Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

550. Hoeveel waarde deze indicaties ook hebben mogen, welke natuur en geschiedenis ons bieden voor het geloof aan de onsterfelijkheid van de ziel, de Schrift neemt ten opzichte van deze leer een standpunt in, dat bij de eerste kennisneming niet anders dan bevreemden kan. De onsterfelijkheid van de ziel schijnt van de grootste betekenis te zijn voor godsdienst en leven; en de Schrift maakt er nooit met even zovele woorden gewag van; zij kondigt haar nooit als een Goddelijke openbaring af en stelt haar nergens op de voorgrond; en nog veel minder stelt zij ooit enige poging in het werk, om haar waarheid te betogen of deze tegenover haar tegensprekers te handhaven. Het is daarom te verklaren, dat er vroeger en later velen beweerd hebben, dat de leer van de onsterfelijkheid van de ziel in het Oude Testament, of althans in de oudste boeken daarvan in het geheel niet voorkwam en eerst van buiten af onder Israël werd ingevoerd1. Maar langzamerhand is men hiervan toch teruggekeerd, en tegenwoordig erkent men algemeen, dat Israël evenals alle volken wel terdege aan een voortbestaan na de dood heeft geloofd. Zelfs hebben in de laatste tijd velen trachten te betogen, dat oudtijds onder Israël evenals bij de andere volken de doden vereerd werden, en dus ongetwijfeld gedacht werden te bestaan. De bewijzen daarvoor ontleenden zij aan het bij een sterfgeval gebruikelijke ritueel, zoals het inscheuren van klederen en dragen van rouwgewaad, het bedekken van gelaat en hoofd, het afleggen van sieraden, bijzondere haardracht en zelfverminking, het werpen met stof en as, het niet wassen en zalven, het vasten en maaltijd houden, het aanheffen van klaagzangen en het brengen van offers, al welke gebruiken niet anders dan uit vroegere dodenverering verklaarbaar zouden zijn2. Maar Schwally moet zelf erkennen, dass in der Zeit, als Israël in die Geschichte eintritt, die animistische Naturreligion im Princip bereits überwunde ist3. En tegen zijn afleiding van de rouwgebruiken uit een oorspronkelijk animisme, hebben anderen zulke ernstige bezwaren in het midden gebracht, dat de hypothese van een oorspronkelijke dodencultus bij Israël eerst door andere en nieuwe bewijzen aannemelijk kan worden gemaakt. Toch is het duidelijk, dat er in Israël een groot onderscheid was tussen de volksgodsdienst, die allerlei bijgelovige en afgodische bestanddelen bevatte, en de dienst van de Heere, die door Mozes en zijn volgelingen voorgestaan werd. Het Jahvisme heeft die volksgodsdienst eensdeels tegengestaan, verboden en uitgeroeid, maar heeft anderzijds ook verschillende godsdienstige voorstellingen en gebruiken, die op zichzelf niet verkeerd waren, stil laten bestaan of overgenomen en gesanctioneerd4.

Bij zijn openbaring aan Israël heeft God zich aangesloten bij de historische omstandigheden, onder welke het leefde; de genade deed de natuur niet teniet, maar heeft ze vernieuwd en geheiligd. Zo is het ook gegaan met het volksgeloof in het voortbestaan na de dood. Reeds de gewoonte van het begraven en de grote betekenis, die daaraan gehecht werd, is van dat geloof een bewijs. Verbranding van de lijken was in Israël niet inheems; zij had alleen plaats na voltrokken doodstraf, Gen. 38:24, Lev. 20:14; 21:9; Jos. 7:15; uit 1 Sam. 31:12 en Am. 6:10 laat zich niets afleiden, omdat de tekst misschien gecorrumpeerd is of anders slechts van op zichzelf staande gevallen bericht; en 2 Chron. 16:14; 21:19; Jer. 34:5, handelen alleen over het verbranden van welriekende specerijen bij het begraven. Begrafenis werd echter op hoge prijs gesteld en wordt daarom telkens in het Oude Testament afzonderlijk vermeld; onbegraven te blijven, was een grote schande, 1 Sam. 17:44,46; 1 Kon. 14:11, 13; 16:4; 2 Kon. 9:10; Ps. 79:3, Pred. 6:3, Jes. 14:19,20; Jer. 7:33; 8:1; 9:22; 16:6; 25:33; Ezech. 29:5. Een gestorvene behoort niet meer in het land van de levenden; zijn onbegraven lijk wekt afschuw op; het vergoten bloed roept om wraak, Gen. 4:13; 37:26; Job 16:18; Jes. 26:21; Ezech. 24:7, omdat het bloed de zetel van de ziel is, Lev. 17:11; en daarom moet het gestorvene bedekt, verborgen, aan het oog onttrokken worden. Door de dood komen alle zielen in het dodenrijk, in de Scheol, lwav, een woord, dat van onzekere afleiding is en volgens sommigen komt van lav vragen, eisen, of ook invorderen, tot beslissing brengen, volgens anderen van lev, lwv, slap zijn, naar beneden hangen, zinken5. Deze Scheol bevindt zich in de diepte van de aarde, zodat men erin nederdaalt, Num. 16:30; Ps. 30:4, 10 [Ps. 30:3, 9]; 55:16 [Ps. 55:15]; Jes. 38:18, behoort tot de onderste plaatsen van de aarde, Ps. 63:10 [Ps. 63:9]; Ezech. 26: 20; 31:14; 32:18, ligt nog beneden de wateren en de grondvesten van de bergen, Deut. 32:22; Job 26:5; Jes. 14:15, en wordt daarom meermalen door het attribuut tytht, onderste, versterkt,. Deut. 32:22; Ps. 86:13; 88:7 [Ps. 88:6]. Daarom staat de Scheol ook met het graf of de kuil, rbq of rwb, in nauw verband; beide zijn niet identiek, want gestorvenen, die niet begraven zijn, bevinden zich toch in de Scheol, Gen. 37:33, 35; Num. 16:32;, maar evenals lichaam en ziel de éne mens vormen en ook na de dood nog in enige wederkerige relatie gedacht worden, zo zijn graf en Scheol niet los van elkaar te denken. Beide behoren tot de onderste plaatsen van de aarde, worden voorgesteld als de woning van de doden, en wisselen met elkaar herhaaldelijk af; de Scheol is het éne grote graf, dat alle graven van de gestorvenen omvat; het rijk van de doden, de onderwereld, en daarom ten onrechte in onze Statenvertaling dikwijls door hel overgezet. De Scheol toch is de plaats, waar alle gestorvenen zonder uitzondering samenkomen, 1 Kon. 2:2; Job 3:13v., Job 30:23; Ps. 89:49 [Ps. 89:48]; Jes. 14:9v., Ezech. 32:18; Hab. 2:5, en waaruit terugkeer niet dan alleen door een wonder mogelijk is, 1 Kon. 17:22; 2 Kon. 4:34; 13:21; het dodenrijk is als het ware een stad, die van gegrendelde poorten is voorzien, Ps. 9:14 [Ps. 9:13]; 107:18; Job 17:16 (tot de grendels van de onderwereld daalt mijne hope af), Job 38:17; Jes. 38:10; Mt. 16:18, en door haar macht, Ps. 49:16 [Ps. 49:15]; 89:49 [Ps. 89:48]; Hos.13:14, alle mensen als in een kerker gevangen houdt, Jes. 24:22. De Scheol is een eeuwig huis, Pred. 12:5; de vijanden van Israël, die er in nedergestort zijn, kunnen niet wederopstaan, Jes. 26:14; wie in het graf daalt, komt niet weer op, Job 7:9-10; 14:7-12; 16:22. Lijnrecht staat dit dodenrijk daarom tegenover het land van de levenden, Job 28:13 Spr. 15:24; Ezech. 26:20; 32:23v. Wel worden de gestorvenen als bestaand en levend gedacht; zij worden dikwijls zo voorgesteld en beschreven, als zij hier op aarde zich vertoonden, en worden daarom ook door elkaar herkend, en bij de ontmoeting ontroerd, 1 Sam. 18:14; Jes. 14:9v., Ezech. 32:18v. Ook is er sprake van binnenste, diep naar binnen gelegen kamers in de Scheol, Spr. 7:27; Ezech. 32:23, en bestaat er in zoverre onder de gestorvenen onderscheid, als elk tot zijn vaderen, Gen.15:15; Richt. 2:10, of tot zijn volk, Gen. 25:8, 17; 35:29; 49:29 verzameld wordt, en de onbesnedenen bij elkaar worden gelegd, Ezech. 32:19. Maar overigens wordt de Scheol altijd van zijn negatieve zijde, in tegenstelling met de aarde als het land van de levenden, beschreven. Hij is het gebied van de duisternis en van de doodsschaduw, Job 10:21-22; Ps. 88:13 [Ps. 88:12]; 143:3, de plaats van het verderf, ja het verderf zelf, Nwdba, Job 26:6; 28:22; 31:12; Ps. 88:12 [Ps. 88:11]; Spr. 27:20, zonder ordeningen, d.i. zonder vaste omtrekken en duidelijke onderscheidingen, Job 10:22, een land van de rust, van de stilte, van de vergetelheid, Job 3:13, 17,18; Ps.115:17, waar God en mensen niet meer te zien zijn, Jes. 38:11, God niet meer geprezen en gedankt, Ps. 6:6 [Ps. 6:5]; 115:17, zijn deugden niet meer verkondigd, Ps. 88:6, 12, 13 [Ps. 88:5, 11-12]; Jes. 38:18-19, en zijn wonderen niet meer aanschouwd worden, Ps. 88:11,13 [Ps. 88:10, 12], waar de doden niet met al weten, geen werk meer doen, geen berekening meer maken, geen wijsheid en wetenschap meer bezitten en hoegenaamd geen deel meer hebben aan al wat onder de zon geschiedt, Pred. 9:5, 6, 10. Zij zijn Myapr, van het adjectief hpr, slap, Job 26:5; Spr. 2:18; 9:18; 21:6; Ps. 88:11 [Ps. 88:10]; Jes.14:9, verzwakt, Jes.14:10, zonder kracht, Ps. 88:5 [Ps. 88:4].

Heel deze voorstelling van de Scheol is gevormd van uit het standpunt van dit aardse bestaan, en geldt slechts in tegenstelling met de rijkdom van leven, welke de mens hier op aarde geniet. Dan is het sterven inderdaad een verbreking van alle aardse banden, een dood-zijn voor het rijke leven op aarde, een rusten, een slapen, een stil-zijn, een niet-zijn in betrekking tot de dingen aan deze zijde van het graf. De toestand in de Scheol is geen vernietiging van het bestaan, maar toch een vreselijke levensvermindering, een beroving van al wat in dit leven de vreugde van het leven uitmaakt. Voor een beschouwing, die alleen het lichaam sterven laat en zich troost met de onsterfelijkheid van de ziel, is in het Oude Testament geen plaats. De hele mens sterft, als bij de dood de geest, Ps.146:4; Pred.12:7, of de ziel, Gen. 35: 18; 2 Sam. 1:9; 1 Kon. 17:21; Jon. 4:3, uit de mens uitgaat. Niet alleen zijn lichaam, maar ook zijn ziel verkeert in de staat van de dood en behoort aan de onderwereld toe; daarom kan er ook van een sterven van de ziel gesproken worden, Gen. 37:21; Num. 23:10; Deut. 22:20; Richt. 16:30; Job 36:14; Ps. 78:50, en van verontreiniging door aanraking van, de ziel van een dode, d.i. van een lijk, Lev.19:28; 21:11; 22:4 Num. 5:2; 6:6; 9:6, 7, 10; Deut. 14:1; Hagg. 2:13. Zoals de hele mens in de weg van de gehoorzaamheid voor het leven bestemd was, zo vervalt hij ook door zijn overtreding geheel, naar ziel en lichaam beide, aan de dood, Gen. 2:17. Deze gedachte moest diep ingeprent worden in het bewustzijn van de mensheid; en het werd ook in de oudheid door alle volken beseft, dat de dood een straf is, dat hij iets onnatuurlijks is, met het wezen en de bestemming van de mens in strijd. De openbaring, welke God aan Israël gaf, sluit zich daarbij dan ook aan; zij laat haar bestaan en neemt haar over, zoals zij zovele gebruiken en ceremonies overneemt (offerande, priesterschap, besnijdenis enz.); alleen reinigt zij haar van de onreine elementen, die er zich bij de volken allengs mee verbonden hadden, zoals de zelfverminking, Lev. 19:28; 21:5; Deut. 14:1, en het doden vragen, Lev. 19:31; 20:6, 27; Deut. 18:10-11. Maar de openbaring doet nog iets anders en meer. Zij handhaaft en versterkt niet alleen de tegenstelling, die er tussen het leven en de dood bestaat, maar zij brengt in dit leven zelf een nog scherpere tegenstelling aan. Dit leven toch is het ware leven niet, omdat het een zondig, onrein, door lijden gekweld en voor de dood bestemd leven is. Het wordt eerst leven in ware zin en krijgt eerst een wezenlijke levensinhoud door de dienst van de Heere en in de gemeenschap met God. Geheel in overeenstemming met de toenmalige bedeling van het genadeverbond en met de verkiezing van Israël tot volk van God, denkt het Oude Testament het verband tussen godsvrucht en leven zo, dat gene in een lang leven op aarde haar vrucht en haar loon ontvangt, Ex. 20:12; Deut. 5:16, 29; 6:2; 11:9; 22:7; 30:16; 32:47 enz. In de algemeen bekende, natuurlijke tegenstelling van leven en dood weeft zich een andere, zedelijke, geestelijke tegenstelling in, die nl. tussen een leven in de dienst van de zonde en een leven in de vreze van de Heere. Aan het kwade is de dood, aan het goede is het leven verbonden. Deut. 30:16. Zij, die met geweld de wijsgerige leer van de onsterfelijkheid van de ziel in het Oude Testament hebben willen vinden, hebben de openbaring van God aan Israël niet verstaan en Westerse ideeën ingelegd in de religie van het Oosterse volk. Veelmeer naar waarheid zegt Pfleiderer: was man oft für eine Schwäche der prophetischen Jahvereligion Israëls gehalten hat (nl. dat het Jenseits er zo geringe plaats in bekleedt), ist in Wahrheit ihre auszeichnende Stärke gewesen; der lebendige Gott, der in geschichtlichen Thaten sich offenbart, hat nichts gemein mit den Schatten des Scheol6. De God van Israël is niet een God van de doden, maar van de levenden.

Daarom richtte de verwachting van het vrome Israël zich bijna uitsluitend op de aardse toekomst van het volk, op de verwerkelijking van het Godsrijk. De vraag naar de toekomst van de individuele personen in de Scheol trad daarbij geheel op de achtergrond. God, volk en land waren onlosmakelijk met elkaar verbonden, en de individuen waren in dat verbond opgenomen en werden daarnaar gerekend. Eerst als Israël na de ballingschap een godsdienstige gemeente wordt en de religie zich individualiseert, dan dringt de vraag naar ieders toekomstig lot zich op de voorgrond; de geestelijke tegenstelling, welke de openbaring in de natuurlijke ingeweven had, werkte door; de onderscheiding van rechtvaardigen en goddelozen verving hoe langer hoe meer die van Israël en de volken, en zette zich voort ook aan de overzijde van het graf. De gegevens daarvoor waren trouwens ook reeds in de openbaring van vroeger tijd aanwezig. De mens, die God dient, blijft leven, Gen. 2:17; aan de onderhouding van zijn geboden is het leven verbonden, Lev. 18:5; Deut. 30:20;, zijn woord is het leven, Deut. 8:3; 32:47. In de Spreuken wordt onder leven wel dikwijls lengte van dagen verstaan, Spr. 2:18; 3:16; 10:30, maar opmerkelijk is toch, dat zij dood en Scheol meestal alleen in verband brengen met de goddelozen, Spr. 2:18; 5:5; 7:27; 9:18, en daartegen het leven bijna uitsluitend aan de rechtvaardigen toekennen. De wijsheid, de gerechtigheid, de vreze des Heere is de weg ten leven, Spr. 8:35-36; 11:19; 12:28; 13:14; 14:27; 19:23, de goddeloze wordt omgestoten, als hem ongeluk treft, maar de rechtvaardige behoudt ook in zijn dood nog vertrouwen en troost, Spr. 14:32. Zalig is hij, die de Heere tot zijn God heeft, Deut. 33:29; Ps. 1:1; 2:12; 32:1-2; 33:12; 34:9 enz., ook in de zwaarste tegenspoeden, Ps. 73:25-28; Hab. 3:17-19; daarentegen komen de goddelozen om en nemen een einde, ook al genieten zij tijdelijk nog zoveel voorspoed, Ps. 73: 18-20. Van dit standpunt uit verwachten de vromen niet alleen bevrijding van druk en tegenspoed in de tijd, maar dringen zij met het oog van het geloof ook menigmaal door tot de overzijde van het graf en verwachten een zalig leven in de gemeenschap met God. De plaatsen, die hiervoor gewoonlijk bijgebracht worden, Gen. 49:18; Job 14:13-15; 16:16-21; 19:25-27; Ps. 16:9-11; 17:15; 49:16 [Ps. 49:15]; 73:23-26; 139:18, zijn van onzekere uitlegging, en slaan volgens velen alleen op tijdelijke redding van de dood. Maar al zou dit ook het geval zijn, heel het Oude Testament leert, dat God Schepper is van hemel en aarde, dat zijn macht geen grenzen kent en dat Hij ook volstrekte heerschappij bezit over leven en dood. Het is God de Heere, die de mens het leven heeft geschonken, Gen. 1:26; 2:7, en nog ieder mens, gelijk al wat bestaat, schept en onderhoudt, Job 32:8; 33:4; 34:14; Ps. 104:29; Pred.12:7. Hij verbindt vrijmachtig aan zijn wet het leven en bepaalt op haar overtreding de dood, Gen. 2:17; Lev. 18:5 Deut. 30:20,32:47. Hij woont in de hemel, maar is ook met zijn Geest in de Scheol tegenwoordig, Ps. 139:7-8. Scheol en abaddon liggen naakt en open voor de Heere uitgebreid, evenals de harten van de mensenkinderen, Job 26:6; 38:17; Spr. 15:11. De Heere doodt, behoudt in het leven en maakt levend, doet in de Scheol nederdalen en daaruit weer opkomen, Deut 32:39; 1 Sam. 2:6; 2 Kon. 5:7. Hij heeft uitwegen voor de dood, kan bevrijden, als de dood reeds dreigt, Ps. 68:21 [Ps. 68:20]; Jes. 38:5; Jer. 15:20; Dan. 3:26, enz., kan Henoch en Elia zonder de dood tot zich nemen, Gen. 5:24; 2 Kon. 2:11, en gestorvenen in het leven terug doen keren, 1 Kon. 17:22; 2 Kon. 4:34; 13:21. Hij kan de dood te niet doen en door opwekking van de doden over diens macht volkomen triomferen, Job 14:13-15;19:25-27; Hos. 6:2; 13:14; Jes. 25:8; 26:19 Ezech. 37:11-12; Dan.12:2.

1 Stade, Gesch. d. Volkes Israël I 387-427. Id., Ueber die altt. Vorstellungen vom Zustande nach dem Tode 1877. Schwally, Das Leben nach dem Tode nach de Vorstellungen des alten Israël usw. Giessen 1892. Oort, De doodenvereering bij de Israëlieten, Theol. Tijdschr. 1881 bl. 358-363. Matthes, Rouw en doodenvereering bij Israël, T.T.T. 1905 bl. 1-30. Id., Twee Israël. rouwbedrijven, ib. 1910 bl. 145-169.

2 Schwally, t.a.p. bl. 75.

3 Joh. Frey Tod, Seelenglaube und Seelenkult im alten Israël. Leipzig 1898. Carl Grüneisen, Der Ahnenkultus und die Urreligion Israëls. Halle 1900. Meusel, War die vorjahw. Religion Israëls Ahnenkultus? Neue kirchl. Zeits. 1905 bl. 484 v. Sidney Zandstra, The theory of ancestor worship among the Hebrews, The Princeton Theol. Rev. April 1907.

4 Wildeboer, Jahvedienst en volksreligie in Israël 1898.

5 Delitzsch, Neuer Comm. über die Genesis 444. Atzberger, Christl. Eschat 24.

6 Pfleiderer, Religionsphilos. 616.

x
This website is using cookies. Accept