Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

92. Profetie. Onder profetie verstaan wij hier de mededeling Gods van zijn gedachten aan de mens. Dikwijls wordt hiervoor de naam van inspiratie gebezigd; en in zoverre ook juister, als het begrip van profetie ruimer is dan dat van inspiratie en ook de verkondiging van die gedachten aan anderen omvat. Maar inspiratie is op grond van 2 Tim. 3:16 vooral van de beschreven openbaring gebruikelijk. En het woord profetie werd vroeger meermalen in onze zin gebezigd1. Het sluit ook in het ontvangen van de gedachten van God, omdat een profeet alleen is, wie Gods woord verkondigt. En het doet beter dan inspiratie de bedoeling van God uitkomen, waarmee Hij zijn gedachten meedeelt. n.l. dat de mens zelf een profeet zij, een verkondiger van zijn deugden. De gedachten van God nu, welke in de profetie worden meegedeeld, kunnen betrekking hebben op het verleden, zoals in de historische boeken van de Schrift of op het heden of op de toekomst. Maar altijd stelt de profetie de gedachten van God tegenover die van de mensen, zijn waarheid tegenover hun leugen, zijn wijsheid tegenover hun dwaasheid. Deze mededeling van Gods gedachten aan de mens kan volgens de Schrift plaats hebben op verschillende wijze. Soms spreekt God zelf op hoorbare wijze, in menselijke stem en taal, Gen. 2:16; 3:8-19; 4:6-16; 6:13; 9:1,8 v., Gen. 32:26 v., Ex. 19:9 v., Num. 7:89, Deut. 5:4, 1 Sam. 3:3 v., Matt. 3:17; 17:5, Joh. 12:28-29. Op vele plaatsen wordt God sprekende voorgesteld, zonder nadere omschrijving van de wijze, waarop dat spreken heeft plaats gehad, uit- of inwendig, in droom of visioen enz. Het vertrouwelijkst karakter draagt dit spreken van God bij Mozes, die niet verschrikt noch nedervalt als God tot hem spreekt, maar met wie God sprak van mond tot mond, en omging als een vriend met zijn vriend, Num. 12:6-8, Ex. 33:11; 34:29; Deut. 5:5; 18:15,18; 2 Cor. 3:7, Gal. 3:19, Hebr. 3:5. De Joden spraken later van een Bath-Kol, een hemelse stem, waardoor God zich openbaarde; maar deze stond lager dan de vroegere profetie, en was gekomen nadat de geest der profetie had opgehouden2.

Maar dikwijls sluit God in de mededeling van zijn gedachten zich bij die lagere vormen aan, onder welke ook bij de Heidenen de goden gedacht werden hun wil bekend te maken. Er is dan in de vorm een bijna volkomene overeenstemming. Daartoe behoren vooral het lot, de Urim en Tummim, de droom en het visioen. Het lot werd bij veel gelegenheden gebruikt, op de grote verzoendag, Lev. 16:9. bij verdeling van het land, Jos. 13:6, 14:2 enz., Neh. 11:1, van de Levietensteden, Jos. 21:4; van buit, Joël 3:3, Nah. 3:10, Obad. 11 ; van klederen, Matt. 27:35, Joh. 19:23; bij beslissing in moeilijke gevallen, Jos. 7, 1 Sam. 14:42, Spr. 16:33; 18:18; Jon. 1:7. bij verkiezing tot een ambt, 1 Sam. 10:19, Hand. 1:26, 1 Kron. 24:5, Luk. 1:9 enz.; ook het Godsoordeel, Num. 5:11-31 kan hierbij gerekend worden3. De Urim en Tummim, LXX dhlwsiv kai alhyeia, Vulg. doctrina et veritas, licht en recht, komen 7 maal voor, Ex. 28:30, Lev. 8:8, Num. 27:21, Deut. 33:8, 1 Sam. 28:6, Ezra 2:63, Neh. 7:65. De U. en Th. zijn niet met de 12 edele stenen op de borstlap van de hogepriester identiek, gelijk Josephus en velen na hem menen, maar waren volgens Ex. 28:30 en Lev. 8:8 voorwerpen, die in de borstlap verborgen werden. Doch hoe zij Gods wil deden kennen, door glinstering van de stenen, door een stem, door inspiratie enz., en ook waarin ze bestonden, in twee stenen met het tetragrammaton, of in beeldjes, of in een van edele gesteenten gemaakte halsketen, of in stenen om te loten, is geheel onbekend. De laatste mening heeft in de nieuwere tijd steun gekregen in de door Thenius 1842 naar de LXX veranderde tekst van 1 Sam. 14:41. De U. en Th. zouden dan loten geweest zijn met ja en neen en ook gebruikt zijn, Richt. 1:1; 20:18; 1 Sam. 22:10,15; 23:6,9-11; 30:7 v., 2 Sam. 2:1; 5:19,23. Maar daarbij zijn antwoorden, niet van ja en neen, maar van lange omschrijving en uitweiding, Richt. 20:27 1 Sam. 30:7 v., 2 Sam. 5:23; 21:1; Richt. 1:1; 20:18, 2 Sam. 2:1, vooral 1 Sam. 10:22b, 2 Sam. 5:23, 1 Kron. 14:14, niet goed te verklaren. De U. en Th. behoorden echter zeker wel tot eenzelfde categorie van openbaring als het lot; zij komen vooral voor in de tijd van Salomo en schijnen dan plaats te maken voor de eigenlijke profetie4.

Vervolgens komen dromen in de H. Schrift als openbaringsmiddel voor. Daarvoor werde zij in de hele oudheid gehouden5. En nog wordt door velen grote waarde aan dromen gehecht6. Nu wist men te allen tijde, dat dromen ook zeer bedrieglijk waren. Homerus en Aristoteles niet alleen, maar ook de H. Schrift wijst telkens op het ijdele der dromen, Ps. 73:20, Job 20:28, Jes. 29:7, Pred. 5:2,6, Sirach 31:1 v., 34:1 v., en schrijft ze dikwijls aan de valse profeten toe, Jer. 23:25; 29:8; Mich. 3:6, Zach. 10:2. Maar toch bedient God zich telkens van dromen om zijn wil bekend te maken, Num. 12:6, Deut. 13:1-6, 1 Sam. 28:6,15, Joël 2:28 v ; zij komen bij Israëlieten, maar ook meermalen bij niet-Israëlieten voor, Gen. 20; 31; 40; 41; Richt. 7; Dan. 2; 4 en behelzen of een woord, een mededeling van God, Gen. 20:3; 31:9,24, Matth. 1:20; 2:12,19,22; 27:19, of een voorstelling van de fantasie, die dan meermalen verklaring behoeft, Gen. 28; 37:5; 40:5; 41:15, Richt. 7:13, Dan. 2; 4 7.

Met de droom is het visioen verwant, Gen. 15:1,11; 20:7, Num. 12:6. Reeds de namen har, hzh, aybn en misschien ook hpu, waarmee de profeet genoemd wordt8, en de namen harm en Nwzx voor het profetisch gezicht duidt waarschijnlijk aan, dat het visioen een niet ongewoon middel van de openbaring was. Maar deze woorden hebben dikwijls hun oorspronkelijke betekenis verloren en worden ook gebruikt als er geen eigenlijk gezicht meer plaats heeft, 1 Sam. 3:15, Jes. 1:1, Ob. 1, Nah. 1:1 enz. Visioenen worden in de Schrift telkens vermeld en beschreven, van Genesis af tot in de Openb. toe. Gen. 15:1; 46:2; Num. 12:6; 22:3; 24:3; 1 Kon. 22:17-23; Jes. 6; 21:6, Jer. 14:14, Ezech. 1; 2; 3; 8; 9; 10; 11; 40; Dan. 1:17, 2:19, 7, 8, 10, Amos 7; 9; 9; Zach. 1; 2; 3; 4; 5; 6; Matth. 2:13, 19, Luk. 1:22, 24:23, Hand.7:55; 9:3; 10:3,10; 16:9; 22:17; 26:19; 1 Cor.12:14; 2 Cor. 12:1, Apoc. 1:10 enz. Het visioen was menigmaal van een zekere geestvervoering vergezeld. Muziek, dans en extase gaan saam; profetie en poëzie zijn verwant, 1 Sam. 10:5 v., 1 Sam. 19:20-24; 2 Kon. 3:15, 1 Kron. 25:1,25, 2 Kron. 29:30. Als de hand des Heeren op de profeten valt, Jes. 8:11, Ezech. 3:14, 11:5, of de Geest over hen komt, geraken zij menigmaal in een toestand van verrukking, Num. 24:3, 2 Kon. 9:11, Jer. 29:26, Hos. 9:5, en vallen ter aarde, Num. 24:3, 15, 16, 1 Sam. 19:24, Ezech. 1:28; 3:23; 43:3; Dan. 10:8-10, Hand. 9:4, Apoc. 1:17, 11:16, 22:8. In die toestand worden hun de gedachten Gods in symbolische vorm te zien of te horen gegeven. In beelden en gezichten wordt hun zijn raad geopenbaard, Jer. 1:13 v., Jer. 24:1 v., Am. 7; 8; 9 Zach. 1-6, Apoc. enz.; vooral aangaande de toekomst, Num. 23 v., 1 Kon. 22.17, 2 Kon. 5:26, 8:11 v., Jer. 4:23 v., Jer. 14:18, Ezech. 8, Am. 7 enz. Ook horen zij in die toestand allerlei stemmen en geluiden, 1 Kon. 18:41, 2 Kon. 6:32, Jes. 6:3,8. Jer. 21:10; 49:14, Ezech. 1:24,28; 2:2; 3:12; Apoc. 7:4, 9:16, 14:2, 19:1, 21:3, 22:8 enz. Zelfs worden zij in de geest opgenomen en verplaatst, Ezech. 3:12 v., Ezech. 8:3; 43:1, Dan. 8:2, Matth. 4:5,8, Hand. 9:10; 10; 11; 22:17; 23:11; 27:23; 2 Cor. 12:2, Apoc. 1:9,12; 4:1; 13:1. Daniël was na het ontvangen van een visioen enige dagen ziek, Dan. 7:28; 8:27. Toch was de extase, waarin de ontvangers van de openbaring vaak verkeerden, geen toestand, waarbij het bewustzijn geheel of gedeeltelijk was onderdrukt. Zodanig was wel de toestand, waarin de Griekse manteiv hun godspraken gaven9. Philo, Justinus Martyr, Athenagoras, Tertullianus en in de nieuwere tijd Hengstenberg10 hebben de extase van de profeten zo opgevat. Maar deze ontvangen visioenen niet in slapende, maar in wakende toestand, niet alleen in de eenzaamheid, maar ook in bijzijn van anderen, Ezech. 8:1. Onder het visioen blijven zij zichzelf bewust, zien, horen, denken, spreken, vragen en antwoorden, Ex. 4; 5; 6; 32:7 v., Jes. 6, Jer. 1, Ezech. 4; 5; 6 enz., en later herinneren zij zich alles en delen het nauwkeurig mee11. Daarom werd de psychische gesteldheid van de profeten onder het visioen door de meeste theologen gehouden voor een zelfbewuste, geestelijke aanschouwing, voor een alienatio mentis a sensibus corporis, en niet voor een alienatio a mente12. Alleen heeft König, ten einde de objectiviteit te handhaven, daaraan de eigenaardige mening toegevoegd, dat alle visioenen uitwendig, lichamelijk en zinnelijk waarneembaar waren. Inderdaad zijn vele verschijningen als Gen. 18, 32, Ex. 3, 19 enz. naar de bedoeling van de schrijvers voor objectief te houden. Er is onderscheid tussen theofanie en visioen. Maar toch zijn de bovengemelde visioenen 1 Kon. 22:17 v., Jes. 6, Jer. 1, Ezech. 1; 2; 3, Dan., Amos 7; 8; 9, Zach. 1-6 enz. zeker inwendig en geestelijk. Vele zijn van dien aard, dat ze niet zinnelijk voorstelbaar en waarneembaar zijn. König gaat te ver, als hij van het uitwendige van de openbaring haar objectiviteit en waarheid laat afhangen, en geen inwerking van Gods Geest in de geest van de mens denken kan, dan door de uitwendige zintuigen heen. Hij vergeet, dat er ook wel hallucinaties zijn van gezicht en gehoor, dat het uitwendige als zodanig zelfbedrog nog niet buitensluit en dus de zekerheid van de openbaring door haar uitwendig karakter alleen niet voldoende bewezen wordt13.

Als laatste vorm van openbaring moet nog genoemd worden de inwendige verlichting. Hengstenberg14 meende, dat de extase de gewone toestand was, waarin de profeet bij het ontvangen van de openbaring verkeerde. Maar dit gevoelen is door velen, o.a. door Riehm en König15 bestreden en thans algemeen verworpen; de extase is niet de regel, maar de uitzondering. De meeste openbaringen aan de profeten ook in het Oude Testament hadden plaats zonder enig visioen, bijv. bij Jesaja, Haggai, Maleachi, Obadja, Nahum, Habakuk, Jeremia, Ezechiel. Wel wordt dan voor de Godsspraak nog dikwijls het woord “gezicht” gebezigd, maar dit gebeurt ook daar, waar er niets wordt gezien, Jes. 1:1; 2:1, Amos 1:1, Hab. 1:1, 2:1, 1 Sam. 3:15, Ob. 1, Nah. 1:1 enz. De openbaring geschiedt dan inwendig door de Geest, als Geest van de openbaring. Wel heeft König16 beweerd, dat de Geest niet is principe der openbaring, maar alleen principe der illuminatie, d.i. dat Jhvh openbaart maar de Geest slechts voor die openbaring subjectief ontvankelijk maakt; König kwam hiertoe, omdat hij ook daardoor de objectiviteit en uitwendigheid van deopenbaring handhaven wilde en de subjectieve Geest wilde binden aan het objectieve woord van Jhvh. Maar Num. 11:25-29, Deut. 34:9, 1 Sam. 10:6, 19:20 v., 2 Sam. 23:2, 1 Kon. 22:24, 1 Kron. 12:18; 28:12; 2 Kron. 15:1; 20:14 v., 2 Kron. 24:20, Neh. 9:30, Jes. 11:1, 30:1, 42:1, 48:16, 59:21, 61:1, 63:10 v., Ezech. 2:2; 3:24; 8:3; 11:5, 24, Micha 3:8. Hos. 9:7 Joël 2:28, Zach. 7:12, laten zich niet uitsluitend van een formele, subjectieve bekwaammaking van de Geest verstaan; zij leren duidelijk, dat de profeten niet alleen door maar uit de H. Geest spraken, dat de profetie voortkwam uit de Geest in hen. Er was ook wel een de profeet subjectief bekwaam makende werkzaamheid van de Geest, maar deze is niet de enige; zij is niet van de andere openbarende werkzaamheid zo streng te scheiden als König doet, zij is op Königs standpunt, waar de openbaring geheel uitwendig is, ook onnodig17. En de leugengeest, 1 Kon. 22:22 leert duidelijk, dat de Geest bron van het woord is. De Joodse theologie zag in de Geest niet alleen de bron van de verlichting, maar ook van de openbaring en profetie18.

Het Nieuwe Testamet verklaart even duidelijk, dat de Oudtestamentische profeten spraken uit en door de Geest Gods, Hand. 28:25, 1 Petr. 1:11, 2 Petr. 1:21. Wel echter is er onderscheid in de wijze, waarop de Heilige Geest in Oude en Nieuwe Testament de openbaring innerlijk meedeelt. Onder het Oude Testament daalt de Heilige Geest van boven en momenteel op iemand neer. Hij komt over de profeten, Num. 24:2, 1 Sam. 19:20,23, 2 Kron. 15:1; 20:14, wordt vaardig over hen, Richt. 14:19; 15:14; 1 Sam. 10:6, valt op hen, Ez. 11:5, trekt hen aan als een kleed, Richt. 6:34, 1 Kron. 12:18, de hand., d.i. de kracht des Heeren grijpt hen aan, Jes. 8:11, Ez. 1:3, 3:22, 8:1, 37:1, 40:1. Tegenover deze werking van de Geest zijn de profeten dan ook meest passief, zij zwijgen, vallen ter aarde, ontzetten zich, en verkeren voor een tijd in een abnormale, extatischen toestand, De Geest van de profetie is nog niet het blijvend bezit van de profeten; er is nog scheiding en afstand tussen beide; en de stand der profeten staat nog afgezonderd tegenover het volk. Heel de profetie is nog onvolkomen. Zij ziet daarom ook vooruit en verwacht een profeet, op wie de Geest des Heeren rusten zal, Deut. 18:18, Jes. 11:2; 61:1; ja zij voorspelt de vervulling van Mozes’ wens, dat al het volk des Heeren profeten mochten zijn, Num. 11:29, en getuigt van een toekomstige woning van Gods Geest in alle kinderen des Heeren, Jes. 32:15; 44:3; 59:21; Joël 2:28, Ez. 11:19; 36:27; 39:29. In het Nieuwe Testament verschijnt de hoogste, de enige, de waarachtige profeet. Hij is als Logos de volle en voltooide openbaring Gods, Joh. 1:1,18; 14:9; 17:6; Col. 2:9. Hij ontvangt geen openbaring van boven of buiten, maar is zelf de bron der profetie. De H. Geest komt niet over Hem en valt niet op Hem neer, maar woont in Hem zonder mate, Joh. 3:34. Uit die Geest is Hij ontvangen, door die Geest spreekt, handelt, leeft en sterft Hij, Matt. 3:16; 12:28; Luk. 1:17; 2:27; 4:1,14,18; Rom. 1:4, Hebr. 9:14. En die Geest schenkt Hij aan zijn discipelen, niet alleen als Geest der wedergeboorte en heiliging, maar ook als Geest der openbaring en verlichting, Mark. 13:11, Luk. 12:12, Joh. 14:17; 15:21; 16:13; 20:22; Hand. 2:4; 6:10; 8:29; 10:19; 11:12; 13:2; 18:5; 21:4; 1 Cor. 2:12 v., 1 Cor. 12:7-11. Door die Geest worden nog wel bijzondere personen bekwaamd tot het ambt van profeet, Rom. 12:7, 1 Cor. 14:3, Ef. 2:20, 3:5 enz. Ook de eigenlijke voorspelling ontbreekt in het Nieuwe Testament niet, Matt. 24, Hand. 20:23; 21:8; 1 Cor. 15; 2 Thess. 2, Maar alle gelovigen zijn toch de zalving van de Geest deelachtig, 1 Joh. 2:20, en zijn van de Heere geleerd, Matt. 11:25-27 Joh. 6:45. Allen zijn profeten, die de deugden des Heeren verkondigen, Hand. 2:17 v., 1 Petr. 2:9. De profetie als een bijzondere gave zal te niet gedaan worden, 1 Cor. 13:8. In het nieuwe Jeruzalem zal de naam van God op de voorhoofden van allen zijn. De leugen is er volkomen buitengesloten, Openb. 21:27; 22:4,15 19.

1 Thomas, S. Theol. II 2 qu. 171. art. 1.

2 Weber Syst. der altsyn. pal. Theol. 187. Dalman in PRE3 II 443.

3 Benzinger, art. Los, PRE3 XI 642.

4 Art. U. en Th. in PRE2. Winer, Realwort. Riehm, Worterb. Keil, Archaeol. Par. 35. De Welte-Räbiger, Archaeol. bl. 281 v. Oehler, Altt. Th. bl. 334 v. Schultz, Altt. Th. 257 v. Dosker, Presbyt. and Ref. Rev. act. 1892 bl. 717 v. Wildeboer, Theol Stud. 1905 bl. 195-204.

5 Homerus, Od. XIX 560 v. Il I 63. II 22. 56. Aristoteles, peri thv kay ipnou mantikhv Cicero, de divinatione I 29. Philo, de somniis.

6 Splittgerber, Schlaf und Tod2 1881 I 66-205.

7 PRE2 XV 734. G. E. W. de Wijs, De dromen in en buiten de Bijbel 1858.

8 Kuenen, De profeten I 49, 51 v. 97. Id. Godsd. v. Isr. I 212. Id. Hist. Cr. Ond. II2 5 v. Kortig, Der Offenbarungsbegriff I 77 v. Delitzsch, Genesis3 634. Schultz, Altt. Trh. 239. Smend, Lehrb. 79 v.

9 Tholuck, Die Propheten bl. 64 v. Verg. ook Th. Achelis, Die Extase in ihrer kulturellen Bedeutung. Berlin 1902.

10 In de eerste uitgave van zijn Christologie der A. T. III 2, 158 v.

11 Kanig, Der Offenbarungsbegriff I 160 v..II 83 v. Kuenen, De profeten I 96 v. Oehler, Altt. Theol. par. 207 v. Orelli, in PRE2 XVI 724.

12 Orig. de princ. III, 3, 4. August. ad Simplic. II qu 1. Thomas, S. Theol. II 2 qu 175. Witsius, de proph. I c. 4. Buddeus, lust. theol. dogm. I, 2, 5 en in de nieuwere tijd Havernick en Keil in hun inleiding op het O. T. Oehier, Altt. Theol. par. 210. Tholuck, Die Propheten hl. 64 v. Kueper, Das Profetenthum des Alten Bundes bl. 51 v. Orelli t.a.p. Kanig, Offenb. II 132 v.

13 Orelli t.a.p. Kuenen H. C. O. II2 13. Van Leeuwen, Bijb. Godg. 62 v. Borchert, Die Visionen der Propheten, Stud. u. Krit. 1895. 2tes Heft.

14 Hengstenberg, Christol, des A. T. III2 2 bl. 158 v. Verg. ook Kueper, Das Proph. 53 v.

15 Riehm, Mess. Weissagung2 bl. 15 v König, Der Offenbarungsbegriff II 48 v. 83 v. 132 v.

16 t.a.p. I 104 v. 141 v. 155 v.

17 Kuenen, H. C. O2 II 14.

18 Weber, System bl. 184-187.

19 Verg. over de profetie, behalve de reeds aangehaalde literatuur ook nog Cornill, Der israël. Prophetismus. Strassburg 1894. Giesebrecht, Die Berufsbegabung der altt. Propheten. Göttingen 1897. Kittel, Prophetie und Weissagung. Leipzig 1899. E. König, Das Berufungsbewusstsein der altt. Propheten. Berlin 1900. A. B. Davidson, Old Testament Prophecy. Edinburgh Clark 1903.

x
This website is using cookies. Accept