Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

55. Reeds tegen het einde van de 16e eeuw kwam in de Gereformeerde theologie de scholastische methode op. De eenvoudige behandeling van de dogmata, zoals we die bij Calvijn, Hyperius, Sohnius aantreffen, kon op den duur niet voldoen. Bij Martyr, Sadeel, Junius treffen we al bekendheid aan met de vraagstukken, die in de Middeleeuwen door de scholastici werden behandeld. Vooral Zanchius, gestorven 1590, is in zijn werken, De tribus Elohim, de natura Dei, de operibus Dei, de incarnatione (Opera Omnia in 8 tomi, Genève 1619) en Polanus a Polansdorf, gestorven 1610, in zijn Byntagma Theologiae met de theologie van de kerkvaders en van de scholastici uitnemend vertrouwd. Op schoolse manier wordt dan de dogmatiek in de Gereformeerde kerken in deze eeuw behandeld, in Nederland door Trelcatius Jr., Scholastica et methodica locorum omnium S. Scr. institutio 1604, Nerdenus, Bystema theol. 1611, Maccovius, Collegia theologica 1623, ed. 3a 1641, Loci Comm. Theol. 1626, Fr. Gomarus, Opera theol. omnia Amstel. 1664, Gisb. Voetius, Disputationes sel. 5 partes, Ultraj. 1648-59, en elders vooral door J. H. Alsted, prof. te Herborn en Weissenburg, gestorven 1638, Theol. scholastica didactica, exhibens locos communes theol. methodo scholastica 1618. De scholastieke methode vond echter lang niet algemeen instemming. Maccovius kreeg op de Dordsche Synode de vermaning, ut cum Spiritu Sancto loquatur, non cum Bellarmino aut Suarezio1. De twist van Maccovius met Lubbertus en Amesius2 en van Maresius tegen Voetius had in dezelfde scholastieke methode haar grond. Maresius noemde Voetius een theologus paradoxus, telde niet minder dan 600 paradoxa in zijn theologie op, en beschuldigde hem vooral dat hij lacum asphaltidem scholasticorurn derivare in fontem Siloe3. Maar ook waar men voor wijsgerige terminologie, scholastieke distincties en ijdele schoolse vragen zich wachtte en de waarheid in meer eenvoudige vorm voordroeg, was de 17e eeuw toch de eeuw van de objectiviteit. De stof lag gereed, ze behoefde alleen geordend te worden. De traditie werd een macht. Niet alleen de Schrift, maar ook de belijdenis, ja zelfs de dogmatische behandeling kreeg een onaantastbare autoriteit en deed Camero de klacht slaken, dat men in de leer niet afwijken kon απο των δοκουντων ειναι στυλοι, zonder vervolgd te worden4. De voornaamste godgeleerden in ons land waren Polyander, Walaeus, Thysius en Rivetus, schrijvers van de Synopsis Purioris theologiae, Trigland, Hoornbeek te Leiden; Maccovius, Acronius, Amesius, Schotanus, Bogerman, Cloppenburg, Arnoldus te Franeker. Ravensperger, Gomarus, H. Alting, Maresius te Groningen; Voetius, Essenius, Mastricht, Leydecker te Utrecht; verder Bucanus te Lausanne, Wollebius te Bazel; Danaeus, Franc. Turretinus en B. Pictet te Genève; J. H. Heidegger en J. H. Hottinger te Zurich. Chamier, Bérault, Garissoles te Montauban; Tilenus, Dumoulin, Beaulieu te Sedan; voorts Benj. Basnage, David Blondel, Sam. Bochartus, Jean Mestrezat, Charles Drelincourt, Jean Daillé en vooral de theologen te Saumur Camero, Amyraldus, Cappellus, Placaeus.

In Engeland won in de 17e eeuw de hoogkerkelijke en arminiaanse richting veld; zij vond steun bij de Stuarts, bij de aartsbisschoppen, bij de adel, en werd bevorderd door Bancroft, de opvolger van Whitgift 1604-1610, die in een preek in het jaar 1589 het episcopaat als noodzakelijk verdedigde, en verder door Buckingham 1625-28, aartsbisschop Laud 1628-45 en Lord Clarendon, gestorven 1674. Daartegen waren er nog vele theologen in de Anglikaansche kerk, die wel het Episcopalisme verdedigden maar toch trouw aan het Calvinisme bleven. Zo Whitgift, aartsbisschop van Canterbury, 1583-1604, raadsman van Elizabeth, aartsbisschop Abbot 1604-1633, 1622 in ongenade gevallen, de afgevaardigden van de Dordtse Synode Carlton, Hall, Davenant, prof. in Cambridge, later bisschop van Salisbury en schrijver van Determinationes quaestionum quarundam theologicarum, Cambr. 1634, Ward, Goad, Balcanqual en voorts mannen als Burton, Warton, Prynne, Rouse, Preston, Usher, Corpus theologiae5 Dublin 1638, Morton, Joh. Prideaux, Lectiones theologicae, Scholasticae theologiae syntagma 1651, Saunderson, Hammond, Westfield, Stillingfleet 1709, Tillotson aartsb. van Canterbury, John Pearson, Exposition of the Creed 1659, Lectiones de Deo et ejus attributis, Burnet, gestorven 1715 prof. in Glasgow, later bisschop van Salisbury, An exposition of the 39 articles, Roger Boyle, Summa theologiae christ. Dubl. 1687, J. Forbesius a Corse, prof. te Aberdeen, Instructiones histor. theol. de doctrina christ. 1699, Thomas Pierce, Pacificatorium orthodoxae ecclesiae corpusculum 1685, Foggius, Theol. speculativae schema 1712, W. Beveridge, Thesaurus theol. or a complete system of divinity Lond. 1710-11, Th. Bennet, Instructions for studying 1 a general system or body of divinity, 2 the 39 articles of religion. Lond. 1715. Onder de Puriteinen zijn uit deze periode vooral bekend Bradshaw, Raynolds, Baynes, Byfield, Rogers, Hooker, White, Archer, Hildersham, Davenport, Lighfoot, Seldenus, Twissus, Calamy, Gataker, Baxter, Bates, Mead, Owen enz. Het Arminianisme had in Engeland, zowel onder de dissenters als onder de Anglikanen, grote invloed. En daarnaast werd uit Frankrijk ook het Amyraldisme in Engeland overgebracht. Beide vloeiden dikwijls samen en vonden hun vereniging in de neonomiaansche theorie, die tot een belangrijke en langdurige strijd aanleiding gaf. De neonomianen legden de grond van de rechtvaardiging in het geloof, zoals b.v. de Arminiaan John Goodwin, de vriend van Milton, in zijn The banner of justification displayed, Imputatio fidei 1642, Richard Baxter, Justifying Righteousness, Dr. Dan. Williams, Works 1750, Benj. Woodbridge, The method of grace in the justification of sinners 1656. Daartegenover stonden anderen, die ten onrechte anti-nominianen werden genoemd maar eigenlijk anti-neonomianen moesten heten en de grond van de rechtvaardiging alleen stelden in de toegerekende gerechtigheid van Christus, zoals Dr. Crisp, Dr. Tully, Justificatio paulina sine operibus 1677, Isaac Chauncy, Neonomianism unmasked 1692, Id. Alexipharmacon, a fresh antidate against neanomian bane 1700, John Eaton, The haneycombe of free justification by Christ alone 1642, William Eyre, Vindiciae justificationis gratuitae 1654 en anderen6. Over het algemeen genomen, lag echter het zwaartepunt van de Engelse theologie niet in de dogmatische maar in de bijbelse, kerkhistorische, patristische, archaeologische en praktische studies. De staatkundige en kerkelijke verhoudingen gaven daar vanzelf aanleiding toe7.

Rijker en krachtiger was naar verhouding het dogmatisch leven in Schotland. Hier had het Calvinisme een geschikte bodem gevonden en werd het in strenge, positieve geest verder ontwikkeld. De voornaamste theologen in deze periode waren: Rollock, sedert 1583 principal van de universiteit te Edinburgh, schrijver van commentaren op de brieven van Paulus, de Psalmen, Daniël en vooral ook van een verhandeling over de krachtdadige roeping. John Welsh, van Ayr, die tegen het Romanisme schreef. John Sharp, die een harmonie van de profeten en de apostelen in het licht gaf; de gebroeders Simpson, Patrick, die een kerkgeschiedenis gaf, William, die over de Hebr. accenten schreef, en Archibald, die een uitlegging gaf van de zeven boetpsalmen; Boyd of Trochrigg, prof. te Saumur, in 1614 principal van de universiteit te Glasgow, beroemd door zijn commentaar op den brief aan Efeze, die niet alleen een uitleg geeft maar een ware thesaurus is en allerlei dogmatische en theologische excursen bevat, over triniteit, predestinatie, vleeswording, zonde, doop enz.; David Calderwood, die hier te lande vertoefde en zijn Altare damascenum tegen het anglikaansche episcopaat schreef; Samuël Rutherford, prof. te St. Andrews, bekend door niet alleen zijn Brieven, maar ook door vele andere werken, Exercitationes apol. pro divina gratia 1637, de Providentia, Examen Arminianismi, The spiritual Antichrist enz.; George Gillispie, schrijver van Nihil respondes. Male audis, Aaron’s Rod blossoming, Miscellanies. en voorts nog Baillie, Dickson, Durham, Dr. Strang, James Wood, Patrick Gillespie, Hugh Binning en anderen8. Deze positieve ontwikkeling van de Gereformeerde dogmatiek bereikt in zekere zin haar hoogte- en tegelijk haar eindpunt in de canones van Dordrecht 1618/19, in de confessie en de catechismus van Westminster 1646, in den Consensus Helveticus 1675, en de Walchersche artikelen 1693.

1 Heringa, De twistzaak van Maccovius. Archief voor Kerk. Gesch. III 1831 bl. 505 v. A. Kuyper Jr., Johannes Maccovius. Leiden 1899 bl. 82 v.

2 Archief v. Kerk. Gesch. t. a. p. bl. 643. Van der Tuuk, Johannes Bogerman bl. 229 v. H. Visser, Guil. Amesius, Haarlem 1894 bl. 125 v. A. Kuyper Jr. t. a. p. bl. 315 v.

3 Maresius, Theologus paradoxus retectus et refutatus 1649. Verg. Voetius daartegen, Disput. Bel. V. 572-716.

4 Schweizer, Centraldogmen II 237.

5 In het Nederl. vertaald door Ruytingius, ‘t Lichaam der Godd. leer. Amst.1656

6 Verg. Witsius, Misc. Sacra II 753 v. James Buchanan, The doctrine of justification, Edinburgh Clark 1867 bl. 176, 464. Gass, Gesch. der protest. Dogm. II 324 III 311.

7 Gass, Gesch. der protest. Dognm. III 297 v. Ypey, Syst. Godg. II 268 v. Voorts in het algemeen over deze periode: Weingarten, Die Revolutions-Kirchen Englands 1868. Neal, Historie der Puriteinen, Rott. 1752 v. Marsden, History of the early and later Puritans from the reformation to the ejection of the nonconf. clergy in 1662. 2 vol. London 1852. J. Gregory, Puritanism in the old world and the new, from its inception to the establishment of the Puritan theocracy in New England. Londen J. Clarke 1895. E. H. Byington, The Puritans in England and New England. Introd. by A. Mackenzie, London Low 1896. Dr. Stoughton, History of religion in England from the opening of the long parliament to the end of the 18th century. 8 vol. 1881. Dr. TuUoch, Rational theology and Christian theology in England in the 17th century, 2 vol 1872. Art. Anglikanische Kirche, Puritaner in PRE3.

8 Verg. James Walker, The theology and theologians of Scotland. Edinburgh Clark 1872. Buckle, History of civilization in England 5 vol. Leipzig 1865 ch.17-20.

x
This website is using cookies. Accept