Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

78. Eindelijk zijn er ook nog, die aan de religie een plaats geven in het gevoel en daarvoor soms zelfs een afzonderlijk vermogen in de mens aannemen. Mysticisme en piëtisme hadden in vroeger tijd daarvoor reeds de weg gebaand. Maar pas door de Romantiek van de vorige eeuw is deze opvatting een tijd lang tot heerschappij gekomen. De Romantiek was in het algemeen een reactie van het vrije ongebonden gemoedsleven tegen het objectieve, alles bindende en regelende klassicisme. Het subject verhief zich boven de wetten, die op ieder terrein van het leven aan zijn spontane uiting waren gesteld; de fantasie hernam haar rechten tegenover het verstand; de organische beschouwing kwam in de plaats van de mechanische; de idee van het worden verdrong die van het maken. Op elk gebied ging het oog open voor het vrije, het natuurlijke, het geniale; wording, groei, ontwikkeling was de wijze, waarop de dingen ontstonden; niet het nuttige maar het schone, niet proza maar poëzie, niet arbeid maar spel, niet Machwerk maar kunst had de hoogste waarde. De gemanierdheid van vroeger sloeg om in een oppervlakkige sentimentaliteit. Zodanig was de beweging, die in Engeland haar tolk vond in Young, Southey, Wordsworth, S. T. Coleridge. In Frankrijk werd ze ingeleid door Rousseau, die in zijn profession de foi du vicaire Savoyard, in het vierde boek van zijn Emile, heel zijn deïstische dogmatiek en moraal opbouwt uit het gevoel: le sentiment est plus que la raison, notre sensibilité est antérieure à notre intelligence. In Duitsland opende Winckelmann de ogen voor de schoonheid van de Griekse kunst; Lessing stelde tegen de poëzie van het Franse klassicisme het genie van Shakespeare over. Herder wees in de historie de openbaring en werking aan van de eeuwige, goddelijke natuur. Hamann, Claudius, Lavater, Stilling gingen uit van de rijke subjectiviteit en stelden deze tegenover de platte, mechanische opvatting van de Aufklärung; Kant en Fichte plaatsten het ik van de mens op de voorgrond. Overal was er een breuk met de objectiviteit; het subject werd absoluut principe. Onder deze invloed beriep Jacobi zich op het gevoel, als het unmittelbare Vernehmen des Göttlichen. Religie is gevoel voor het ware, schone en goede; bewondering, liefde, achting voor het goddelijke; en zulk een gevoel is ons aangeboren als Grundtrieb der menschlichen Natur. Het esthetisch rationalisme van Jacobi werd door Fries en de Wette zo uitgewerkt, dat zij een strenge scheiding maakten tussen de empirisch-mathematische wereldbeschouwing van het verstand en de ideale, esthetisch-religieuze wereldbeschouwing van het gevoel.

Schleiermacher’s opvatting van de religie is uit diezelfde romantische richting te verklaren. In de tweede rede uit zijn Reden über die Religion 1799 omschrijft hij de religie als het onmiddellijk bewustzijn van het zijn van al het eindige in en door het oneindige. Zij is geen weten en geen doen, geen metafysica en geen moraal, maar gevoel van het oneindige. Object van dat gevoel is geen persoonlijk God, met wie de mens in gemeenschap leeft, maar het universum, de wereld als geheel, als eenheid gedacht. En orgaan voor het gewaarworden van dat oneindige is niet verstand, rede of wil, maar het gevoel, de richting van het gemoed op en de zin voor het oneindige. Nader wordt dit gevoel niet omschreven. En nog vager is het antwoord op de vraag, wanneer dat gevoel bepaald religieus gevoel wordt. Schleiermacher antwoordt daarop in de derde rede slechts in overdrachtelijke taal: men moet zijn gevoel zo wijd mogelijk voor de wereld als geheel ontsluiten, alles in het een en het een in alles beschouwen, al het bijzondere opvatten als een openbaring van het oneindige enz. Dit alles zegt niet veel; het schijnt, dat tenslotte ieder gevoel religieus is, hetwelk door het wereldgeheel wordt opgewekt en ons de hoogste eenheid openbaart.

In elk geval is het religieus gevoel niet duidelijk tegenover het esthetische begrensd. In de Glaubenslehre treffen we in de grond van de zaak dezelfde opvatting aan. Ook hier is de vroomheid gevoel, en wel volstrekt afhankelijkheidsgevoel. Maar er is toch een dubbel verschil. In de Reden was God het geheel, in de Glaubenslehre is Hij de absolute causaliteit der wereld; dienovereenkomstig was het gevoel daar zin voor het oneindige, en hier onmiddellijk zelfbewustzijn en volstrekte afhankelijkheid. God krijgt hier dus meer een eigen, van de wereld onderscheiden bestaan, en de religie daarom ook een eigen, van het gevoel voor de wereld, onderscheiden inhoud; de esthetische opvatting heeft meer voor de ethische plaats gemaakt. Er is dus enige toenadering tot het theïsme te bespeuren. Maar de grondgedachte is toch in zover dezelfde, als God niet transcendent gedacht wordt boven maar alleen immanent in de wereld, en het orgaan voor het goddelijke niet is de rede, het geweten enz., maar het gevoel. Deze opvatting der religie is niet alleen door sommige Vermittelungstheologen, zij het ook met wijziging overgenomen, maar wordt in beginsel gevonden bij allen, die naast de mechanische nog een esthetische wereldbeschouwing trachten op te bouwen en daarin de religie opnemen of zelfs geheel laten opgaan. F. A. Lange zei, dat de kern van de religie bestaat, niet in een leer over God enz., maar in de verheffing van het gemoed boven de werkelijkheid en in de Erschaffung einer Heimath der Geister. Boven de wereld van de feiten, die Welt des Seienden, bouwt de mens door zijn fantasie een Welt der Werthe, een Welt der Dichtung. Pierson huldigde een dergelijke ideaalvorming; het gevoel van de mens, van buiten opgewekt, schept uit de voorstellingen, die het verstand uit de zinlijk waarneembare wereld verkrijgt, religieuze, ethische, esthetische idealen, die wel geen onafhankelijk van ons bestaande realiteiten maar toch van grote waarde voor ons leven zijn. Opzoomer nam zelfs een afzonderlijk religieus gevoel aan en zag daarin de bron der religieuze voorstellingen. Rauwenhoff achtte het wezen der religie wel gelegen in het geloof aan een zedelijke wereldorde, maar schrijft toch de vorm der religie, verering van een persoonlijk God, toe aan de fantasie.

Ook bij deze opvatting is het zonder tegenspraak, dat het gevoel in de religie een belangrijke plaats inneemt. Religieuze voorstellingen op zichzelf en zonder meer zijn nog geen religie; eerst dan ontstaat deze, wanneer de mens tot het object van die voorstellingen in een werkelijke, persoonlijke relatie treedt. En zulk een persoonlijke verhouding tot God kan niet anders dan inwerken op het gevoel; zij laat de mens niet koud en onverschillig, maar roert hem tot in het diepste van zijn gemoed; zij wekt in hem een sterk gevoel van lust en onlust en kweekt een hele reeks van aandoeningen, schuldbewustzijn, smart, berouw, leedwezen, droefheid, vreugde, blijdschap, vertrouwen, vrede, rust enz. De religie maakt de diepste en tederste aandoeningen wakker in het menselijk hart. Geen macht is er, die dieper, algemener, sterker aangrijpt en roert. Al deze door de religieuze voorstellingen opgewekte aandoeningen geven aan de religie warmte, innigheid, leven, kracht, in tegenstelling met de doodheid van het intellectualisme en de koudheid van het moralisme. Het hart is het centrum der religie.

Maar daarom is het gevoel nog niet de enige religieuze functie, niet de enige zetel en bron der religie. Het gevoel, hier genomen niet als een afzonderlijk vermogen, wat het niet is, maar als het geheel van de hartstochten en aandoeningen, is uiteraard passief het reageert alleen op datgene, wat door het bewustzijn er mee in aanraking wordt gebracht, en wordt dan tot een gevoel van lust of onlust. Het heeft niets in zichzelf en brengt niets uit zichzelf voort, maar beoordeelt de dingen, de voorstellingen, die van buiten komen, alleen daarnaar, of ze aangenaam of onaangenaam zijn. Op zichzelf is het gevoel, is elke aandoening noch goed noch kwaad, noch waar noch onwaar. Dit zijn kategorieën niet eigenlijk van de aandoeningen, maar van de voorstellingen. Van de aandoeningen kunnen ze alleen gebruikt worden, inzoverre deze door ware of onware voorstellingen worden opgewekt, en door goede of kwade wilsrichtingen worden begeleid. In de religie is daarom ook niet het gevoel, maar het geloof, de religieuze voorstelling, het eerste; maar dat geloof werkt dan ook in op het gevoel. Wanneer echter, zoals bij Schleiermacher, het gevoel van het geloof, van de religieuze voorstelling wordt losgemaakt en tot eigen en enige bron en zetel van de religie wordt gemaakt, dan verliest het gevoel zijn kwaliteit, wordt het geheel onafhankelijk van de kategorie van waar en onwaar, van goed en kwaad, en is eigenlijk elk gevoel als zodanig reeds religieus, waar, goed en schoon. En dat was de schromelijke fout van heel de romantiek.

Natuurlijk ligt dan ook de dwaling voor de hand, om het religieus gevoel te verwarren en te vereenzelvigen met het zinnelijk en met het esthetisch gevoel. Uit de historie is aan ieder de verwantschap en de overgang bekend van religieuze en zinnelijke liefde. Maar even gevaarlijk is de vermenging van religieus en esthetisch gevoel, van godsdienst en kunst. Beide zijn wezenlijk onderscheiden. Religie is leven, werkelijkheid; de kunst is ideaal, schijn. De kunst kan de kloof niet dempen tussen ideaal en werkelijkheid. Zij heft ons wel een ogenblik boven de werkelijkheid, en doet ons leven in het rijk der idealen. Maar dit heeft alleen plaats in de fantasie. De werkelijkheid blijft er dezelfde om. De kunst toont ons wel in de verte het rijk van de heerlijkheid, maar zij brengt er ons niet in en maakt er ons geen burgers van. Zij verzoent niet onze schuld, zij droogt niet onze tranen, zij troost ons niet in het leven en sterven. Zij maakt het Dort niemals Hier. Dat doet de religie alleen. Zij is en geeft realiteit. Zij schenkt leven en vrede. Zij poneert het ideaal als waarachtige werkelijkheid en maakt er ons deelgenoot van. Daarom kan het esthetisch gevoel nooit het religieus gevoel, de kunst nooit de religie vervangen. Wel staan beide in verband. Religie en kunst zijn van de aanvang af nauw verbonden geweest; het verval van de een bracht dat van de andere mee; de laatste drijfkracht van de kunst lag in de religie. In de jongste tijd wordt dit door steeds meerderen erkend, en de onmisbaarheid der religie voor de kunst levendig beseft. In de religie, bepaald ook in de cultus, heeft de fantasie haar recht en haar waarde. Beim religiösen Process ist allerdings auch die Fantasie betheiligt, aber nicht als Erzeugingsprincip, sondern nur als Belebungsprincip. Die Einbildungskraft kan immer nur bereits gegebene Stofte und Triebe gestalten, aber nie kan sie die Religion selbst erst schaften1. Maar de Schaubühne is allerminst voor moralische Anstalt (Schiller) geschikt. Het theater kan de kerk en Lessings Nathan de Bijbel niet vervangen (Strauss). Idealen en scheppingen van de fantasie zijn geen vergoeding voor de realiteit, die de religie biedt. Het religieus gevoel, hoe innig en diep het overigens ook zijn moge, is dan alleen zuiver, wanneer het door ware voorstellingen opgewekt wordt2.

1 Nitzsch, Ev. Dogm. 91.

2 Von Hartmann, Die Religion des Geistes27-55. Nitzsch t. a. p. 97 v. Paulsen, Systern der Ethik 1889 bl. 434 v. Portig, Religion und Kunst in ihrem gegenseitigen Verhältniss. Iserlohn 1879, ‘80. Ernst Linde, Religion und Kunst. Tübingen 1905. Hoekstra, Godsd. en Kunst 1859. Lamers, Wet. v. d. godsd. II 164v. Gross, Die Bedentung des Aesthetischen in der evang. Religion, Gütersloh 1906. Ook Berlage, Over de waarschijnlijke ontwikkeling der architectuur. Delft 1905.

x
This website is using cookies. Accept