Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Hoofdstuk II. Principium Externum

Par. 9. Wezen en Begrip van de Openbaring.

Literatuur uit de tijd van het rationalisme en Supranaturalisme bij Bretschneider, Syst. Entwicklung aller in der Dogmatik vorkommenden Begriffe4, 1841 bl. 153 v. Liechtenhan, Die Offenbarung im Gnosticismus. Göttingen 1901. Troeltsch, Vernunft und Offenbarung bei Johann Gerhard und Melanchton. Göttingen 1891. Lessing, Erziehung des mensengeschlechts. Fichte, Versuch einer Kritik aller Offenbarung 1792. Hegel, Religionsphilos. 3ter Theil. Werner, Hegels Offenbarungsbegriff 1887. Schelling, filosofie der Offenbarung, Werke Ile Abth. III. IV. Schleiermacher, Chr. Gl. par. 10 Zusatz. Rothe, Zur Dogmatik 1863. Bokshammer, Offenbarung und Theologie 1882. Krauss, Die Lehre Von der Offenbarung. Gotha 1868. Voigt, Fundamentaldogmatik bl. 173 v. Ed. v. Hartmann, Religionsphilos. II 65 v. A. Drews, Die Religion als Selbstbewustsein Gottes. Jena 1906 bl. 184 v. Sabatier, Esquisse d’une philos. de la religion 1903 bl. 32 v. G. T. Ladd, Philos. of religion II 410 v.

82. De religie, in haar wezen en oorsprong onderzocht, leidt zelf naar de openbaring heen, en de geschiedenis van de godsdiensten bewijst, dat het begrip van openbaring niet alleen aan het Christendom eigen is en in de H. Schrift voorkomt, maar het noodzakelijk correlaat van alle religie is. Enkele voorbeelden stellen dit voldoende in het licht. Van de goden in de zogenaamde natuurgodsdiensten zegt Tiele, dat zij zich openbaren door orakels en profeten, en door tekenen en wonderen, die men waarneemt of meent waar te nemen in de natuur, bovenal aan het hemelgewelf of in al wat van de gewone loop van de dingen afwijkt. Maar al die openbaringen, al worden ze niet geheel prijsgegeven en al duiken ze later in gewijzigde vorm weer op, treden in de schaduw voor die éne grote openbaring, welke men bezit in de nieuwe leer, waarin men de hele wet Gods begrepen acht. Dit is vooral het geval in de door Tiele zo genoemde ethische godsdiensten, die allen persoonlijke goden hebben en die allen zeggen gesticht te zijn door een middelaar, door wie de Godheid de hoogste openbaring aan de mensheid bekend maakte1. Hiermede is niet te veel gezegd. De Indische Veda’s, die het heilige weten bevatten, zijn niet van menselijke oorsprong maar aan openbaring te danken en in de strengste zin van het woord van goddelijke herkomst2. Zarathustra ontving zijn roeping tot profeet in de droom, en werd menigmaal door engelen in de hemel gevoerd, waar hij gesprekken had met Ormuzd3. Hammurabi schreef zijn wetten neer als openbaringen van de zonnegod Samas4. Mohammed ontving zijn eerste openbaring, toen hij reeds veertig jaren oud was, en werd daarna telkens met allerlei openbaringen verwaardigd, waarvan inhoud in de Koran werden neergelegd5. Bij Grieken en Romeinen was het geloof algemeen, dat de goden redders, helpers en raadgevers van de mensen waren, en dat zij uit eigen beweging openbaringen gaven of hun wil door bijzondere waarnemingen of handelingen, uit de vlucht van de vogels, uit de ingewanden van dieren, uit verschijnselen aan de hemel enz. lieten uitvorsen6. Genoeg, om te doen zien, dat het geloof aan goddelijke openbaringen zonder uitzondering in alle godsdiensten voorkomt. Tegenwoordig wordt dit door alle beoefenaars van de studie van de godsdiensten onomwonden erkend; Tiele zegt: de idee van openbaring is aan alle godsdiensten gemeen, hoe verschillend de voorstellingen zijn mogen, die men daarvan vormt; en dit oordeel vindt instemming bij allen, die tot oordelen bevoegd zijn7.

Deze consensus gentium verheft het boven alle twijfel, dat wij in het openbaringsgeloof niet met een toevallig, willekeurig verschijnsel maar met een wezenlijk bestanddeel van de godsdienst te doen hebben. Revelatie en religie zijn zo nauw verwant en zo innig verbonden, dat de een met de andere staat of valt. Godsdienst is toch, gelijk boven uiteengezet is, van wetenschap, kunst en zedelijkheid wezenlijk onderscheiden, en wel daarin onderscheiden, dat de godsdienst de mens in verhouding stelt, niet tot de wereld of tot zijn medemens, maar tot een bovennatuurlijke, onzienlijke, eeuwige macht, hoe hij zich deze verder ook denken moge. Wel trachten velen tegenwoordig deze verhouding tot een bovennatuurlijke macht uit de godsdienst te verwijderen en hem op te vatten als een relatie van de mens tot zichzelf (Feuerbach), tot de mensheid (Comte), tot het wereldgeheel (Strauss), tot het ware, goede en schone (Haeckel), tot afgestorven geesten (spiritisme) enz.; maar daarmee wordt de godsdienst feitelijk van karakter veranderd, opzettelijk in bijgeloof omgezet of in een waan opgelost. “Het geloof in een of meer bovenmenselijke machten, in een God of goddelijke wereld is de grondslag, waarop alle godsdienst rust. Geen godsdienst zonder God”8. Het Boeddhisme maakt hierop geen uitzondering; want toen het als godsdienst optrad, had het in de Boeddha zijn God9. Indien religie echter steeds een verhouding tot God insluit, dan spreekt het vanzelf, dat deze Godheid voor de gelovige bestaan, zich openbaren en dus in enige mate kenbaar moet zijn. Godsdienst is òf een waan, òf hij is gebaseerd op het geloof aan het bestaan, de openbaring en de kenbaarheid Gods. In al zijn drie momenten, als voorstelling of idee van God, als religieuze aandoening en als religieuze handeling brengt godsdienst mee, dat wij aan Gods bestaan geloven en Hem uit zijn openbaring kenbaar achten; het agnosticisme is met het wezen van de religie in lijnrechte strijd, en is, evenals het scepticisme, op de waarheid van wat het ontkent gebouwd. Maar de Godheid, met welke de religie de mens in verbinding stelt, is een bovennatuurlijke, onzienlijke macht; zij is voor het gewone menselijk onderzoek niet toegankelijk; de wetenschap laat ons hier verlegen staan. Als wij van God iets zullen weten, dan moet Hij uit zijn verborgenheid te voorschijn treden, zich op een of andere wijze waarneembaar maken, en dus zich openbaren. Naturalisme, althans genomen in strikte zin, en godsdienst zijn onverenigbaar; en natuurgodsdiensten, in tegenstelling met openbaringsgodsdiensten, zijn er evenmin, als er zogenaamde natuurvolken bestaan, die van alle cultuur, dus ook van taal, godsdienst, zedelijkheid enz. verstoken zouden zijn. Ook in de laagste natuurgodsdiensten is er volgens Tiele reeds geloof aan goden, aan hun transcendentie, aan ‘s mensen verwantschap met hen10. Alle godsdienst is supranaturalistisch in die zin, dat hij rust op het geloof aan een Goddelijke macht, die van de wereld onderscheiden en boven haar verheven is en desalniettemin langs een of andere weg in haar neerdaalt en met haar gemeenschap houdt. Het blijft voorhands nog geheel in het midden, hoe en waardoor God zich openbaart, door natuur of geschiedenis, in verstand of hart, door theofanie of profetie; maar het feit staat vast, dat alle godsdienst op openbaring rust, op het geloof aan een bewuste, vrijwillige, opzettelijke bekendmaking van God aan de mens.

Dit wordt nog bevestigd door een andere overweging. Wat zoekt de mens in de godsdienst, en waarom is het hem in de religie te doen? Heel in het algemeen en zonder vrees voor tegenspraak kan gezegd worden, dat de mens in de godsdienst zoekt verlossing van het kwaad en verkrijging van wat hij voor het hoogste goed houdt. Siebeck verdeelt de godsdiensten wel in natuur-, moraliteits- en verlossingsgodsdiensten, maar Tiele verwerpt deze indeling terecht en zegt naar waarheid, dat de idee van verlossing in algemene zin aan alle godsdiensten eigen is; alle godsdiensten zijn verlossingsgodsdiensten, alle godsdienstleer is heilsleer11. Over het kwaad, waarvan verlossing begeerd wordt, en over het goed, dat men zoekt te verkrijgen, bestaat allerlei verschil; het een zowel als het ander wordt meer fysisch, of meer ethisch, of meer religieus opgevat. Maar het is de mens in de godsdienst altijd om verlossing te doen. De grote vraag in de godsdienst is altijd: wat moet ik doen, om zalig te worden? De mens zoekt in de godsdienst iets, wat geen wellust of zingenot, geen wetenschap of kunst, geen mens en geen engel, wat de hele wereld hem niet kan schenken; hij zoekt in de godsdienst onverstoorbaar geluk, eeuwig leven, gemeenschap met God. Maar indien dit zo is, dan is openbaring weerom beslist noodzakelijk; revelatie moet dan zijn het fundament van de religie. Indien wij de verlossingsgedachte analyseren, springt dit nog duidelijker in het oog. Alle religieuze voorstellingen, die de inhoud van de dogmatiek uitmaken, bewegen zich om drie centra; ze bevatten een leer omtrent God; een leer omtrent de mens in zijn betrekking tot God, en wel in tweeërlei zin, zoals die betrekking feitelijk is en zoals zij behoort te zijn, in empirische en in ideale zin; en een leer omtrent de middelen tot herstel en tot onderhouding van de gemeenschap met God; dus samengenomen een theologie, een antropologie en een soteriologie12. En weer valt het licht, bij al deze drie bestanddelen aan te tonen, dat zij onverbrekelijk met het begrip van de openbaring samenhangen. Ten aanzien van het eerste deel, de theologie, is dit reeds duidelijk; indien wij God kennen zullen, moet Hij zich openbaren. Maar openbaring is ook nodig voor het tweede deel, de antropologie. Want deze houdt zich niet bezig met die kennis van de mens, welke door wetenschappelijk onderzoek, door anatomie, physiologie en psychologie verkregen kan worden; maar zij handelt van ‘s mensen afkomst en bestemming, van zijn verhouding tot God, van zijn ellende door de zonde, van zijn behoefte aan verlossing, van zijn paradijs-herinneringen en toekomstverwachtingen13. Dit alles ligt op een terrein, dat voor de wetenschap een terra incognita is, maar alleen door openbaring voor de mens ontdekt worden kan. In nog sterkere mate geldt dit van het derde deel van de dogmatiek, de soteriologie; want deze bespreekt de middelen tot herstel, of liever in de eerste plaats de middelaars, die de verbroken gemeenschap met God herstellen en de mens weer aan zijn bestemming doen beantwoorden. Ook dit geloof aan middelaars is algemeen14 en kan nergens dan op openbaring rusten. Openbaring en genade staan in nauw verband, evenals genade en geloof.

1 Tiele, Inl. tot de godsdienstwet. I 118-120.

2 Ch. de la Saussaye, Lehrb. der Religionsgesch3. II 8 v.

3 Ch. de la Saussaye, t. a. p. II 171.

4 Ibid. I 285.

5 Ibid. I 476. Verg. Dr. Otto Pautz, Mohammeds Lehre von der Offenbarung. Leipzig 1898.

6 Ch. de la Saussaye, t. a. p. II 321 v. 439 v.

7 Tiele, t. a. p. I 119. Verg. voorts bijv. Weisse, Philos. Dogm. I76 v. Rothe, Zur Dogm. 61. Gunkei, in: Beitrage zur Weiterentw. der chr. Rel. 1905 bl. 62. Wobbermin aldaar bl. 343. Verg. boven blz. 288.

8 Tiele, t. a. p. II 64.

9 Tiele, t. a. p. I 116. II 64. Ch. de la Saussaye t. a. p. II 89 v. G. T. Ladd, Philos. of relig. I 107 v.

10 Tiele, t. a. p. I 78 -80.

11 Tiele t. a. p. I 61. II 66. 100.

12 Tiele, t. a. p. II 64 v.

13 Tiele, t. a. p. II 65. 96 v.

14 Tiele t. a. p. I 118. 151. II 102 v.

x
This website is using cookies. Accept