Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk. Reformed Dogmatics

450. In het Oude Testament ontbreekt nog een technische term voor wat nu in de Christelijke godsdienst geloof heet. De zaak komt echter herhaaldelijk voor, want het heil trad van aanvang af in de vorm van een belofte, die niet anders dan door het geloof aanvaard kan worden, en nam de gedaante aan van een verbond, dat in Gods verkiezende liefde rust, en van de zijde van de mens vrijwillige toestemming vordert, Gen. 3:15; 6:22; 7:5; 8:22; 12:4; 15:6; 17:21v. Gen. 22:2; Ex. 20:2; Dt. 7:8; 14:1 enz. Daden en werkzaamheden van het geloof worden ons daarom bijna op iedere bladzijde van de Oude Testament Schrift verhaald, Hebr.11. Maar de religieuze verhouding van de mens tot God wordt gewoonlijk door andere woorden uitgedrukt, zoals: God vrezen, dienen, liefhebben, aankleven, vertrouwen, zich op Hem verlaten, steunen, hopen, wachten enz.1. Aan ons woord geloven is in het Oude Testament het meest verwant het werkwoord Nymah, hi. van Nma. In kal betekent dit verbum: verzorgen, opvoeden, Esth. 2:7, 20, part. act: voeder, verzorger, opvoeder, voedsterheer, Num. 11:12; Ruth 4:6; 2Sam. 4:4, 2 Kon. 10:1, 5; Jes. 49:23, part. pass: opgevoeden, Klaagl. 4:5. In niphal heeft het werkwoord de betekenis van gedragen worden, Jes. 60:4; 66:12, en verder van bestendig of duurzaam zijn, 2 Sam. 7:16, bevestigd worden, Gen. 42:20; Jes. 7:9, betrouwbaar zijn (van God, zijn woord, zijn wet, mensen), Ps. 19:8 [Ps. 19:7]; 93:5 enz.. In hiphil betekent het vastmaken, zich vastmaken aan iets, steunen, vertrouwen, en komt dan soms absolute voor, Jes. 7:9; 28:16, maar meest met de prepositie b of l van de persoon of de zaak, waarop men vertrouwt, Gen. 16:5; 45:26, enz., of met een volgende infinitivus, Ps. 27:13; Job 15:22, of met een objectszin, Ex. 4:5; Job 9:16. Voor de religieuze betekenis van het woord zijn, Gen. 15:6; Jes. 7:9 en Hab. 2:4 het belangrijkst; in Gen. 15:6 heet het van Abraham, dat hij in de Heere geloofde, en dat dit geloof hem gerekend werd tot gerechtigheid; er wordt hier niet enkel mee bedoeld, dat Abraham van de belofte aangaande zijn zaad kennis nam, zonder er aan te twijfelen, maar er ligt zeer duidelijk in, dat hij dit deed, omdat hij onvoorwaardelijk, op hoop tegen hoop, op God vertrouwde. Ook is het in de beide andere plaatsen; in Jes. 7:9 staat, dat Achaz, die hulp zoekt bij Assur en daarop steunt, niet bevestigd zal worden, als hij daarvan niet afziet en alleen op God zich verlaat; en in Hab. 2:4 wordt tegenover de Chaldeën, die hun kracht tot hun god maken en wier ziel opgeblazen is van hovaardij, gezegd, dat de rechtvaardige zal leven door zijn vertrouwen op God en zijn belofte. Geloof en vertrouwen gaan samen; Ps. 78:22 zegt, dat God toornde tegen zijn volk, omdat zij niet in Hem geloofden en niet vertrouwden op zijn hulp. God is de getrouwe, Deut. 7:9; Ps. 33:4; 89:38 [Ps. 89:37]; Jes. 49:7; 65:16, en die ondanks alle strijd en tegenstand in Hem geloven blijven, zijn de getrouwen in de lande, 2 Sam. 20:12; Ps. 12:2; 31:24; 101:6 enz.2.

Deze vertrouwensvolle overgave aan God en zijn woord, welke het Oud-testamentisch begrip geloof insluit, werd ook door de Joden dikwijls hoog gewaardeerd, maar ze dwaalden toch weer van de rechte weg af, als zij dit geloof voor een buitengewoon goed werk aanzagen, dat op bijzonder hoge verdiensten aanspraak kon maken3. Zeer schoon wordt ook telkens door Philo van het geloof gesproken, dat, van al het aardse afziende, alleen op God zich richt; maar het heeft bij hem toch meestal zijn soteriologische inhoud verloren, en klemt zich meer aan God als de Onzienlijke en Eeuwige, dan aan de God van de genade en zaligheid vast4. Daarentegen krijgt het woord pistiv in het Nieuwe Testament zijn volle religieuze betekenis. Johannes de Doper predikte reeds, dat alle eigengerechtigheid van de Joden voor God geen waarde had, en dat bekering, metanoia, en doop, voor allen nodig waren, om in te gaan in het koninkrijk van de hemelen. Jezus nam deze prediking over, maar voegde eraan toe, dat dat rijk aanvankelijk in Hem, de Zoon des mensen, gekomen was; Hij bracht daarvan de blijde boodschap, en trad daarom op met de eis: bekeert u en gelooft het Evangelie. Als Jezus dat doet, opent Hij geen andere weg tot de zaligheid, dan die, hoewel minder duidelijk, reeds in het Oude Testament was voorgesteld. Want Abraham en al de geloofshelden van het Oude Verbond zijn ons tot voorbeeld, Rom. 4:3v., Gal. 3:6; Hebr. 11; de gelovigen van het Nieuwe Testament zijn uit het geloof van Abraham, zijn zijn kinderen, Rom. 4:16, en wandelen in zijn voetstappen, Rom. 4:12. Zij worden op geen andere wijze zalig dan de vromen van het Oude Verbond, Hd. 15:11; 10:43; Joh. 5: 45; toen en nu geldt het, dat de rechtvaardige zal leven uit het geloof, Hab. 2:4; Rom. 1:17; Gal. 3:11; Hebr. 10:385. Hiermee wordt echter het onderscheid in de bedelingen van hetzelfde genadeverbond niet te niet gedaan; integendeel, zoals objectief de belofte in de vervulling overging, zo nam ook de religio subjectiva een andere gedaante aan; het geloofsoog van de vromen was toen hopend en wachtend op de komende Messias gericht, nu sluit het leven van de gemeente zich aan bij de in Jezus verschenenen Christus; toen stond de hoop, nu staat het geloof in het middelpunt. Dat dit inderdaad het geval is, blijkt reeds daaruit, dat het zelfst. naamwoord pistiv, en het werkwoord pisteuein elk ongeveer 240 maal in het Nieuwe Testament voorkomen, dat het werkwoord alleen in Col., Philem, 2 Petr., 2 en 3 Joh. en de Apocalypse, dat het zelfst. naamwoord alleen in het Ev. van Joh. en 2 en 3 Joh., en dat beide alleen in 2 en 3 Joh. gemist worden. Voorts hebben beide woorden bijna altijd religieuze betekenis; slechts enkele malen worden ze in meer algemenen zin gebezigd, bijv. Mt. 24:23; Joh. 9:18; Hd. 9:26,1 Cor. 11:18 enz. En wat nog meer zegt, beide woorden hebben al spoedig een technische betekenis gekregen: geloven is hetzelfde als Christen worden, Hd. 2:44; 4:4; 13:48, enz.; gelovigen is een andere naam voor Christenen, Hd. 10:45; 1 Tim. 4:3, 12; en geloof is dikwijls zoveel als de Christelijke religie, die nu in de gemeente tot een objectieve macht is geworden, Hd. 6:7; Gal. 3:23, 25; 6:10 enz.6.

Deze rijke betekenis kreeg het Griekse woord pistiv natuurlijk eerst langzamerhand. Bij de Synoptici heeft het rechtstreeks God tot object, Mk. 11:22, en Jezus in zover, als men betrouwen in Hem stelde en overtuigd was, dat God in en door Hem sprak en wonderen deed, Mt. 8:10; 9:2, 28; 15:28; 17:20; 21:21-22 enz. Maar daardoor bond Jezus toch de mensen aan zijn persoon, en leidde hen tot een dieper inzicht van hun eigen geestelijke noden en van hun behoefte aan Hem in nog een andere zin dan alleen als geneesmeester van het lichaam. Zijn wondermacht was openbaring en bewijs van zijn volkomen, verlossende macht, zodat Hij niet alleen de ziekten genezen, maar ook de zonden vergeven kon, Mt. 9:2; aan het geloof is de behoudenis verbonden, Luk. 7:50; Mk. 5:34. Ook waar niet opzettelijk van het geloof sprake is, wordt het toch stilzwijgend ondersteld; alles om zijnentwil en de wil van het Evangelie te verlaten, en dan het kruis op zich te nemen en Hem na te volgen, Mt. 10:22v., Mt. 16:24v., dat is slechts mogelijk in het geloof aan zijn persoon. Zodra Jezus dan ook uit de doden opgestaan, ten hemel gevaren was en de Heilige Geest gezonden had, begonnen zij Hem te verkondigen als degene, die door God tot Heer en Christus was gemaakt, Hd. 2:36, om Israël te geven bekering en vergeving van de zonden, Hd. 2:38; 5:31. En weldra ontstond er een gemeente, die zich daardoor kenmerkte, dat zij geloofde in de Heere, Hd. 5:14; 9:42; 11:17; 14:23.

Dit geloof sloot van de aanvang af twee elementen in zich:

1. het aannemen van de apostolische prediking aangaande de Christus, en

2. het persoonlijk vertrouwen op die Christus, als nu nog levende in de hemel, en machtig, om de zonden te vergeven en de volkomene zaligheid te schenken.

Hoewel beide zijden in de geschriften van de apostelen naast elkaar voorkomen, legt toch Johannes vooral de nadruk op het eerste moment, pistenein of met een objectszin of c. dat. rei, Joh. 2:22; 4:50; 5:47; 6:69; 8:24; 11:42; 13:19; 17:8 21; 1 Joh. 5:1,5; Paulus daarentegen op het tweede, en spreekt dan van pistiv c. gen., van Jezus, Rom. 3:22; Gal. 2:16, 20; 3:22; Ef. 3:12; Phil. 3:9, van de waarheid, 2 Thess. 2:13, van het Evangelie, Phil.1:27, prov yeon, 1 Thess. 1:8, eiv criston, Col. 2:5; Phil. 1:5, ev cristw, Gal. 3:26; Ef. 1:15; 2 Tim. 3:15, en van pisteuein tini, Rom. 4:3; Gal. 4:6; 2 Tim.1:12; Tit. 3:8, epi tina, Rom. 4:5, 24, epi tini, Rom. 9:33; 1 Tim. 1:16, en vooral eiv tina, Rom. 10:11; Col. 2:5; Phil.1:29. Maar volstrekte tegenstelling is dit niet, want Johannes spreekt menigmaal van pisteuein eiv tina, Joh. 2:11; 3:16, 18, 36; 4:39; 6:29 enz., eiv to onoma Joh. 1:12; 2:23; 1Joh. 5:13, en ook tini, Joh. 3:15; 5:24, 38, 46; 6:30, en tw onomati, 1Joh. 3:23; en Paulus construeert pisteuein ook met ti en oti, Rom. 10:9; 1 Cor.13:7, cf.Joh. 15:14,17; 1 Thess. 4:14. Vooral is het verkeerd, de latere onderscheiding van Deo credere en in Deum credere of ook die van historisch en zaligmakend geloof met de bovengenoemde te vereenzelvigen. Menigmaal toch sluit de constructie van pisteuein met oti, bijv. dat Jezus is de Christus, wel terdege het zaligmakend geloof in, Joh. 6:69; 8:24; 11:27; 17:8; 1 Joh. 1:5; Rom 10:7; en pisteuein tini of eiv tina is dikwijls niet meer dan een historisch geloof, Joh. 7:31, 40v., Joh. 8:30v., Joh. 10:42; 11:45, 48,12:11, 42; in 1 Joh. 5:10 staat zelfs pisteuein eiv thn marturian.

Voorts komt in de beschrijving van het geloof de individualiteit van de apostelen uit; ieder beziet het van zijn zijde. Jakobus komt tegen de eenzijdig intellectualistische opvatting van het geloof op, en toont aan, dat het echte geloof in Jezus Christus, 2:1 dat de toegang in het gebed tot God ontsluit Jak. 1:6; 5:15, en beginsel van de deugden is, Jak. 1:3, en goede werken als een levend geloof zich bewijzen moet, Jak. 2:17v. Petrus, de apostel van de hoop, brengt het geloof, dat overigens ook bij hem de gerechtigheid van Christus deelachtig maakt, 2 Petr. 1:1, en beginsel van goede werken is, 1 Petr. 1:7, 21; 5:9, vooral met het verkrijgen van het einde van de zaligheid in verband, waartoe de gelovigen door de kracht van God bewaard worden, 1 Petr.1:5, 9; 2:6. Paulus let bij het geloof vooral op zijn voorwerp, nl. Jezus Christus, die van God ons geworden is tot wijsbeid, gerechtigheid, heiligmaking en verlossing, 1 Cor. 1:30, aan wiens persoon en weldaden wij alleen door het geloof, zonder de werken van de wet, deel krijgen, omdat God zijn gerechtigheid in hem juist zonder en buiten de wet om heeft geopenbaard, Rom. 3:21,28; maar om er dan vervolgens even sterk de nadruk op te leggen, dat dat geloof, omdat het niet bloot op Christus vertrouwt, maar in Hem inlijft, in zijn gemeenschap opneemt en aan zijn Geest deelachtig maakt, oorsprong en waarborg van een nieuw leven is, Rom. 6v. De schrijver van de brief aan de Hebreeën daarentegen, ofschoon hij wel erkent, dat Jezus Christus het voorwerp, Heb. 3:14; 10:22; 13:7-8, evenals ook de leidsman en voleinder van het geloof is, Heb. 12:2, beschouwt dit toch veelmeer van zijn subjectieve dan van zijn objectieve zijde. Zijn lezers liepen immers gevaar, om terug te vallen en zich te onttrekken ten verderve, Heb. 4:1; 6:1; 10:39, en daarom wijst hij aan, dat het geloof bestaat in zekerheid aangaande het onzienlijke, eeuwige en toekomstige, Heb. 11:1, dat het zijn echtheid betonen moet in vasthouden aan Gods trouw, Heb. 11:11, macht, Heb. 11:18, en beloften, Heb. 4:1-2; 6:12; 10:36; 11:6, 9, 26, en dat zijn deugden vooral bestaan in vrijmoedigheid, Heb. 3:6; 4:16; 10:19, 35, vastheid, Heb. 3:14; 11:1, lijdzaamheid, Heb. 10:36; 12:1, en hoop, Heb. 3:1; 6:11, 18; 10:23. Johannes eindelijk laat het geloof ons vooral van die zijde zien, waarnaar het niet eerst in de toekomst, maar nu reeds in het heden, niet aan de gnosticus, maar aan elk, die waarlijk gelooft, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is,1 Joh. 4:2, het eeuwige leven schenkt, Joh. 3:16; 5:24; 6:47, 54; 20:31,1 Joh. 3:14-15; 5:11, want dat leven is immers juist in Christus verschenen, Joh. 1:4; 1 Joh. 1:1-2; 5:11; wie Hem heeft, heeft het leven, 1 Joh. 5:12.

Maar in die rijke verscheidenheid blijft de eenheid volkomen bewaard. Geloven sluit altijd in het aannemen van het getuigenis, dat God door de apostelen getuigd heeft van zijn Zoon, en het onbepaald vertrouwen op de persoon van Christus. Beide hangen onverbrekelijk samen: wie het getuigenis van de apostelen waarlijk gelooft, vestigt voor zijn zaligheid zijn vertrouwen op Christus alleen, en wie op Christus als de Zoon van God zijn vertrouwen stelt, neemt ook het getuigenis van de apostelen aangaande die Christus wijwillig en graag aan. Beide tezamen maken in subjectieve zin het wezen van het Christendom uit. Indien Christus alleen een historisch persoon was, die door zijn leer en leven ons een voorbeeld had nagelaten, zou een historisch geloof van het overgeleverd getuigenis genoegzaam zijn, maar dan kwam het in het Christendom ook niet tot ware religie, dat is tot waarachtige gemeenschap met God, en zou het deïsme gelijk hebben. Indien Christus omgekeerd, naar de mening van het pantheïsme, niet de historische, doch slechts de ideale Christus was, zou het geloof aan een apostolisch getuigenis heel overbodig zijn en Christus niet anders wezen dan het leven van God in ons, maar dan kwam het evenmin tot ware gemeenschap van God en mens, omdat deze het wezenlijk onderscheid van beide onderstelt.

Maar nu is Christus beide: een historisch persoon, de Christus van de Schriften, en tevens de verheerlijkte Heer in de hemel, die nog leeft en regeert als het hoofd van zijn gemeente. Hij verwierf de zaligheid in het verleden, maar past ze zelf in het heden toe. En de weldaden van het verbond, door Hem verworven, omvatten de herschepping van het zijn en van het bewustzijn; zij bestaan in rechtvaardigmaking en vernieuwing, in licht en in leven, in waarheid en in genade. Zij veranderen de mens in de wereld van zijn gedachten, maken hem vrij van leugen, dwaling, duisternis, doen hem God kennen als de genadige, die de zonden vergeeft, stellen hem in de rechte verhouding tot God en alle dingen, doen hem bedenken de dingen, die boven zijn, en geven hem in het geloof een vaste grond van de dingen, die men hoopt en een bewijs van de zaken, die men niet ziet. En zij veranderen de mens ook in zijn zijn, maken hem vrij van de smet van de zonde, doen hem in het verborgene van zijn hart leven in de gemeenschap met God door Christus in de Heilige Geest, maken hem een burger van de hemelen, geboren van boven, uit God, herschapen naar de gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon, opdat Hij zij de eerstgeborene onder vele broederen. En deze beide staan in onlosmakelijk verband. Want Christus, die nedergedaald is, is dezelfde, die ook opgevaren is, ver boven alle hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou, Ef. 4:10. De Heilige Geest, die wederbaart, is dezelfde, die ook in ons van Christus getuigt. De Schrift leidt op tot Christus, die boven is, gezeten aan Gods rechterhand, en Christus, die door de Geest in onze harten woont, leidt ons terug tot de Schrift. Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, maar met de mond belijdt men ter zaligheid, Rom. 10:10. Het geloof naar de Schrift sluit beide uit: een geloof van het hart, dat niet belijdt, en een belijdenis, die niet wortelt in het geloof van het hart. Het is mystiek en noëtisch tegelijk, een onbepaald, onwankelbaar vertrouwen op Christus, als die naar het getuigenis van de Schrift alles voor mij volbracht heeft en op die grond nu en eeuwig mijn Heer en mijn God is.

1 Verg. Deel III; Hoofdstuk 8; Par. 49 De Heilsorde; 410 v.

2 Verg. over het Hebr. woord voor geloven oa. ook Schlatter, Der Glaube im Nt. bl. 505-565, en L. Back, Der Glaube nach d. Anschauung des A. T. Eine Untersuchung über die Bedeutung Nymah im altt. Sprachgebrauch. Gütersloh 1900.

3 Weber, Syst. der alt syn. pal. Theol. 292, 295 v.

4 Dähne, Gesch. Darst. der jüd.-alex. Religionsphilosophie I 392. Warfield, t. a. p. bl. 828. Schlatter, t.a.p. bl. 578 v.

5 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 45 Het Verbond der Genade; 348.

6 Warfield, t.a.p. bl. 828-831. Ook in Tim. 1:19,3:9,4:1 enz. duidt pisteuein naar zijn mening niet de doctrina fidei aan, maar subjective faith conceived of objectively as a power, bl. 831.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
450. In the Old Testament there is as yet no technical term for what in the Christian religion is now called “faith.” The thing itself, however, occurs frequently, for from the beginning, salvation appeared in the form of a promise that can only be accepted by faith, and it assumed the form of a covenant that rests in the electing love of God and, on the part of humans, demands voluntary consent (Gen. 3:15; 6:22; 7:5; 8:22; 12:4; 15:6; 17:21ff.; 22:2; Exod. 20:2; Deut. 7:8; 14:1; etc.). Stories of the deeds and activities of faith are therefore told to us on virtually every page of the Old Testament (Heb. 11). But the religious relationship of human beings to God is usually expressed by other words such as fearing, serving, loving, adhering to, trusting God, relying on him, leaning on him, hoping and waiting for him, and so forth.9 Most closely related to our word “believing” in the Old Testament is the verb הֶאֱמִין, the hiph. of אָמַן. In qal, this verb means:


Unfortunately, you don't have access to this resource
Bavinck, Herman. Reformed Dogmatics. Vol 4. Holy Spirit, Church, and New Creation. Edited by John Bolt. Translated by John Vriend. Grand Rapids, MI: Baker Academic, 2008. [781]
x
This website is using cookies. Accept