Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

81. De conclusie uit het voorafgaand onderzoek kan geen andere zijn, dan dat wij een ander uitgangspunt hebben te kiezen en een andere methode behoren te volgen. Het wezen en de oorsprong van de religie zijn door de historische en psychologische methode niet te verklaren; haar recht en waarde kan daarbij niet worden gehandhaafd. Het gaat niet aan, om de religie te begrijpen zonder God. God is de grote onderstelling van de godsdienst. Zijn bestaan en openbaring is de grondslag, waarop alle religie rust. Nu heet het wel onwetenschappelijk, om bij de verklaring van enig verschijnsel tot God terug te gaan; en inderdaad mag Hij ook niet dienst doen als asylum ignorantiae. Maar het is toch een arme wetenschap, die met God geen rekening houden mag en alle dingen zoekt te verklaren buiten en zonder Hem. Bij de wetenschappelijke verklaring van de godsdienst geldt dit in dubbele zin. Want God is hier het eigenlijke en directe object. Zonder Hem is alle religie een ongerijmdheid. De keuze staat hier slechts tussen deze twee, dat òf de religie een dwaasheid is, omdat God niet bestaat of volstrekt onkenbaar is, òf dat zij waarheid is maar dan het bestaan en de openbaring Gods in streng logische en wetenschappelijke zin eist en onderstelt. Wie het eerste niet aanvaarden kan, wordt gedwongen het tweede aan te nemen en God te erkennen als het principium essendi van alle religie. Er is godsdienst, alleen omdat God is en van schepselen gediend wil worden. Dan alleen, als het bestaan Gods vaststaat, is wezen en oorsprong, recht en waarde van de religie te begrijpen.

Maar de religie eist nog meer. Zij onderstelt niet alleen, dat God bestaat, maar ook dat Hij zich op de een of andere wijze openbaart en kennen doet. Alle godsdiensten hebben dit begrip van openbaring. Het wordt niet van buiten af aan de religie opgedrongen, maar vloeit uit haar oorsprong en wezen vanzelf voort. Er is geen religie zonder openbaring; openbaring is het noodwendig correlaat van de religie. Het wezen van de religie bestaat niet alleen subjectief in een religieuze gezindheid, die zich naar welgevallen uit, maar ook in een religio objectiva, in een dogma, moraal en cultus, die daarom alleen gezag hebben voor de gelovige, omdat zij naar zijn overtuiging de wil en de dienst van God bevatten. De oorsprong van de religie is historisch niet aan te wijzen en psychologisch niet te verklaren, maar wijst noodzakelijk naar de openbaring als haar objectieve grondslag heen. Het onderscheid tussen religie aan de ene en wetenschap en kunst aan de andere zijde doet ons datzelfde begrip van openbaring aan de hand. De natuur, de wereld rondom ons heen is de bron van onze kennis en artis magistra. Maar in de religie komt diezelfde wereld nog onder een ander gezichtspunt in aanmerking, n.l. als openbaring Gods, als bekendmaking van zijn eeuwige kracht en goddelijkheid. Het is de mens in de religie om iets heel anders te doen dan in wetenschap en kunst. In de religie zoekt hij niet een vermeerdering van zijn kennis noch een bevrediging van zijn fantasie, maar een eeuwig leven in de gemeenschap met God; een reëele verandering van zijn, een bevrijding van zonde en ellende. Het is hem in de religie om God zelf te doen, omdat hij beseft, dat hij in God alleen rust en vrede vinden kan. Daarom eist de religie een andere bron dan wetenschap en kunst; zij onderstelt een openbaring, die God zelf tot hem komen doet en in gemeenschap met Hem brengt. De religie is in haar wezen en oorsprong een product van openbaring. Langzamerhand begint dit ook erkend te worden. De wijsbegeerte van de godsdienst, die het begrip van de openbaring een tijd lang geen ernstige bespreking waardig keurde en het alleen aan een negatieve kritiek onderwierp, wordt gedwongen er mee te rekenen. De opvatting van die openbaring is nog zeer verschillend en soms zeer onjuist; maar het feit spreekt toch sterk, dat velen dit begrip weer opnemen en er een positieve zin aan trachten toe te kennen1. De H. Schrift gaat van het bestaan en van de openbaring Gods uit. God laat zich niet onbetuigd, en daarom is er van ‘s mensen zijde een zoeken, of hij Hem vinden en tasten mocht. Openbaring was er volgens de Schrift zowel vóór als na de val. Openharing is het principium cognoscendi externum van de religie.

Als wezen en oorsprong van de religie zo uit openbaring worden verklaard, mag dit echter niet in de sociniaanse zin worden verstaan, alsof de religie niet in ‘s mensen natuur was gegrond maar uit een uitwendige meedeling van leer was ontstaan2. In dat geval zou Schelling terecht de opmerking hebben gemaakt: ware der ursprungliche mens nicht an sich schon Bewusstseyn von Gott, musste ihm ein Bewusstseyn von Gott erst durch einen besonderen Actus ‘zu Theil werden, so mussten die, welche diess annehmen, selbst einen ursprunglichen Atheïsmus des menslichen Bewusstseyns behaupten3. De religie was dan een donum superadditum, niet wezenlijk eigen aan de menselijke natuur. Maar de mens is mens, omdat hij het beeld Gods is; hij is terstond als mens een religieus wezen. De godsdienst is niet het wezen van de mens, gelijk de Amorie van der Hoeven Jr. zich minder juist uitdrukte, want de religie is geen substantia maar een habitus of virtus; toch is zij een wezenlijke eigenschap van de menselijke natuur, zo vanzelf met haar gegeven en zo onafscheidelijk aan haar verbonden, dat zij door de zonde wel is verwoest, maar niet uitgeroeid is kunnen worden. Daarom is de religie ook algemeen en heeft zij ook zo grote macht in het leven en de geschiedenis. Of men wil of niet, altijd stuit men tenslotte in de mens op een zekere godsdienstige aanleg. Men kan die verschillend noemen, semen religionis, sensus divinitatis (Calvijn), godsdienstig gevoel (Schleiermacher, Opzoomer), geloof (Hartmann), gevoel voor oneindigheid (Tiele) enz., maar altijd is het toch een zekere vatbaarheid van de menselijke natuur, om het goddelijke gewaar te worden, waar het wijsgerig onderzoek naar de religie toe terugkeren en in eindigen moet4. Daarachter kan het niet doordringen. Want één van beide: de godsdienst is wezenlijk eigen aan de menselijke natuur en dus met deze van huis uit gegeven, of de mens was oorspronkelijk geen religieus wezen, dus ook geen mens maar een dier en heeft zich langzamerhand tot een godsdienstig wezen ontwikkeld; en dan is de godsdienst toevallig en een voorbijgaand moment in het proces van de evolutie. De vraag, waartoe het wijsgerig onderzoek tenslotte afdaalt, is deze: is de mens van de aanvang af mens, beeld Gods, Gode verwant, een godsdienstig wezen geweest, of heeft hij langzamerhand daartoe zich ontwikkeld? Is cultuur of ruwe, woeste natuur de eerste toestand van het menselijk geslacht geweest? Is de aanvang van de mensheid absoluut of relatief?5

Wie de religie in haar wezen handhaven wil, en ze beschouwt en erkent als een wezenlijke eigenschap van de menselijke natuur, neemt de aanvang van de mens absoluut en laat hem van huis uit Gode verwant en godsdienstig aangelegd zijn. Zulk een kan ook geen bezwaar meer hebben tegen de status integritatis, waarin de Schrift de eerste mens laat optreden. Volgens de Schrift is de mens van het eerste ogenblik van zijn bestaan af mens geweest, naar Gods beeld geschapen, en dus van datzelfde ogenblik af ook een religieus wezen. De religie is er niet later bijgekomen door afzonderlijke schepping of in de lange weg van de evolutie, maar ligt in het naar Gods beeld geschapen zijn van de mens vanzelf opgesloten. Wel is die oorspronkelijke toestand door de zonde bedorven en verwoest, maar de mens blijft toch Gode verwant, hij is yeou genov en blijft Hem zoeken, of hij Hem tasten en vinden mocht. Aan de objectieve openbaring Gods correspondeert dus in de mens een zekere facultas, aptitudo van zijn natuur, om het goddelijke op te merken. God doet geen half werk. Hij schept het licht niet alleen, maar ook het oog, om dat licht te aanschouwen. Aan het uitwendige beantwoordt het inwendige. Het oor is aangelegd op de wereld van de tonen. De logos in de schepselen correspondeert met de logos in de mens en maakt wetenschap mogelijk. Het schone in de natuur vindt weerklank in zijn schoonheidsgevoel. En zo is er niet alleen een uitwendige, objectieve, maar ook een inwendige, subjectieve openbaring. Gene is het principium cognoscendi externum van de religie, en deze het principium cognoscendi internum. Beide principia staan ten nauwste met elkaar in verband, zoals het licht met het oog, de gedachte in de wereld met de rede in de mens. De vraag, welk van beide het eerst is geweest, de uitwendige of de inwendige openbaring, is geheel overbodig. In hetzelfde moment, waarin God zich openbaarde aan de mens, doordat Hij hem schiep naar zijn beeld, kende deze God en diende Hem en omgekeerd. En de ware, echte religie kan alleen bestaan in een volkomene harmonie van de inwendige met de uitwendige openbaring; waarlijk religieus, beeld Gods, dienstknecht Gods, kind Gods, mens in volle zin is hij, die God, gelijk Hij is en zich door openbaring kennen doet, liefheeft met geheel zijn hart en met geheel zijn ziel en met al zijn krachten.

Evenals in de wetenschap zijn er dus ook in de religie drieërlei principia te onderscheiden. Er is religie, omdat God God is en als God door zijn redelijke schepselen gediend wil worden. Daartoe openbaart Hij zich aan de mens in woord en daad: principium cognoscendi externum, en maakt hem subjectief bekwaam om door die openbaring God te kennen en lief te hebben: principium cognoscendi internum. De vormen, waarin de openbaring uit- en inwendig geschiedt, kunnen gewijzigd worden overeenkomstig de verschillende toestand, waarin de mens als creatura mutabilis verkeren kan. Zij zijn andere in de status integritatis en corruptionis, en andere in de status gratiae en gloriae. Maar de drie principia blijven dezelfde. Er is geen religie, dan doordat God zich objectief en subjectief kennen doet aan de mens. En wederom vinden deze principia ook bij de religie hun grondslag in het trinitarisch wezen Gods. Het is de Vader, die in de Zoon en door de Geest zich openbaart. Niemand kent de Vader, dan wie het de Zoon door de Geest wil openbaren, Matt. 11:27, Joh. 16:13-14; 1 Cor. 2:10.

1 Pfleiderer, Grundriss par. 13 v. Rauwenhoff, Wijsb. 46. Von Hartmann, Il 69 v. Biedermann, Dogm. I 264. Lipsius, Dogm. par. 53. Nitzsch, Dogm. 127. Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 136 v. enz. Verg. verder de volgende paragraaf.

2 Fock, Der Socinianismus 291 v.

3 Schelling, Philos. der Mythologie, I 141.

4 Verg. Tiele, Inl. tot de godsdienstwet. II 108. 202. 204. Groenewegen, De Theol. en hare wijsbeg. bl. 79. 80.

5 Verg. Schelling, Vorles. über die Meth. des akad. Studiums, Werke I 5 hl. 286 v. 19

x
This website is using cookies. Accept