Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Hoofdstuk I. Principia in het algemeen

Par 6. Betekenis van de Principia.

Eisler, Wörterbuch der philos. Begriffe (2) 1904 s. v. Princip. Buddeus, Elementa filosofiae instrumentalis, ed. quinta 1714 I 140. 288. Liberatore, Instit. philos8. Romae 1855 I 217. Thomas, Summa Theol. qu. I. Junius, de vera theologia, Opera I 1375-1424, ed. Kuyper bl. 45. Gomarus, Disp. Theol. disp. I. Voetius, Diatribe de theol. Ultraj. 1668. Owen, Yeologoumena, Oxon. 1661. Alsted, Praecognita Theol. bl. 1-138. Kuyper, Encycl. II 177 v.

61. In dogmatische werken van vroegere tijd was het gewoonte, om aan de eigenlijke loci een uiteenzetting van het wezen van de theologie vooraf te laten gaan. Later werd deze plaats, onder invloed van het rationalisme, in beslag genomen door de theologia naturalis en de bewijzen voor openbaring en H. Schrift. Toen Kant door zijn kritiek deze verstandelijke redeneringen van haar kracht had beroofd, beproefde Schleiermacher aan de dogmatiek een andere grondslag te geven, en nam daartoe zijn standpunt in de religie. Dit verschilde nu wel daarin van het oude rationalisme, dat Schleiermacher de religie niet als een weten maar als een bepaald gevoel opvatte; maar feitelijk maakte hij toch door zijn Lehnsätze de dogmatiek van de filosofie afhankelijk. Deze richting, door Schleiermacher ingeslagen, werd lange tijd door velen gevolgd; aan de eigenlijke dogmatiek liet men, onder de naam van prolegomena, Prinzipienlehre, Fundamentaldogmatik, filosofische theologie enz. een brede inleiding voorafgaan, die een apologetische strekking had. De dogmatiek rustte niet op een zelfstandige grondslag en werd niet uit haar eigen principia afgeleid, maar kon dan eerst haar eigen taak beginnen, als ze vooraf door de filosofie haar grond en recht van bestaan had laten onderzoeken en keuren. De dogmaticus stond niet van huis uit in het Christendom, maar nam eerst buiten het Christendom in de algemene religie zijn standpunt, om van daaruit later tot de uiteenzetting van de Christelijlke geloofswaarheden over te gaan.

Dit uitgangspunt van de dogmatiek is eerst vooral door Ritschl en Frank, en later door vele anderen, volkomen terecht, prijsgegeven en bestreden1. Immers, een religio en theologia naturalis in de zin van het rationalisme bestaat er niet. Want de religio en theologia naturalis, die wij kennen, is niet buiten de bijzondere openbaring om door ons verworven, maar is pas ons eigendom geworden uit en bij het licht van de H. Schrift; bij de Heidenen treffen wij haar dan ook nooit zuiver aan, maar altijd onder allerlei afgoderij bedolven en met veel bijgelovigheden vermengd. Ditzelfde geldt ook van het begrip en wezen van de religie; als wij daarvan een zuiverder gedachte hebben dan de Heidenen, dan zijn we daartoe niet gekomen door een vergelijkend onderzoek van de godsdiensten, maar hebben we dit aan het Christendom te danken en zijn, daarmee reeds toegerust, aan het onderzoeken en vergelijken van andere godsdiensten gegaan. Als Troeltsch de Religionsfilosofie aan de dogmatiek ten grondslag wil leggen, dan is dit of maar schijn, of er komt aan het einde nooit een Christelijke dogmatiek te voorschijn. Voor een filosofische Prinzipienlehre, die eerst de grond van de dogmatiek moet leggen en haar recht heeft te vindiceren, is er inderdaad geen plaats. Indien de dogmatiek, en in het algemeen de theologie, niet, evenals andere wetenschappen, haar eigen principia had, zou zij op de naam van een scientia de Deo geen aanspraak kunnen maken. De H. Schrift leert ons echter anders; zij zegt, dat alle kennis van God uit Zijn openbaring ons toekomt, en dat wij van onze zijde die inhoud van de openbaring ons niet kunnen toeëigenen dan door een oprecht, kinderlijk geloof. Alleen wie wedergeboren is uit water en Geest, ziet het koninkrijk Gods. Maar daaruit vloeit dadelijk voort, dat er voor een leer van de principia in andere zin, dan er dikwijls mee bedoeld wordt, wel ter dege plaats is in de dogmatiek. Wanneer daarin uiteengezet wordt, welk de principia zijn, die de theologie en speciaal de dogmatiek, niet aan andere wetenschappen ontleent, maar als zelfstandige wetenschap zelf meebrengt, dan heeft de dogmaticus niet alleen de vrijheid maar ook de plicht, om deze principia in het helderst licht te plaatsen en ze minstens even breedvoerig als andere dogmata te behandelen. Want hij neemt daarmee dan geen positie buiten, maar in het Christendom; hij plaatst zich niet eerst met het rationalisme op het standpunt van de rede, om later tot dat van het geloof op te klimmen of af te dalen; en hij behandelt geen onderwerpen, die eigenlijk buiten het terrein van de dogmatiek, bij andere wetenschappen thuis horen en alleen als Lehnsätze in de inleiding van de dogmatiek ter sprake kunnen komen. Maar ook met de bespreking van die principia neemt hij aanstonds het standpunt van het geloof in, immers ook de leer, dat de openbaring de enige bron van de Godskennis is en dat de geestelijke mens alleen de geestelijke dingen kennen en onderscheiden kan, is een dogma in de volle zin van het woord. En een dogma van fundamentele betekenis. Want als er geen openbaring Gods is, of ook als er geen middel is, om die openbaring tot ons geestelijk eigendom te maken, stort het gebouw van de dogmatiek, hoe kunstig overigens ook opgetrokken, als een kaartenhuis ineen.

1 Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 1 v. Frank, Syst. d. Christl. Gewissheit I par. 1-7. Böhl, Dogm. bl. L VIII. Cremer in Zöcklers Handbuch 612. 637. Von Oettingen, Luth. Dogm. I 42. Lobstein, Einl. in die ev. Dogm. bl.1 v. Ihmels, Die Selbständigkeit der Dogm. 1901 enz.

x
This website is using cookies. Accept