Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

62. Om de eigen principia van de dogmatiek te leren kennen, is het vooraf nodig zich rekenschap te geven van wat in het algemeen onder de naam van principia wordt verstaan. Volgens Simplicius, de neoplatonische commentator van Aristoteles en ook volgens Hippolytus in zijn Refutatio omnium haeresium, was Anaximander de eerste, die de grond van de dingen, welke hij in het apeiron vond, met de naam van arch aanduidde1. Misschien gaf hij echter daarmee alleen nog te kennen, dat het apeiron de aanvang en het eerste van alle dingen was2. Maar in de filosofie van Plato en Aristoteles kreeg dit woord de betekenis van laatste oorzaak van de dingen. Plato spreekt reeds van arch kinhsewv, arch genesewv en arch apodeiwewv, en Aristoteles verstaat onder arcai in het algemeen de eerste dingen in een reeks en dan vooral de eerste oorzaken, welke uit geen andere zijn af te leiden. Hij geeft er de bekende definitie van: paswn men oun koinon twn arcwn to protwn einai oyen h estin h gignetai h gignwsketai, id unde aliquid aut est aut fit aut cognoscitur. Zulke arcai nam hij vooral op tweeërlei gebied aan, op dat van het zijn en van het bewustzijn, in de metafysica en in de logica. Het zijn van de dingen werd door hem uit vier arcai afgeleid n.l. ulh, eidov, arch thv kinhsewv en telov. En ook nam hij zulke principia in de logica aan. Aristoteles merkte n.l. op, dat er lang niet van alles een bewijs gegeven kan worden; van veel zaken hebben wij toch niet een middellijk weten door bewijsvoering maar een onmiddellijk weten door de rede. De bewijzen zelf moeten, om niet een regressus in infinitum te vormen, uitgaan van zulke stellingen, die als onmiddellijk zeker voor geen bewijs vatbaar zijn en het ook niet behoeven. En deze stellingen noemde Aristoteles arcai apodeixewv, arcai sullogistikai, arcai amesoi, of ook wel als algemene veronderstelling van alle bewijsvoering axiwmata, en hij zegt er van: legw d arcav ev ekastw genei tautav, av oti esti mh endexetai deixai. In dezelfde zin werd het latijnse principium gebezigd. Cicero spreekt b.v. van rerum principia, principia naturae, principia naturalia, principium philosofiae, principia juris enz. In overeenstemming met de boven aangehaalde definitie van Aristoteles werd nu later in de logica drieërlei principium onderscheiden, principium essendi, existendi en cognoscendi, al naar gelang het zijn, de wording of de kennis van enig ding uit iets anders moest worden afgeleid. Van principium was causa dan weer zo onderscheiden, dat causa het principium aanduidde als influxu suo determinans aliquid sibi insufficiens ad existendum, en als tempore of tenminste natura prius dan de zaak, die zij veroorzaakte. Causa is dus een bijzondere soort van principium; alle causa is principium, maar niet alle principium is causa.

Ook in de theologie werd dit spraakgebruik overgenomen. In de H. Schrift heeft arch niet alleen dikwijls temporele, Marc. 1:1 , Joh. 1:1 enz., maar ook enkele malen causatieve betekenis. In de LXX heet de vreze des Heeren de arch thv sofiav, Spr. 1:7,18 en in Col. 1:18 en Op. 3:14 wordt Christus de arch van de schepping en van de opstanding genoemd. De kerkvaders spreken dikwijls van den Vader als arch, phgh, aition van Zoon en Geest, zoals ook Augustinus de Vader principium totius divinitatis noemt3. Zo was God dus het principium essendi of existendi van al het geschapene, dus ook van de wetenschap, en bepaald nog weer van de theologie. Op dit laatste terrein werd het altijd uitdrukkelijk herhaald, dat God het principium essendi was van de theologie. Er was hiervoor een bijzondere reden. Er is geen kennis van God mogelijk, dan alleen uit en door God, Matth. 11:27, 1 Cor. 2:10 . Het was een axioma van de vroegere theologie: a deo discendum quid de ipso intelligendum, quia non nisi ipso auctore cognoscitur. Dat er in het schepsel enige kennis van God is, dat is alleen aan God te danken. Hij is kenbaar alleen, omdat en in zoverre Hij dat zelf wil. Reeds de analogie van een mens bewijst de waarheid hiervan. Een mens is tot op zekere hoogte het principium essendi van onze kennis aangaande zijn persoon, 1 Cor. 2.11; hij moet Zich openbaren, zich door verschijning, woord en daad te zien geven, opdat wij hem enigszins kunnen leren kennen. Maar bij een mens is dit altijd relatief; hij openbaart zich dikwijls geheel onwillekeurig en zijns ondanks; hij openbaart zich menigmaal in karaktertrekken en eigenaardigheden, welke hemzelf onbekend zijn; hij openbaart zich soms ook anders dan hij is, vals en onwaar enz. Maar dat alles valt in God niet. Hij is in absolute zin principium essendi, causa efficiens principalis van onze Godskennis, want Hij is volstrekt vrij, zelfbewust en waarachtig. Zijn zelfkennis, zijn zelfbewustzijn is het principium essendi van onze Godskennis. Zonder zelfbewustzijn Gods geen kennis Gods in de schepselen. Het pantheïsme is de dood van de theologie. De verhouding nu van deze zelfkennis Gods tot onze Godskennis werd vroeger zo uitgedrukt, dat gene de theologia archetypa was van deze, en deze de theologia ectypa van gene. Onze kennis van God is een afdruk van die kennis, welke God van zichzelf heeft, maar dan altijd in creatuurlijke zin. De kennis Gods in zijn schepselen is maar een zwakke gelijkenis, een eindige, beperkte, naar het menselijk of creatuurlijk bewustzijn geaccommodeerde schets van het absolute zelfbewustzijn Gods. Maar hoe groot de afstand ook zij, principium essendi van onze Godskennis is alleen God zelf, die zich vrij, zelfbewust en waarachtig openbaart.

1 H. Ritter et L. Preller, Historia philos. graecae 1886 bl. 16, 17.

2 Zeller, Die filosofie der Griechen (4) I 203.

3 Athanasius, c. Arianos II. Basilius, adv. Eunom. I. Damascenus, de fide-orthod, I 9. Augustinus, de trinitate IV 20.

x
This website is using cookies. Accept