Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk. Reformed Dogmatics

Par. 50. Geloof en Bekering.

Literatuur over het geloof werd reeds opgegeven in par. 20, (Deel I; Hoofdstuk 3; Par. 20 De ethisch-psychologische methode; 141) v, waar het ter sprake kwam als principium cognoscendi intemum, en ook reeds in de beide vorige paragrafen. Verder is nog te noemen: De Moor, Comm. IV 285-439. M. Vitringa, Doctr. III 38-131. C. Boetticher, Das Wesen des relig. Glaubens im Nt. Berlin 1896. Huther, Die Bedeutung der Begriffe zwh und pisteuein in den Joh. Schriften, Jahrb. f. d. Th. 1872 bl. 1-34. Haussleiter, Was versteht Paulus unter Chr. Glauben? Greifsw. Studiën, H. Cremer...dargebracht. Gütersloh 1895 bl. 159-182. Id., Der Glaube Jesu Christi und der Chr. Glaube. Erlangen 1891. Schlatter, der Glaube im Nt. Stuttgart 1905. Art. Erleuchtung, Glaube, Bekehrung. Busse in PRES. Warfield, art. Faith in Hastings, D. B. I 827-838. H. C. G. Moule, Faith, its nature and its work. London 1909. K. Liesche, Verstand und Wille beim Glaubensakt. Eine spekul.-hist. Studie aus der Scholastik im Anschluss an Bonaventura. Paderborn 1909. Chr. Pesch, Glaubenspflicht und Glaubensschwierigkeiten, Theol. Zeitfragen V. Freiburg 1908. J. V. Bainvel, La foi et l’acte de foi. Paris 1908.

Cam. Bos, Psychologie de la croyance2. Paris 1905. Murisier, Les maladies du sentiment religieux2. Paris 1907. Hébert, L’ évolution de la foi. Paris 1907. De la Combe, Les nouveau-nés de l’ Esprit. Paris 1905. W. Schmidt, Die verscheidenen Typen relig. Erfahrung und die Psychologie. Gütersloh 1910. J. Herzog, Der Begriff der Bekehrung. Gieszen 1903. G. Jackson, The fact of conversion. The Cole Lectures for 1908. Fleming H. Revell Comp.

449. Het geestelijk leven, dat in de wedergeboorte ingeplant wordt, komt met het natuurlijk leven daarin overeen, dat het, om toe te nemen en op te wassen, gevoed en versterkt worden moet. Er is tussen beide anders wel een groot onderscheid, want het geestelijk leven heeft zijn oorsprong in God als Zaligmaker; het is verworven door de opstanding van Christus; en het is een eeuwig leven, dat niet zondigen en niet sterven kan. Maar desniettemin heeft de wedergeborene voortdurend nodig, om met kracht versterkt te worden door de Geest naar de inwendige mens, Ef. 3:16. Ook deze versterking van het geestelijke leven is evengoed als zijn oorsprong, uit God en de rijkdom van zijn genade. Het leven van de geestelijke mens is ook na zijn ontstaan geen ogenblik los te denken van God en zijn gemeenschap, maar is in dezelfde strikte en bijzondere zin, waarin het uit God is, ook door en tot God. Hij is het, die het voedt en onderhoudt, die het nimmer laat varen, die het tot daden en werkzaamheden doet overgaan, die niet alleen het kunnen schenkt, maar ook het willen en werken werkt naar zijn welbehagen, Phil. 2:13; 2 Cor. 3:5. Het is een leven in de gemeenschap met Christus; de gelovigen zijn in de doop één plante met Hem geworden in zijn dood en ook in zijn opstanding, Rom. 6:5, zij zijn in Christus en Christus leeft in hen, 2 Cor.13:5; Gal. 2:20; zij kunnen niets doen, indien zij niet blijven in Hem als ranken in de wijnstok, Joh. 15:4-5; zij kunnen alleen sterk worden en kuriw kai en tw kratei thv iscuov autou, Ef. 6:10, door de Geest van Christus en in zijn gemeenschap, Rom. 8:13, 26; 2 Cor. 13:13; Ef. 3:16. Maar die Geest werkt in de wedergeborenen van het middelpunt van hun wezen uit naar de omtrek heen. Dat kan en dat behoort zo, omdat de nieuwe mens niet dadelijk in “trappen,” maar wel in “delen” volmaakt is. In de wedergeboorte wordt principieel de hele mens herschapen; het ik van de mens zelf sterft en leeft uit en in Christus weer op, Gal. 2:20; het is terstond een kainov anytwpov die in Christus geschapen woedt, Ef. 4:24; Col. 3:10, wel klein en teer, maar toch in alle delen compleet. En daarom werkt de Heilige Geest naar verschillende zijden, om de nieuwe mens gelijkmatig en evenredig in al zijn delen te laten opwassen. Hij werkt als Geest van de wijsheid, van de heiligheid en van de heerlijkheid en siert de gelovigen met allerlei krachten en gaven en deugden, Rom. 15:13, 1 Cor. 12:3v., Gal. 5:22.

Bepaaldelijk werkt Hij naar de zijde van het verstand de deugden van geloof, kennis, wijsheid enz. Hoewel op geheimzinnige, onnaspeurlijke wijze door de Geest in de mens ingeplant, Joh. 3:8, is het geestelijk leven toch, zodra het zich in de mens bewust wordt, van het eerste ogenblik af gebonden aan het woord van God. Het is immers, ook zelfs bij kinderen, binnen de kring van het genadeverbond en onder de bedeling van het Evangelie ontstaan. Het is in de vocatio interna door een almachtig woord van God te voorschijn geroepen, maar door een woord, dat Hij in en door Christus sprak. En het is geboren uit die Geest, die in het nieuwe leven terstond het geloofsvermogen inplant, de nieuwe wet in het hart schrijft, het woord van God maakt tot een logov emfutov, Jak.1:21; 1 Petr.1:23. Als het opwast, wast het op in de gemeenschap met dat woord, dat in allerlei vorm van onderwijzing en vermaning reeds in de huiselijke kring tot het kind komt, en het voelt zich krachtens zijn natuur gebonden aan dat woord, dat nu in verstaanbare klanken tot het oor en in het hart doordringt. Het onuitsprekelijk woord, dat in het hart geschreven werd, leert zichzelf kennen door het woord, dat Christus spreekt in de Schrift. Er is hier een natuurlijke overeenstemming, omdat de Geest getuigt, dat de Geest de waarheid is. Zoals de plant met de bodem, waarin zij wortelt en waaruit zij haar sappen trekt, zo staat het geestelijk leven naar zijn aard in verband met de Schrift; de vocatio externa en de vocatio interna horen bijeen en hebben hetzelfde woord tot inhoud. Zoals de vocatio externa echter bij de schepping van het geestelijk leven niet voldoende was, zo is zij het ook niet bij zijn wasdom en groei. De vocatio interna geschiedt dus niet eenmaal en houdt niet op, wanneer zij het nieuwe leven heeft te voorschijn geroepen, maar zij zet zich altijd voort. Zoals God eerst alles schiep door het Woord en daarna door datzelfde Woord alle dingen onderhoudt, zo is de vocatio interna ook werkzaam bij de onderhouding en ontwikkeling van het geestelijk leven. De gelovigen zijn klhtoi, Rom.1:6, die de hemelse roeping deelachtig zijn, Hebr. 3:1, die voortdurend door God geroepen worden tot zijn koninkrijk, totdat zij het feitelijk zullen beërfd hebben, 1 Thess. 2:12; 5:24.

De daad nu, waardoor de Heilige Geest het woord van Christus in Zijn geestelijke zin en inhoud verstaan doet en het bewustzijn voor de waarheid ontsluit, draagt in de Schrift nog de bijzondere naam van verlichting. Omdat de zonde het verstand verduisterd heeft, Rom. 1:21; 1 Cor. 1:21; 2:14; Ef. 4:18; 5:8, is er ook nodig een apokaluqiv tou noov, Rom. 12:2; Ef. 4:23. Deze komt tot stand door God, die door apokaluqiv, in de mens, en emoi, Gal. 1:16, de verhindering wegneemt, welke de rechte kennis van de zaken tot dusverre belette, Mt. 11:25; 16:17; Gal. 1:16. Hij doet dit door de Heilige Geest te geven, die een pneuma sofiav kai apokaluqewv is, Ef. 1:17, in de waarheid leidt, Joh. 16:23, alles leert, Joh. 14:26; 1 Joh. 2:20, en de dingen van God doet verstaan, 1 Cor. 2:10-16. Zoals Hij bij de schepping door zijn machtwoord het licht uit de duisternis liet schijnen, zo laat Hij het ook door de Zoon, Mt. 11:27, en door de Geest licht worden in de harten van de mensen, 2 Cor. 4:6, en maakt de ogen van het hart verlicht, Ef. 1:18. Daardoor weten zij de dingen, die hun door God in het Evangelie werden geschonken, 1 Cor. 2:12, hebben zij een gnwsiv en epignwsiv, di. een hen persoonlijk aangaande en op hen inwerkende kennis, van de Vader, Mt. 11:27; 2 Cor. 4:6; Ef. 1:17 van Christus, Mt. 16:17, van de dingen van de Geest van God, 1 Cor. 2:14 enz., en zijn zij kinderen van het licht, Luk. 16:8; Ef. 5:8; 1 Thess. 5:5, burgers van het rijk van het licht, 1 Petr. 2:9; Col. 2:12 en wandelen in het licht, Ef. 5:8; 1 Joh. 1:7; 2:9, 20. Door de verlichting van de Heilige Geest gaat de mens een heel nieuw licht op over alle dingen, over God, Christus, zonde, genade, Schrift, kerk, wereld, dood, oordeel enz. In Gods licht ziet hij nu licht1.

Deze kennis wordt nu in de Schrift nader omschreven als kennis van het geloof. Het is geheel in overeenstemming met de Schrift, te zeggen, dat de kennis van God in het aangezicht van Christus zalig maakt, rechtvaardigt, vergeving van de zonden en eeuwig leven schenktt 1 Kon. 8:43; 1 Kron. 28:9; Ps. 89:16; Jes. 1:3; 11:9; 53:11; Jer. 4:22; 31:34; Hos. 2:19; 4:1, 6; Mt.11:27; Luk. 1:77; Joh. 8:32; 10:4, 14; 17:3; Rom. 10:3; 2 Cor. 2:14; Gal. 4:9; Ef. 4:13; Hebr. 8:11; 1 Joh. 5:20; 2 Petr. 1:2; 3:8. Maar omdat zij krachtens haar oorsprong, wezen en voorwerp een geheel bijzonder karakter draagt, wordt zij een kennis van het geloof genoemd. Zo bepaald, wordt zij daarmee echter volstrekt niet aangeduid als iets, dat aan de menselijke natuur als zodanig vreemd is en in de zin van een donum superadditum aan haar toegevoegd wordt. Duisternis, dwaling, leugen enz. zijn tegennatuurlijk, eigenschappen van de gevallen natuur, maar het licht van de kennis behoort tot het beeld van God, dat de mens oorspronkelijk en wezenlijk eigen was. En ook de kennis van het geloof is geen volstrekt bovennatuurlijk toevoegsel aan de mens. Geloven heel in het algemeen doet ieder mens, altijd en op alle terrein, vooral ook op dat van de wetenschap. Er is geen kennis zonder enig geloof; het dualisme tussen geloof en wetenschap is theoretisch en praktisch onmogelijk. Zelfs spreekt men in de dogmatiek behalve van zaligmakend, ook van historisch en wondergeloof, welke van het eerste wel wezenlijk onderscheiden zijn en ook in onwedergeborenen vallen kunnen, maar er toch zoveel overeenkomst mee hebben moeten, dat zij dezelfde naam van geloof kunnen dragen. Maar zelfs het geloof in engere zin, de fides justificans of salvifica, is geen donum supperadditum naar Roomse opvatting. Wel is het geloof een gave van God, Hd. 5:21; Ef. 2:8; Phil. 1:29, vrucht van zijn dunamiv, 1 Cor. 2:4; 5; Ef. 1:19; 1 Thess. 2:13, en bepaaldelijk door de Heilige Geest geschonken, 1 Cor. 12:3; 2 Cor. 4:13. Maar zij is toch een gave, die niet in absolute zin, maar slechts toevallig, ter wille van de zonde, noodzakelijk is. De herschepping toch brengt nooit een nieuwe substantie in wereld of mensheid in; ook in het geloof schenkt zij aan de mens niet zulk een nieuw vermogen, kracht of werkzaamheid, welke de oorspronkelijke, naar Gods beeld geschapen menselijke natuur niet bezat. Integendeel, de Gereformeerden beweerden terecht tegen de Remonstranten2, dat Adam vóór de val in zijn natuur de kracht bezat, om in Christus te geloven, al kende hij natuurlijk Christus niet en al had hij Hem toen als Zaligmaker niet nodig3. En zij hielden ook tegen de Roomsen staande, dat Christus als mens op aarde door het geloof had geleefd4. Omdat nu de wedergeboorte principieel een herschepping is van de hele mens naar het evenbeeld van degene, die hem geschapen heeft, is het geloofsvermogen (fides potentialis, seminalis, habitualis, semen of radix fidei) vanzelf met en in haar gegeven. Zoals kinderen redelijke wezens zijn: ante rationem actualem, zo zijn zij, indien zij kinderen van het verbond zijn, ook fideles ante fidem actualem. De Luthersen spreken bij de kinderen liever niet van wedergeboorte, omdat zij deze bij volwassenen lieten volgen op en lieten voortkomen uit het geloof, en aan deze orde ook bij de kinderen getrouw willen blijven. Ze spraken daarom liever van accensio, procreatio, donatio fidei, of ook van collatio virium credendi5. Maar langzamerhand leidde dit tot de onderscheiding van een tweeërlei wedergeboorte; een, die in de doop de vires credendi schonk, en een andere, die later bij goed gebruik van de geschonken geloofskracht in renovatio bestond. Zo werd de weldaad, aan de kinderen in de doop verleend, hoe langer hoe meer verzwakt, de continuïteit van het geestelijk leven verbroken, en tevens over het hoofd gezien, dat in de wedergeboorte altijd ook semina spei, caritatis enz. worden ingeplant, dat er in beginsel de hele mens door werd vernieuwd. Op zichzelf is het echter volkomen juist, dat in de regeneratio, gelijk alle vermogens en krachten, zo ook het geloofsvermogen wordt hersteld. Geloven in God, in Christus enz., is voor de wedergeboren mens als zodanig even natuurlijk, als het voor ieder mens natuurlijk is, om aan de zienlijke wereld te geloven. Wel gaat, zoals iedere potentia eerst door zekere inwerking van buiten tot actus overgaat en een tarwegraan alleen in de schoot van de aarde ontkiemt, zo ook het geloofsvermogen, dat door de wedergeboorte is ingeplant, alleen door de voortgaande vocatio interna tot de daad van het geloof over. Maar in de wedergeboorte herstelt God toch het levensrapport dat er oorspronkelijk tussen Hem en de mens bestond; naar Gods beeld herschapen, is de mens weer verwant aan God zelf en aan al wat van God is, aan zijn Christus, aan de dingen van de Geest, aan zijn woord, aan zijn kerk, aan zijn hemel, aan de dingen, die boven zijn. Om de wereld gekruisigd en om de zonde gestorven, leeft hij Gode. En daarom, verlicht wordende door de Heilige Geest, kent hij God ook en is in die kennis zalig, Joh. 17:3.

Maar dit mag niet zo worden verstaan, alsof de wedergeborene deze kennis van God in Christus putte uit zijn eigen hart, uit de inwendige onderwijzing van de Heilige Geest. De mystiek heeft te allen tijde Woord en Geest tegenover elkaar gesteld, de letter veracht, het inwendige woord ten koste van het uitwendige verheven en daarvoor zelfs zich beroepen op de Heilige Schrift, Jes. 54:13; Jer. 31:34; Mt. 11:25, 27; 16:17; Joh. 6:45,1 Cor. 2:10; 2 Cor. 3:6; Hebr. 8:10; 1 Joh. 2:20, 27. Daartegen valt op te merken:

1. dat zeer zeker alle kennis op natuurlijk en geestelijk gebied een relatie, een verwantschap tussen object en subject onderstelt. Om te zien is een oog nodig, en object en subject moeten beschenen worden door eenzelfde licht. Om te kennen is verstand nodig, en het is dezelfde Logos, die het gekende object en het kennend subject voor elkaar schiep. Zo ook moet op geestelijk terrein bij het Woord de Geest, bij de vocatio externa de vocatio interna, bij de revelatie de illuminatie bijkomen, om ons God te doen kennen in het aangezicht van Christus.

2. De Schrift spreekt dit in bovengenoemde en andere plaatsen beslist en duidelijk uit. In Gods licht alleen zien wij het licht. Maar zij zegt nergens, dat de wedergeborene de stof van deze kennis uit zichzelf putten kan of moet. In 1 Joh. 2:20-27 verbindt de apostel de zalving van de Geest, die de gelovigen van de Heilige, di. van Christus ontvangen hebben, ten nauwste met de waarheid, welke zij gehoord hebben, 1Joh. 2:21-24; als zij daarin blijven, blijven zij ook in de Zoon en de Vader en hebben geen nadere onderwijzing meer nodig. Overal verwijst de Schrift de gelovige buiten zich, naar de openbaring van God in natuur, wet en Evangelie heen, Deut. 4:1; Jes. 8:20; Joh. 5:39; Rom. 1:20; 15:4; 2 Tim. 3:15; 1 Petr. 1:25; 2 Petr. 1:19 enz.

3. In het natuurlijke is het zo, dat de mens wel een bewustzijn, verstand, rede meebrengt, maar dat hij toch alle inhoud van de kennis van buiten verkrijgen moet6. Veelmeer is dit in het geestelijke het geval. Want al zijn alle gelovigen ook door de Heere geleerd, zij leven toch nog in het vlees, en blijven tot dwaling geneigd. Telkens verheffen zich in hen gedachten, die zij gevangen hebben te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. Aan zichzelf overgelaten, zouden zij terstond vervallen tot dwaling en leugen. En daarom is hier een objectieve openbaring nodig, die tot regel strekt van leer en leven.

4. Daar komt nog bij, dat niet zienlijke, maar onzienlijke, geestelijke, eeuwige dingen het voorwerp van deze religieuze kennis zijn. Hetgeen geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in het hart van de mens niet is opgeklommen, dat heeft God in het Evangelie bereid die, die Hem liefhebben. Hoe zullen wij deze dingen kennen, vast en zeker, tenzij zij ons in een getrouw beeld, zuiver en onvervalst, voor de ogen worden geplaatst? Wij wandelen hier niet door aanschouwen; zo behoren wij dan de heerlijkheid van de Heere in een spiegel te aanschouwen, om naar datzelfde beeld in gedaante veranderd te worden.

5. En eindelijk, zoals in het natuurlijke ieder schepsel voedsel zoekt naar zijn aard, zo trekt ook in de gelovige het nieuwe leven altijd weer naar het Evangelie, naar het woord van Christus, naar de Schriften heen als naar de grond, waarop het steunt, als naar het voedsel, waardoor het gesterkt wordt. Niet ontbeerlijker, maar steeds onmisbaarder en heerlijker wordt de Schrift degene, die opwast in het geloof. Het getuigenis van de Heilige Geest in zijn hart bindt hem in dezelfde mate en kracht aan de Schrift als aan de persoon van Christus zelf7.

Uit dit alles wordt nu ook duidelijk, waarom de religieuze kennis in de Schrift als een kennis van het geloof omschreven en het geloof in het subjectieve werk van de zaligheid zo sterk op de voorgrond wordt geplaatst. Eigenlijk gesproken, maakt het geloof of de kennis niet zalig, maar God maakt zalig in Christus door de Heilige Geest8. Hij maakt zalig, door de weldaden van het verbond, door Christus, door zichzelf te schenken aan de zondaar. Maar wat zou die zaligheid baten, indien zij ons niet bewust was en wij er geen kennis van droegen? Dan zou zij zelfs niet bestaan. Onbewuste zaligheid is wel voor de Boeddhist het hoogste, en velen geven tegenwoordig aan het niet-zijn boven het zijn de voorkeur. Maar het hoogste zijn is voor de Christen, God te kennen en door die kennis het eeuwige leven te hebben. De kennis is daarom niet een toevallig, van buitenaf komend toevoegsel aan de zaligheid, maar vormt daarin een onmisbaar element. Er is geen zaligheid, die niet gekend, niet genoten wordt. Wat hadden wij aan de vergeving van de zonden, aan de wedergeboorte en volkomen vernieuwing door de Heilige Geest, aan de hemelse heerlijkheid, indien wij er geen bewustzijn en geen kennis van hadden? Zij zouden niet kunnen bestaan, zij onderstellen en eisen bewustzijn, kennis, genieting, en geven daarin de zaligheid. God maakt zalig, door zichzelf in Christus te doen kennen en genieten. Omdat echter de weldaden van het verbond van de genade hier op aarde nog slechts ten dele worden geschonken, omdat de gemeenschap met God, de wedergeboorte, de heiligmaking nog onvolkomen zijn, omdat de kennis onvolmaakt is, onzienlijke dingen tot object heeft en aan de Schrift gebonden is, daarom is de kennis van God hier op aarde een kennis van het geloof. Het geloof is de enige weg, waarlangs zij verkregen wordt, de enige vorm, waarin zij optreden kan. Ja alle weldaden, vergeving, wedergeboorte, heiligmaking, volharding, hemelse zaligheid zijn er voor ons slechts door het geloof; alleen in het geloof genieten wij ze; wij zijn alleen in hoop zalig.

1 Verg. Deel I; Hoofdstuk 2; Par. 11 Bijzondere Openbaring; 96, Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 31 De mededeelbare Eigenschappen; B 200. M. Vitringa, Doctr. III 224. Setberg, art. Erleuchtung in PRE3 V 457-459.

2 Arminius, Op. 160.

3 Gomarus, Op. 163. De Moor, Comm. V 461. Shedd, Dogm. Theol. I 454, II 482 v.

4 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 46 De Persoon van Christus; 372. Het bewijs voor de stelling, dat ook Jezus geloof oefende, zou nog veel sterker worden, wanneer Haussleiter, Der Glaube Jesu Christi und der Chr. Glaube. Erlangen 1891, en Kittel, pistiv ihtou cristou bei Paulus, Stud. u. Krit. 1906, 3, bl. 419-436, gelijk hadden, dat in deze uitdrukking de genitivus een genitivus subjectivus was. Er zou dan in liggen, dat Christus de rechtvaardige, Rom. 1:17, uit geloof leefde, en door geloof (vertrouwen op God, gehoorzaamheid tot in de dood) tot een verzoening in zijn bloed geworden was, Rom. 3:25. Maar deze exegese wordt terecht door velen bestreden, Holtzmann, Neut. Theol. II 122.

5 Verg. M. Vitringa, Doctr. III 82. 222.

6 Verg. Deel I; Inleiding; Par. 3 Methode der Dogmatiek; 19, Deel I; Hoofdstuk 1; Par. 7 Principia in de Wetenschap; A 64 v. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 25 De Kenbaarheid Gods; 170 v.

7 Verg. Deel I; Hoofdstuk 3; Par. 22 De Grond van het Geloof; 153 v.

8 Warfield in Hastings D. B. I 837: The saving power of faith resides thus not in itself, but in the Almighty Saviour, on whom it rests.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
449. The spiritual life implanted in regeneration is similar to the natural life in that it must be nourished and strengthened for it to expand and grow. In other ways there is a great difference between them, of course, inasmuch as the spiritual life originates in God as Savior, is acquired by the resurrection of Christ, and is eternal life that can neither sin nor die. Nevertheless regenerate persons continually need to be “strengthened in their inner being with power through God’s Spirit” (cf. Eph. 3:16). This strengthening of the spiritual life, like its beginning, originates with God and the riches of his grace. The life of spiritual persons, also after its origination, cannot for a moment be separated from God and his fellowship; in the same strict and particular sense in which this life is from God, it also is through and for him. It is he who nourishes and maintains it, never abandons it, prompts it to engage in certain activities, and not only bestows the capacity but


Unfortunately, you don't have access to this resource
Bavinck, Herman. Reformed Dogmatics. Vol 4. Holy Spirit, Church, and New Creation. Edited by John Bolt. Translated by John Vriend. Grand Rapids, MI: Baker Academic, 2008. [781]
x
This website is using cookies. Accept