon ook eenvoudig en zelfstandig tegenover de wisseling van de stof, is op het zinnelijke gericht; zij is beperkt binnen het eindige; zij leert in het tegenwoordige; zij is zo gebonden aan het lichaam, dat zij daarbuiten niet kan bestaan. Maar de mens heeft niet alleen gewaarwording en waarneming, maar ook verstand en rede; door het denken gaat hij boven de zinnelijke, stoffelijke, eindige wereld uit; hij verheft zich tot het ideale, het logische, tot het ware, goede en schone, dat met de ogen niet gezien en met de handen niet getast worden kan; hij zoekt een duurzaam eeuwig geluk, een hoogste goed, dat deze wereld hem niet schenken kan, en is door dit alles burger en inwoner van een ander, hoger rijk dan dat van de natuur. Het redelijk, zedelijk, godsdienstig bewustzijn van de mens duidt op een psychisch bestaan, dat boven de zienlijke wereld uitgaat; wat krachtens zijn natuur het eeuwige zoekt, moet voor de eeuwigheid bestemd zijn. Daarbij komt nog het morele en het vergeldingsbewijs, dat de disharmonie aantoont, die er in dit leven tussen ethos en physis bestaat en daaruit tot een ander leven besluit, waarin beide verzoend zijn. Men kan hiertegen niet inbrengen, dat dit bewijs op egoïsme berust en dat de deugd haar loon en de zonde haar straf in zichzelf draagt3. Want dit wisten de vromen van alle eeuwen wel, dat God om zichzelf gediend worden moest en niet om enig loon4. Maar desniettemin hielden zij staande, dat zij, als zij alleen in dit leven op Christus hun hoop stelden, zij de ellendigste van alle mensen zouden zijn, 1 Cor. 15:17,19, 30,32. Want er is hier volstrekt niet de bevrediging van een zelfzuchtig verlangen in het spel, maar er is hiermee niet minder gemoeid dan de heerschappij en de triomf van het recht. De vraag, die aan het morele bewijs ten grondslag ligt, is deze: zal aan het einde het goede of het kwade, God of Satan, Christus of Antichrist het winnen? De historie geeft daarop geen afdoend antwoord. Van het standpunt van het Diesseits is er geen bevredigende verklaring van de wereld mogelijk; dan is er maar al te veel grond voor pessimistische vertwijfeling. En daarom eist het rechtsgevoel, hetwelk de rechtvaardige God zelf diep in het hart van de mens heeft geplant, dat er rechtsherstel komt aan het einde van de dagen, dat er harmonie is tussen deugd en geluk, tussen zonde en straf, dat de waarheid het eeuwig wint van de leugen en het licht van de duisternis. Al is terecht gezegd, dat le néant fut toujours l’horizon des mauvaises consciences, zelfs zij, die van een leven na dit leven niets goeds te hopen hebben, worden door hun rechtsbesef van de noodzakelijkheid van dit rechtsherstel overtuigd. Indien het recht niet zegepraalt aan het einde, dan is er geen recht. En indien God tenslotte niet blijkt, de overwinnaar van Satan te zijn, is het leven de moeite van het leven niet waard. Niet een egoïstische wens, maar een diep rechtsgevoel, de dorst naar harmonie, verlangen naar de volkomen verheerlijking van God, in wie heiligheid en zaligheid één zijn, komt in het morele bewijs tot uiting. Zelfs de kunst profeteert van zulk een toekomst, als zij het ideaal in zichtbare gestalte ons voorstelt. Al deze bewijzen, en in nog sterker mate die, welke aan de volmakingsvatbaarheid van de mens, aan zijn zedelijke persoonlijkheid, aan de vele onbewoonde sterren, aan de spiritistische verschijningen enz. worden ontleend, zijn geen bewijzen in die zin, dat zij alle tegenspraak tot zwijgen brengen, maar zij zijn toch getuigenissen en aanduidingen, dat het onsterfelijkheidsgeloof heel natuurlijk en spontaan uit de menselijke natuur zelf opkomt. Wie het ontkent en bestrijdt, doet zijn eigen natuur geweld aan. Der Gedanke an die Unsterblichkeit ist schon der erste Akt der Unsterblichkeit5.

1 Cicero, Tusc. 13.

2 Verg. Runze, art. Unsterblichkeit in PRE3 XX 294 v

3 Spinoza, Eth. v. 41, 42. Strausz, Gl. II 706 v.

4 Bijv. Calvijn, Inst. III 2, 26. 16, 2.

5 Von Baer bij Splittgerber, Tod, Fortlepen und Auferstehung2 1879 bl. 93. Over de onsterfelijkheid handelen verder o.a.: Steude, Die Unsterblichkeitsbeweise, Bew. d. Gl. 1903, 1904. Kneib, Die Unst. der Seele. Wien1900. Riemann, Was wissen wir über die Unsterbl. d. Seele. Magdeburg 1900. Keyserling, Unsterblichkeit. München 1907. Steinmann, Der relig. Unsterblichkeitsglaube. Leipzig 1908. Heinzelmann, Der Begriff der Seele und die Idee der Unsterbl. bei W. Wundt, Tubingen 1910. The proof of life af ter death. A collection of opinions as to a future life bij some of the worlds most eminent scientists and thinkers. Compiled and edited by Robert J. Thompson. London 1907. Henry Frank, Modern Light on immortality. London 1910. Mackay, Personal immortality in the light of recent science, North Am. Rev. June 1907 bl. 387-393. Art. van Josiah Royce in Hibbert J. July 1907, Lodge, Jan. April 1908. Eucken, July 1908. Jankelevitch, La mort et l’immortalité d’apres les données de la biologie, Revue philos. 1910 n. 4. Bruining, Het voortbestaan der menselijke persoonlijkheid na de dood. Assen 1904. Spiritistische bewijzen voor de onsterfelijkheid worden aangevoerd door Fred. W. H. Meyers, Human Personality and its survival of bodily death 1903. Lodge, The survival of man, Hibbert J. April 1910. Hesselink, Wetenschap en Onsterfelijkheid. Middelburg 1904. H. N. de Fremery, Wat gebeurt er met ons als wij sterven? Bussum 1910.

x
This website is using cookies. Accept