Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

57. Ongeveer 1750 is overal het verval van de Gereformeerde theologie ingetreden. De ontbindende elementen, reeds in de vorige eeuw aanwezig, werken door en ondermijnen de dogmatiek. Nadat het Coccejanisme hier te lande de overwinning had behaald, kwam van 1740 tot 1770 het tijdperk van de Toleranten. De kracht van de waarheid werd verloochend; van de belijdenis trok men zich naar de Schrift terug; eigenaardige Geref. leerstukken, zoals van de erfschuld, het werkverbond, de bijzondere voldoening enz. werden losgelaten; onder schone vorm en bijbelse naam kwamen allerlei remonstrantsche en sociniaanse dwalingen op. De belijders van de Gereformeerde religie legden zich hoogstens nog bij het voorhandene neer, maar zij leefden er niet meer in en spraken er niet meer uit. De oude dogmatiek werd een voorwerp van historische studie. Prof. Bernh. de Moor schreef een Commentarius perpetuus in Marckii Compendium, 6 vol. Lugd. B. 1761-71, en Ds. Martinus Vitringa gaf een commentaar op de Doctrina Christ. religionis van zijn vader Campegius Vitringa, onder den titel Doctrina Christ. relig. per aphorismos summatim descripta, ed. sexta. Cui nunc accedit υποτυπωσις

theologiae elencticae in usum scholarum domesticarum Campegii Vitringae, curante Martino Vitringa, qui praefationem, prolegomena et adnotationes adjecit, nec non analysin v. cl. Theodori Scheltingae, 9 partes, Amst. 1761. Onder de weinigen, die met hart en ziel aan de oude Gereformeerde leer vasthielden en ze met talent verdedigden en verder ontwikkelden, namen Alex. Comrie, gestorven 1774, A. B. C. des geloofs 1739 Eigensch. des zaligm. geloofs 1744, Verklaring van den Catech. 1753, Brief over de rechtvaardigmaking 1761, Nic. Holtius, gestorven 1773, Verhandeling over de rechtv. door het geloof 1750, en J. J. Brahé, Aanmerkingen wevgens de vijf Walch. art.1758 een eerste plaats in. De beide eersten bonden in hun Examen van het ontwerp van Tolerantie, in 10 Samenspraken, Amst. 1753-59 de strijd tegen de Toleranten aan, onder wie de Hoogleraren J. van den Honert, J. J. Schultens en Alberti het vooral moesten ontgelden. Naast hen verdient ook nog J. C. Appelius genoemd te worden, die vooral bekend is door zijn strijd over het avondmaal, Zedig en vrijmoedig onderzoek, enz. 1763. Over het avondmaal 1764. Aanmerkingen over het rechte gebruik van het Evangelie. Vervolg van de Aanmerkingen, enz. De Hervormde leer 1769.

Maar sedert 1770 nam de zogenaamde neologie hoe langer hoe meer aan invloed toe. Het Engelse deïsme, het Franse ongeloof en het Duitse rationalisme vond hier een vruchtbare bodem. De revolutie was een totale keer in de begrippen. De orthodoxie werd in de vorm van een niet rationalistisch maar rationeel, gematigd, bijbels supranaturalisme overgeleid naar de 19e eeuw, en had als zodanig haar voornaamste vertegenwoordigers in P. Chevallier, Schema Institutionum theol. 1773-75, Br. Broes, Institut. Theol. theor. 1788, J. van Nuys Klinkenberg, Onderwijs in den godsdienst 12 delen 1780 v. Samuël van Emdre, Catechismus van de H. Godg. 1780, W. E. de Perponcher, Beschouw. Godg. 1790 enz., inzonderheid in H. Muntinghe, Pars theologiae Christ. theoretica 1800. En evenzo ging het in andere landen. Frankrijk had in de 18e eeuw geen eigen Gereformeerde theologie meer. De herroeping van het edict van Nantes bande de beste krachten buiten ‘s lands. In de 18e eeuw verwierven Paul Rabaut, gestorven 1794 en Antoine Court, gestorven 1760, zich de erenaam van herstellers van de Geref. kerk in Frankrijk. De Franse predikanten ontvingen hun opleiding meest in Lausanne, waar een eigen seminarie was opgericht voor de Franse studenten naar het plan van Antoine Court. In Zwitserland kon de Consensus Helveticus 1675 het rationalisme niet keren. J. R. Wettstein en zijn zoon in Bazel, J. C. Snicerus en zijn zoon Henricus in Zurich, Mestrezat en Louis Tronchin in Genève brachten al bezwaren tegen deze belijdenis in1; reeds in 1685 werden er pogingen in het werk gesteld om haar terzijde te stellen, en in de 18e eeuw werden deze in Genève, Bazel, Appenzell, Zurich, Bern enz. met goed gevolg bekroond. J. F. Osterwald, pred. te Neufchatel, gestorven 1747 vormt de overgang van de 17e eeuwse orthodoxie tot het 18e eeuwse rationalisme. In zijn Traité des sources de la corruption, qui règne anjourdhui parmi les Chrétiens 1700, Catéchisme 1702, Compendium theol. Christ. 1739 klaagt hij over de dode orthodoxie en de fijn uitgesponnen dogmata, verzwijgt hij veel leerstukken, bijv. over de verkiezing, en zoekt herleving van de moraal. Met hem vormden J. A. Turretinus, gestorven 1737, Opera 3 vol. en S. Werenfels, gestorven 1740, Opuscula, ed. 2. 1739 het Zwitserse triumviraat. De door hen vertegenwoordigde gematigde orthodoxie leidde welhaast tot besliste heterodoxie bij J. J. Zimmerman, gestorven 1757, Opuscula 1751-59. J. J. Lavater, gestorven 1759, art. Genève in de Dictionn. Encycl. van Diderot en d’Alembert, J. Vernet, Instruction Chrétienne 1754. De mathematische methode van Wolf werd op de theologie toegepast door D. Wyttenbach, Tentamen theol. dogm. methodo scientifica pertractata, 3 tomi 1747, J. F. Stapfer, Institut. theol….ordine scientifico dispositae, 5 vol. 1743, Grundlegung zur wahren Religion Zurich 1751-52, Bernsau, later prof. te Franeker, Theol. dogmatica, methodo scientifica pertractata 1745-47; in Duitsland door Ferdinand Stosch, gestorven 1780, Summa paedagogiae scholasticae ad praelectiones academicas in theologiam revel. dogm. 1770, Sam. Endemann, prof. te Marburg, Instit. theol. dogm. 1777 en Sam. Mursinna, prof. te Halle, Compendium theol. dogm. 1777.

In Engeland werd de dogmatiek bijna geheel in beslag genomen door de kwesties over voorspelling, wonder en openbaring, die door het deïsme aan de orde waren gesteld. Ofschoon de apologetiek dikwijls rationalistisch gekleurd was, had ze toch vele en onder hen ook sommige uitnemende vertegenwoordigers, Samuël Clarke, gestorven 1729, Nathan Lardner, gestorven 1768, Joseph Butler, gestorven 1752, Richard Bentley, William Whiston, Arthur Ashley Sykes, Thomas Sherlock, gestorven 1761, Daniel Waterland, gestorven 1752, John Coneybeare, John Leland, James Foster, Williarn Warburton, gestorven 1779, Richard Watson 1816, William Paley, gestorven 1805, Evidences of Chrisitanity 1794, Natural Theol. 1802 enz. Onder de dogmatische werken, die in deze periode het licht zagen, zijn de voornaamste die van Hutchinson, waarvan een uittreksel gegeven wordt in A letter to a bishop concerning some important discoveries in filosofy and theology 1730; van Stackhouse, gestorven 1752, A complete body of speculative and practical divinity 1709, holl. vert. 1758, Isaac Watts, gestorven 1748, bekend niet alleen door zijn geestelijke liederen en logica maar ook door zijn Catechismus 1728, Philipp Doddridge, gestorven 1751, Rise and progress of religion in the soul 1740 e.a. Onder de Schotse Godgeleerden in de 18e eeuw traden op den voorgrond Thomas Boston, gestorven 1732, A complete body ot divinity, 3 vol. 1773, Fourfold State, holl. vert. 1742, A view of the covenant of grace, holl. vert. van Comrie 1741; Adam Gib, en de eerste vijf Seceders, Fisher, Wilson, Moncrieff en de gebroeders Ralph en Ebenezer Erskine, wier werken ook in het Nederlandsch zijn vertaald. Van belang was de zogenaamde Marrow controversy, die in 1717 begon naar aanleiding van het werk van de Independent Edward Fisher, The marrow of modern divinity, dat het eerst in 1646 verschenen was, maar door Boston omstreeks 1700 en in 1718 opnieuw met een voorrede van Mr. Hog van Carnock werd uitgegeven. De neonomiaansche strijd, die in de vorige eeuw in Engeland was gestreden, werd daardoor naar Schotland overgeplant. Het boek werd aangevallen door Principal Hadow van St. Andrews in een preek bij de opening van de Synode van Fife 7 April 1719, die later in het licht werd gegeven, The antinomianism of the marrow detected 1721. Men beschuldigde de “Marrow divines,” onder wie Boston de voornaamste was, van antinomianisme, maar hield zichzelf van neonomianisme niet vrij. De General Assembly van 1720 veroordeelde sommige stellingen in de Marrow als dwalingen; wat mede aanleiding gaf tot de scheiding van de Erskine’s, die zich met anderen, Hog, Bonar, Williarnson, Kid, Wilson, Wardlaw enz., twaalf in getal, aan de zijde van Boston hadden geschaard. Het neonomianisme was de voorbereiding voor het rationalisme, dat langzamerhand ook in de theologie en kerk van Schotland doordrong en in mannen als Simpson, Mc. Laurin e.a. reeds duidelijk merkbaar werd2.

1 Schweizer, Centraldogmen II 663 v.

2 Walker, The Theology and theol. of Scotland bl. 25 v. 39 v. 53 v. James Buchanan, The doctrine of justification 1867 bl. 182-188. Merle d’ Aubigné, Duitsland, Engeland en Schotland. Rotterdam 1849. Verg. ook mijn voorrede voor de nieuwe uitgave van een bloemlezing uit de werken van de Erskines, die het licht ziet bij J. C. van Schenk Brill te Doesburg.

x
This website is using cookies. Accept