Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

56. Maar reeds in de 17e eeuw waren de beginselen aanwezig, die de Gereformeerde theologie ondermijnden en tot verval brachten. In de hervormingseeuw was er niet alleen een Lutherse en Calvinistische Reformatie, maar daarnaast traden behalve de Humanisten, die niet door een religieus-ethisch, maar alleen door een intellectueel en esthetisch beginsel in verzet kwamen tegen Rome’s kerk en theologie en daarom ook in de herleving van de Grieksch-Romeinsche cultuur een middel zagen tot harmonische ontwikkeling van den mens, nog twee andere partijen op, nl. de Wederdopers en de Socinianen, die juist in de Gereformeerde kerk en theologie in Zwitserland, Nederland, Engeland, Amerika te allen tijde van grote invloed zijn geweest. Zij vertegenwoordigen het mystieke en het rationele element in de religie en de theologie. Het Socinianisme blijft gevangen in de Roomse scheiding van natuur en genade, en werkt die tot een tegenstelling uit, waarin de natuur de genade ten slotte geheel verbant. De stof staat van eeuwigheid naast en tegenover God; de mens, omdat aards uit de aarde, heeft niets met God gemeen dan de heerschappij, de macht, de vrijen wil, niet echter de kennis, de gerechtigheid, het leven; veeleer was de mens van nature sterfelijk. Christus, die door een raptus in coelum buitengewone openbaringen ontving, was dan ook alleen een profeet, die zijn leer met den dood bezegelde en door zijn opstanding de onsterfelijkheid verwierf. Deze schenkt Hij als koning en priester, hetgeen hij eerst door zijn hemelvaart geworden is, aan allen, die Hem dienen in geloof, vertrouwen en gehoorzaamheid, terwijl de anderen eenmaal ophouden te bestaan1. Het Anabaptisme gaat van dezelfde grondgedachte uit: het natuurlijke en het bovennatuurlijke, het menselijke en het Goddelijke staan onverzoenlijk naast elkaar. Maar terwijl het Socinianisme de genade prijsgeeft voor de natuur, offert het Anabaptisme de natuur op aan de genade. Adam was aards uit de aarde de schepping en heel de natuur is van een lagere orde, stoffelijk, lichamelijk, vleselijk, onrein. Christus brengt echter uit den hemel een andere, hogere menselijke natuur mede, stort in de wedergeboorte een nieuwe substantie in de mensen in, en bewerkt daardoor, dat zij andere mensen zijn, die met de ongelovigen, de wereld, den staat enz. hoegenaamd geen gemeenschap meer mogen onderhouden2. Beide richtingen werkten het subjectivisme, de breuk met de autoriteit, de autonomie van den mens in de hand. Hier te lande trad dit het eerst duidelijk in het Arminianisme aan het licht, hetwelk al in de 16e eeuw in Coolhaes, Coornhert, Wiggers e.a. zijn voorlopers had, aan het Socinianisme verwant was, en in het begin van de 17e eeuw stelselmatig in verzet kwam tegen de belijdenis van Gods volstrekte soevereiniteit op vijf punten, de predestinatie, de voldoening, ‘s mensen verdorvenheid, de bekering en de volharding3.

Deze geestesrichting kwam op wijsgerig gebied tot uiting in het Cartesianisme, dat in beginsel een volkomen emancipatie was van alle autoriteit en objectiviteit, en de gehele kosmos erkenntnistheoretisch uit het subject, uit zijn denken, trachtte op te bouwen. Cogito, ergo sum, ergo mundus, ergo Deus est. Het verwerpen van alle traditie en de schijnbaar zekere, mathematische methode, waarmee Cartesius tot het bestaan van de wereld, van God, van den geest besloot, behaagde aan velen. Cartesius kreeg vele aanhangers, ook onder de theologen. Renerius en Regius in Utrecht, Raey, Heerebord, Abr. Heydanus in Leiden, en verder Roell, Bekker, Joh. v. d. Waeyen, Hautecour, Andala, namen het Cartesianisme over en droegen het rationalisme in de kerk in. De verhouding van rede en openbaring werd nu de voornaamste kwestie; de rede emancipeerde zich van de openbaring en trachtte haar zelfstandigheid te herwinnen. Daarbij kwam nog het Coccejanisme, dat inderdaad aan het Cartesianisme in methode verwant was. Het Coccejanisme was ook een reactie tegen de traditionele theologie en kwam dan ook spoedig tegen het einde van de eeuw met het Cartesianisme in verbond. Het nieuwe in Coccejus, gestorven 1669, was niet zijn verbondsleer, gelijk nu algemeen erkend wordt, want deze komt reeds bij Zwingli, Bullinger, Olevianus enz. en hier te lande bij Snecanus, Gomarus, Trelcatius, Cloppenburg en anderen voor, maar zijn foederalistische methode. Coccejus’ Summa doctrinae de foedere et testamento 1648 was een bijbelsch-historische dogmatiek, maakte de Schrift niet alleen tot principe en norma maar ook tot voorwerp van de dogmatiek, en plaatste zo de theologia scripturaria tegenover de theologia traditiva, het foedus tegenover het decreet, de historie tegenover de idee, de antropologische methode tegenover de theologische; het gevaar van deze methode bestond daarin, dat zij het eeuwige, onveranderlijke (substantia foederis) neertrok in den stroom van het tijdelijke, historische (oeconomia foederis) en zo op God zelf de idee van het worden overbracht. Maar velen volgden de Coccejaansche methode, Heydanus, Wittichius, Momma, Burman, Braun, Van der Waeyen, Witsius, Camp. Vitringa, S. van Til, Joh. d’Outrein, F. A. Lampe e.a.4. De strijd van Voetianen en Coccejanen en daarna die van groene en dorre, vrije en stijve Coccejanen duurde tot diep in de 18e eeuw voort. Ze eindigde feitelijk met een overwinning van het Coccejanisme en het Cartesianisme. De scholastiek had haar tijd gehad, de bloei van de Aristotelische filosofie was voorbij. De meeste katheders werden met Coccejanen bezet. De komst van Lampe te Utrecht 1720 was een overwinning van de Coccejanen. De dogmatische handboeken, die nu het licht zagen, zijn meest Coccejaans, Melchior, Systema 1685. C. Vitringa, Korte grondstellingen der Godg. 1688. S. van Til 1704. T H. v. d. Honert, Waeragtige wegen Gods 1706. Ravestein 1716, J. v. d. Honert 1735 enz. In hoofdzaak zijn ze nog orthodox, maar ze zijn meest klein van omvang, vermijden alle scholastiek, en wijken op veel punten al van de oude voorstelling af. Er rijst twijfel aangaande de bijzondere voldoening, verkiezing, generatie van de zoon (Roell), de triniteit (P. Maty), het werkverbond (Alting, Vlak, Bekker enz.), rede en openbaring (Roell). De Voetianen werden meer en meer teruggedrongen, en trokken zich in de stilte terug. Marck’s Merch 1686, holl. vert. 1705 en Brakels Redel. Godsd. 1700 waren de laatste dogmatieken in hun geest., maar ook reeds gespeend aan de kracht van de vroegere Piëtistische, labadistische, anti-nomiaanse denkbeelden drongen door de invloed van mannen als Lodenstein, Labadie, Koelman, Lampe, Verschoor, Schortinghuis, Eswijler, Antoinette de Bourignon enz., ook in hun kringen door.

En zo was het verloop van de theologie in alle Gereformeerde kerken. In Frankrijk werd de academie van Saumur middelpunt van allerlei opzienbarende stellingen. Camero, gestorven 1625, sloot zich niet alleen in de ontkenning van de toerekening van Christus’ obedientia activa bij Piscator in Herborn aan, maar leerde bovendien, dat de wil altijd het verstand volgt en dat dus de buiging van de wil in de wedergeboorte geen fysische maar een ethische daad was5. Amyraldus, gestorven 1664, Traité de la prédestination, maakte de gewone leer van de voluntas signi, van het ernstig en welgemeend aanbod van de genade tot een afzonderlijk besluit, dat aan dat van de verkiezing voorafging. Hij legde daarmee een remonstrantse grondslag onder het Calvinistische gebouw en liep gevaar om de onmacht van de mensen tot het geloof tot een zedelijke te verzwakken. Cappellus, gestorven 1658, beweerde in zijn werk Arcanum punctationis revelatum, 1624 anoniem uitgegeven te Leiden door Erpenius, dat de Hebr. punten quoad figuram door de Joodse geleerden later waren uitgevonden en in de tekst gevoegd, en lokte tegenspraak uit van Buxtorf 1648. In zijn Critica sacra 1650 leerde hij, dat de Hebr. tekst niet ongeschonden was, en in zijn Diatribe de veris et antiquis Hebraeorum literis 1645, dat het Samaritaanse schrift ouder was dan het Hebr. kwadraatschrift. Placaeus, de statu hominis lapsi ante gratiam 1640, ontkende de onmiddellijke toerekening van Adams zonde. Claude Pajon, gestorven 1685, loochende de noodzakelijkheid van de gratia interna, en werd bestreden door Jurieu in zijn Traité de la nature et de la grace 1687. De theologische strijd liep dus in Frankrijk vooral over de aard van de subjectieve genade6. Camero beperkte haar tot verlichting van het verstand, Amyraldus maakte de objectieve genade universeel, Pajon leerde het overbodige van een bijzondere subjectieve genade. Het deïsme en rationalisme werd hierdoor voorbereid.

In Engeland was er onder de nonconformisten grote verscheidenheid. De Presbyterianen gingen na de Westminster Synode zowel in aantal als in invloed achteruit, en moesten de plaats ruimen voor het Independentisme, dat reeds in de 16e eeuw werd omhelsd door Robert Browne, Johnson, Ainsworth en John Robinson7, gestorven 1625, en tijdens den burgeroorlog in macht en aanzien toenam. Op de Westminster Synode hadden de Presbyterianen nog de meerderheid en beschikten de Independenten slechts over enkele stemmen, Thomas Goodwin, gestorven 1680, Philip Nye, gestorven 1672, Jeremias Burroughs, gestorven 1646. Williarn Bridge, gestorven 1670, William Carter, gestorven 1658, Sydrach Simpson, gestorven 1658, Joseph Caryll, gestorven 1673 e.a. Maar reeds in Oct. 1658 waren op een vergadering te Londen afgevaardigden van meer dan honderd onafhankelijke gemeenten aanwezig. Daar werd de Bavoy Declaration opgesteld, door Hoornbeek 1659 in het latijn vertaald en achter zijn Epistola ad Duraeum de Independentismo afgedrukt8. Hun voornaamste theoloog was Dr. John Owen 1616-1683, van wiens werken in 1826 een uitgave te Londen verscheen in 21 delen; de Doctrina Christiana van Milton werd 1827 te Brunswijk uitgegeven9. Ook het Baptisme kwam reeds in de 16e eeuw sporadisch in Engeland voor, maar begon toch eerst sedert 1633 eigen gemeenten te vormen. In 1644 telde het 7 gemeenten in en 47 buiten Londen. In 1677 gaven de Baptisten een Confession of faith, die alleen in de kerkregering en de doop van de Westminster confessie en de Savoy Declaration afweek. Op de grondslag van deze confessie werd in 1693 door William Collins een catechismus opgesteld, die algemeen werd aangenomen. Van de Calvinistische Baptisten zijn de General, Arminian of Free-will Baptists onderscheiden. Het Baptisme vond later vooral in Amerika verbreiding door Roger Williams, gestorven 1683. Voor de dogmatiek heeft het weinig gedaan, maar het heeft in John Bunjan, gestorven 1688, Robert Hall, John Foster enz. machtige predikers voortgebracht10. De periode van den burgeroorlog was in Engeland op religieus en theologisch gebied een tijd van de grootste verwarring. Allerlei denkbeelden en richtingen woelden dooreen. Vroeger werden deze voor even zovele sekten gehouden, maar veel beter worden ze met Weingarten als nuanceringen in de éne grote partij van de Heiligen beschouwd. Arminiaanse, baptistische, chiliastische, antinomistische, en zelfs libertijnse gevoelens vonden ingang. Er heerste een religieus individualisme. In het Quakerisme bereikte dit zijn toppunt. De emancipatie van de traditie, de confessie, het kerkverband voltooide zich daarin, dat ieder gelovige op zich zelf werd gesteld, van de Schrift werd losgemaakt, en in zich zelf, in de geest, in het inwendig licht de bron bezat van zijn religieuze leven en kennen. Al het objectieve, Schrift, Christus, kerk, ambt, sacrament werd ter zijde gesteld; de gelovigen leefden uit een eigen beginsel en onderscheidden zich ook in de maatschappij door eigen zeden, gewoonten, kleding enz. George Fox 1624-1690, Works, 3 vol. London 1694-1706 was stichter van deze secte, Robert Barclay 1648-1690, Apologia theologiae vere christianae, Amst. 1675 was haar theoloog, en William Penn 1644-1718 haar staatsman11.

Al deze individualistische richtingen baanden de weg voor het Deïsme. Het realisme van het Engelse volkskarakter, het nominalisme van Roger Bacon en Willem van Occam, de empiristische filosofie van Francis Bacon, gestorven 1626, hadden het reeds voorbereid. En toen daar nu in de 17e eeuw de verwarring bijkwam in de religieuze overtuigingen, en heel Engeland in partijen en sekten was verdeeld, ontwaakte bij velen de gedachte, dat alleen in datgene, wat aan allen gemeen was, het wezen van de religie gelegen kon zijn. Het latitudarisme vond ingang en liep op het deïsme uit. De rij van de deïsten werd geopend door Herbert van Cherbury, gestorven 1648, die in zijn werk de veritate 1624 en de religione gentilium 1645 het wezen van de religie tot vijf waarheden herleidde: bestaan Gods, verering Gods, deugd, berouw en vergelding; maar deze oorspronkelijke, ware en zuivere godsdienst is op allerlei wijze door de priesters vervalst. Dit was het program van ‘t deïsme. Van daaruit werd nu vervolgens de strijd tegen de openbaring ondernomen. Locke, gestorven 1704, The reasonableness ot Christianity 1695, droeg aan de rede de beslissing over de openbaring op. John Toland, gestorven 1722, Christianity not mysterious 1696 sprak uit, dat het Christendom niet alleen niets tegen, maar ook niets boven de rede bevatte. Anton Collins, gestorven 1729, Discourse on freethinking 1713 beval het vrije, d.i. ongelovige denken aan. Thomas Woolston, gestorven 1731 schreef Discourses on the miracles of our Saviour 1727-30 en trachtte deze door allegorie te verklaren. M. Tindal, gestorven 1733, Christianity as old as creation 1730 stelde heel de openbaring ter zijde. Het deïsme eindigde in scepticisme bij Henry Dodwell, Christianity not founded on argument 1742. En deze scepsis werd op filosofisch gebied door D. Hume, gestorven 1776 voltooid12.

1 Catechismus Racoviensis 1609. Bibliotheca fratrum Polonorum. 6 tom. Irenopoli 1656. Trechsel, Die protest. Antitrinitarier vor Faustus Socinus. 2Bde. Heidelberg 1839-44. Fock, Der Socinianismus nach seiner Stellung in der Gesammtentwicklung des Protest. Kiel 1847. Art. Socin in PRE2, Harnack, D. G. III 653-691. Hundeshagen, Vorles. über die Lehrbegriffe der kleineren protest. Kirchenparteien. Frankfurvt 1863 bl. 27 v.

2 Literatuur over het Anabaptisme wordt uit de vroegere tijd opgegeven door Walch, Bibl. theol. sel. II 13-29, uit de nieuwere tijd door Scholten, L. H. K. II 271 v., en is pas nog belangrijk uitgebreid. Goebel., Gesch. des christl. Lebens I 1849 bl. 134 v. Ritschl, Gesch. des Pietismus I 1880 bl. 22 v. L. Keller, Gesch. der Wiedertaufer und ihres Reiches in Munster 1880. Id. Die Reformation und die alteren Reformparteien. Leipzig 1885. Sepp, Geschiedk. Nasporingen 1872-73. Id. Kerkhist. Studiën 1885. J. H. Maronier, Het inwendig woord. Amst. 1890. Art. Baptisten, Menno Simons, Mennoniten enz. in PRE3.

3 De leer van de Arminianen kan gekend worden uit hun Remonstrantie, 1610 aan de Staten aangeboden, uit de acta van de Collatio Hagensis 1611, uit de Confessio en de Apologia pro Confessione, door Episcopius opgesteld, Opera II 69 v. 95 V.; uit de werken van Arminius, Opera theologica, Francof. 1631. Uytenbogaert, Onderwijzing in de Christ. religie 1640. Episcopius, Instit.-theol. Opera I 11 v. Limborch, Theol. Christ. ed. 5a.1730. Curcellaeus, Opera theol. Amst. 1675.

4 Diestel, Studien zur Foederaltheologie, Jahrb. f. deutsche Theol. 1865 2tes Heft;

5 Gaston Bonet-Maury, Jeau Cameron, in: Etudes de théologie et d’histoire publiées par M. M. les professeurs de la fac. de théol. prot. de Paris en hommage à la fac. de théol. de Montauban à l’ occasion du tricentenaire de sa fondation. Paris Fischbacher 1901 bl. 79-117.

6 Verg. Schweizer, Die Centraldogmen 2e deel.

7 Verg. over Robinson, Ned. Archief v. Kerk. Gesch. 1848 VIII 369-407.

8 Schaff, Creeds of Christ. I 820-840 III 707.

9 Verg. Stud. u. Krit. 1879, 4tes Heft. Zie voorts J. Fletcher, History of Independency in England since the reformation, 4 vol. London 1847-49, en verdere litt. bij Schaff, Creeds I 820.

10 Schaff, Creeds I 845-859 III 738-756. J. M. Cramp, Baptist History from the foundation of the Christian Church to the close of the 18th century. Philad. 1868. Art. Baptisten van R. Hofmann in PRE3.

11 William Sewel, History of the rise, increase and progress of the christian people called Quaker, London 1725. Th. Evans, An exposition of the faith of the religious society of friends, Philad. 1828. Schneckenburger, Vorles. über die Lehrbegriffe der kleineren prot. Kirchenparteien 69 f. Weingarten, Rev. Kirchen Englands 364 f. Möhler, Symbolik 92 f. Schaff, Creeds 1859-878. Art. Quäker in PRE3.

12 Lechler, Geschichte des englischen Deismus, Stutgart 1841. Troeltsch, art. Deismus in PRE3.

x
This website is using cookies. Accept