Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

91. Theofanie (Angelofanie, Christofanie). Meermalen is er in de H. Schrift sprake van een verschijning Gods; soms zonder enige nadere omschrijving, Gen. 12:7; 17:1,22; 26:2,24; 35:9, Ex. 6:2 [Ex. 6:3], cf. ook Gen. 11:5, Ex. 4:24; 12:12, 23; 17:6, Num. 23:4,16, 1 Sam. 3:21, 2 Sam. 5:24, maar elders in de droom, Gen. 20:3, 28:12 v. Gen. 31:24; 1 Kon. 3:5; 9:2, of ook in het profetisch visioen, 1 Kon. 22:19 v. Jes. 6, Ezech. 1:4 v., Ezech. 3:12 v., Ezech. 3:8; 4:1, 4 v., Ezech. 10:1 v., Ezech. 43:2 v., Ezech. 44:4, Am. 7.7; 9;1, Dan. 7:9 v. Luk. 2:9, 2 Petr. 1:17, en menigvuldiger nog in wolken van rook en vuur als tekenen van zijn tegenwoordigheid; zo aan Abraham, Gen. 15:17 v., aan Mozes, Ex. 3:2, 33:18 v., op Sinaï, Ex. 19:9, 16 v., Ex. 24:16, cf. vs. Ex. 24:9-11, Deut. 5:23; 9:15, Hebr. 12:28 over het volk, Ex. 13:21 v., Ex. 14:19-24; 40:38, Num. 9:21; 14:14, Deut. 1:33, Neh. 9:12,19, Ps. 78:14, boven de tabernakel, Ex. 33:9, 40:34 v. Lev. 9:23, Num. 9:15-23; 11:17,25, Num. 12:5; 17:7; 20:6, Deut. 31:15, Ps. 99:7, Jes. 4:5, en in het heilige der heiligen, Ex. 25:8,22; 29:45-46, Lev. 16:2; 26:11-12, Num. 7:89, cf. ook nog aan Elia, 1 Kon. 19:11 v. Deze verschijningen veronderstellen geen lichaamlijkheid Gods, Ex. 20:4, 33:20, Deut. 4:12,15, maar zijn zinnelijk waarneembare tekenen, waardoor zijn tegenwoordigheid kenbaar wordt, gelijk ook de H. Geest op de Pinksterdag zich kenbaar maakt door wind en vuur. Er is daarbij ook niet te deken aan een emanatie van deze wolk uit het goddelijk Wezen, maar aan een in kreatuurlijke vormen zich openbarende tegenwoordigheid van God. In die tekenen wordt de goddelijke heerlijkheid, dwbk, doxa openbaar, Ex. 16:20; 24:17, Lev. 9:6,23,24, Num. 14:10, 16:19, 20:6, en daarom wordt die heerlijkheid ook beschreven als een verterend vuur, Ex. 24:17, Lev. 9:23,24 en als een wolk, 1 Kon. 8:10,11, Jes. 6:4. Maar God verschijnt niet alleen in onpersoonlijke tekenen, ook in persoonlijke wezens bezoekt Hij zijn volk. Omgeven en gediend door vele duizenden engelen, Jes. 6:2,6, zendt Hij deze in menselijke gedaante naar de aarde heen, om zijn woord en wil bekend te maken. Zij komen reeds voor in Gen. 18:19; 28:12; 32:1-2, Deut. 33:2, Job 33:23, 1 Kon. 13:18, en hebben volgens Hand. 7:53, Gal. 3:19 ook bij de wetgeving gediend, maar zijn middelaars der openbaring vooral na de Ballingschap, Dan. 8:13; 9:11; 10:5, Zach. 1:7-6:5. Nog vaker treden ze op in het Nieuwe Testament: ze zijn tegenwoordig bij de geboorte van Jezus, Matt. 1:20; 2:13,19, Luc. 1:11; 2:9, telkens in zijn leven, Joh. 1:52 [Joh. 1:51], Matt. 4:6, bij zijn lijden, Matt. 26:53, Luk. 22:43, bij zijn opstanding en hemelvaart, Matt. 28:2,5, Luk. 24:23, Joh. 20:12, Hand. 1:10. In de geschiedeis der apostelen komen zij meermalen voor, Hand. 5:19; 8:26; 10:3; 11:13; 12:7; 23:9; 27:23; Apoc. 22:6,16. En bij zijn wederkomst wordt Christus door de engelen vergezeld, Matt. 16:27; 25:31, Mark. 8:38, Luk. 9:26, 1 Thess. 3:13 enz.

Onder al deze gezanten Gods neemt de hwhy Kalm een bijzondere plaats in. Hij verschijnt aan Hagar, Gen. 16:6-13; 21:17-20; aan Abraham, Gen. 18; 19; 22; 24:7,40; aan Jakob, Gen. 28:13-17; 31:11-13; 32:24-30, cf. Hos. 12:4, Gen. 48:15-16; aan en ten tijde van Mozes, Ex. 3:2 v. Ex. 13:21; 14:19; 23:20-23; 32:34; 33:2 v. cf. Num. 20:16, Jes. 63:8,9, en voorts nog Jos. 5:13-14, Richt. 6:11-24, 13:2-23. geen onzelfstandig symbool, noch ook een geschapen engel, maar een persoonlijke, adekwate openbaring en verschijning van God, van Hem onderscheiden, Ex. 23:20-23, 33:14 v., Jes. 63:8,9, en toch met Hem één in naam, Gen. 16:13; 31:13; 32:28,30; 48:15-16, Ex. 3:2 v., Ex. 23:21, Richt. 13:1-2 ; in macht, Gen. 16:10-11; 21:18; 18:14,18, Ex. 14:21, Richt. 6:21 ; in verlossing en zegening, Gen. 48:16, Ex. 3:8; 23:20, Jes. 63:8-9 ; in aanbidding en ere, Gen. 18:3; 22:12; Ex. 23:21. Na de verlossing uit Egypte treedt de Malak Jhvh terug. God woont onder zijn volk in de tempel, 1 Kon. 8:10 v., 2 Kron. 7:1 v., Ps. 68:17 [Ps. 68:16], 74:2, 132:13 v., Ps. 135:21. Daarheen gaat het zielsverlangen van Israëls vromen uit, Ps. 27:4; 42; 43; 48; 50; 63:3 [Ps. 63:2]; 65; 84; 122; 137. Maar deze theofanie is onvolkomen. God woont niet in een huis met handen gemaakt, 1 Kon. 8:27, Jer. 7:4, Mich. 3:11, Hand. 7:48, 17:24. In het heilige der heiligen mocht slechts de Hogepriester eenmaal ‘s jaars ingaan. De theofanie bereikt in het Oude Testament nog niet haar einde en haar doel. Daarom wordt er nog een andere en heerlijker komst van God tot zijn volk verwacht, zowel tot verlossing als tot gericht, Ps. 50:3; 96:13, Jes. 2:21, 30:27v, passim, Mich. 1:3; 4:7, Zeph. 3:8, Joël 3:17, Zach. 2:10 v., Zach. 14:9. De Engel van het verbond treedt weer op in de profetie, Zach. 1:8-12, 3, en zal komen tot zijn tempel, Mal. 3:1. De theofanie bereikt haar hoogtepunt in Christus, die de aggelov, doxa, eikwn, logov, uiov tou yeou, is; in wie God ten volle is geopenbaard en ten volle geschonken, Matt. 11:27, Joh. 1:14; 14:9; Col. 1:15; 2:19 enz. Door Hem en de Geest, dien Hij uitzendt, wordt het wonen van God onder en in zijn volk reeds nu waarachtige, geestelijke realiteit, Joh. 14:23, Rom. 8:9,11, 2 Cor. 6:16. De gemeente is het huis Gods, de tempel van de H. Geest, Matt. 18:20. 1 Cor. 3:16; 6:19, Ef. 2:21. Maar ook deze inwoning van God in de gemeente van Christus is nog niet het laatste en hoogste. Zij bereikt haar volle verwezenlijking eerst in het nieuwe Jeruzalem. Dan is de tabernakel van God bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn en God zelf zal bij hen en hun God zijn. Zij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hun voorhoofde wezen, Matt. 5:8, 1 Cor. 15:28, 1 Joh. 3:2, Openb. 21:3, 22:4 1.

1 Verg. art. Theophanie en Schechina in PRE2. Art. Wolken- u. Feuersäule in PRE3 en in Winer. Bibl. Realwort. Trip, Die Theophanieen iu de Geschichtsbüchern des A. T. Leideu 1858 en de daar aangehaalde litt. Schultz, Altt. Theol. 4e Aufl. 1889 bl. 507 v. Oehler, Altt. Theol. 2te Aufl. 1882 bl. 195 v. Smend, Lehrb. der altt. Religionsgeschichte 1893 bl. 42 v. Weber, System der altsynag. palästin. Theologie. Leipzig 1880 bl.179 v. Cremer, Wörterb. s. v. doxa. Delitzsch, Bibl. Psychol. 2e Aufl. 1861 bl. 49 v. Keerl, Die Lehre des N. T. von der Herrlichkeit Gottes. Basel 1863. Van Leeuwen, Bijb. Godg. 72 v.

x
This website is using cookies. Accept