Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk. Reformed Dogmatics

516. In de derde plaats is Christus ook priester en oefent dit ambt nog altijd van uit de hemel in zijn gemeente door voorbede en zegening uit. Zoals Hij als profeet de zijnen leert en als koning hen regeert, zo bewijst Hij hun als priester de rijkdom van zijn barmhartigheid. Toen Hij op aarde was, omging Hij de steden en vlekken, niet alleen lerende in de synagogen en predikende het Evangelie van het koninkrijk, maar ook genezende alle ziekte en alle kwaal onder het volk, Mt. 9:35. En dit was geen bijkomstige en toevallige werkzaamheid, maar een hoofdbestanddeel van het werk, dat de Vader Hem opgedragen had om te doen, Mt. 8:17; Joh. 5:36; 9:3-4 enz. De volheid van zijn macht en de rijkdom van zijn barmhartigheid werd er in openbaar; de werken van zonde en Satan werden er door verbroken; de gevolgen van de zonde in de fysieke wereld werden er aanvankelijk door weggenomen; zij liepen uit en ontvingen hun zegel en voleinding in de opstanding, die de overwinning van de dood en het beginsel van de vernieuwing van alle dingen was. Als Hij dan ook zijn discipelen uitzendt, geeft Hij hun niet alleen de last, om het Evangelie te prediken, maar even stellig en nadrukkelijk, om de onreine geesten uit te werpen en om alle ziekte en alle kwaal te genezen, Mt. 10:1, 8; Mk. 3:15; Luk. 9:1-2; 10:9, 17. De discipelen volbrachten die last, niet alleen tijdens Jezus’ verblijf op aarde, maar ook na zijn hemelvaart, Hd. 5:16; 8:7 enz. Zelfs werden er naar Jezus’ eigen belofte, Mk. 16:17-18, in de eerste tijd aan de gelovigen vele buitengewone gaven van gezondmaking en werkingen van krachten geschonken, Hd. 2:44-45; 4:35; Rom. 12:7-8; 1 Cor. 12:28. Zoals het echter ging met de gaven van de leer en de gaven van de regering, zo ging het ook met die van de barmhartigheid. De buitengewone toestand van de kerk werd allengs normaal. En al werden de gaven niet onderdrukt of vernietigd, zij werden toch langzamerhand meer en meer verbonden met het ambt. De leer werd aan de didaskalos, de regering aan de presbyter en ook de dienst van de barmhartigheid aan de diaken opgedragen, Hand. 6. En de gaven zelf, hoewel gaven van de Heilige Geest blijvende, kregen een meer eenvoudig en gewoon karakter. Rome beweert wel, dat de wonderkracht bij haar voortduurt, maar schoner dan die wonderen, waarop zij zich beroemt, zijn de werken van de barmhartigheid, die van haar geloof en liefde een krachtig getuigenis afleggen. Want toen het diakonaat in de Christelijke kerk langzamerhand geheel van karakter veranderde, heeft de schat van liefde en barmhartigheid, die Christus in zijn gemeente uitstort, in private weldadigheid zich rijk geopenbaard. Al laat de regeling van de dienst van de barmhartigheid in Rome veel te wensen over, toch neemt zij in werken van de liefde onder de Christelijke kerken de eerste plaats in. Want wel heeft de Gereformeerde kerk het ambt van diaken hersteld, maar zij heeft zijn plaats en dienst niet behoor lijk geregeld en zijn werkzaamheid niet tot ontwikkeling gebracht. Deze ontwikkeling, waartoe de nood van de tijden tegenwoordig dringt, kan in hoofdzaak niet anders dan in deze richting geschieden: 1. dat het ambt van diaken meer dan tot dusver geëerd wordt als een zelfstandig orgaan van de priesterlijke barmhartigheid van Christus, 2. dat de liefde en de barmhartigheid als de Christelijke deugden bij uitnemendheid worden erkend en beoefend, 3. dat aan diakenen opgedragen wordt, om alle leden van de gemeente, inzonderheid de vermogende, in de naam van Christus te bewegen tot barmhartigheid, en voor de zonde van de gierigheid, die een wortel is van alle kwaad, te waarschuwen en te behoeden, 4. dat het diakonaat de private weldadigheid niet doodt, maar opwekt, regelt en leidt, 5. dat de dragers van dit ambt, zo nodig, in grote gemeenten zich bedienen van de hulp van diakonessen, op dezelfde wijze als de beide andere ambten gebruik maken van catechiseermeesters en ziekentroosters, 6. dat zij hun gaven uitdelen, in Christus’ naam, als van de tafels des Heeren genomen, waarop zij door de gemeente neergelegd en aan Christus zelf geschonken zijn, Mt. 25:40, 7. dat zij hun hulp uitstrekken tot alle armen, kranken, vreemdelingen, gevangenen, idioten, krankzinnigen, weduwen, wezen, in één woord tot alle ellendigen en nooddruftigen, die er zijn in het midden van de gemeente en van de hulp van anderen geheel of ten dele verstoken zijn, en dat zij hen in hun lijden tegemoet komen met woord en met daad, 8. dat de dienst van de barmhartigheid veel breder plaats verkrijgt op de agenda van alle kerkelijke vergaderingen dan tot dusver het geval is, 9. dat de diakenen met leraren en ouderlingen tot de meerdere vergaderingen van de kerken worden afgevaardigd en in alle zaken, die de dienst van de barmhartigheid raken, keurstem verkrijgen, 10. dat op deze vergaderingen de dienst van de barmhartigheid naar algemene beginselen geregeld wordt, behoudens het verschil van gemeentelijke toestanden; voor generale behoeften gemeenschappelijk wordt ter hand genomen, en van de plaatselijke gemeente tot ondersteuning van andere kerken, en voorts ook tot hulpbetoon aan arme, verdrukte geloofsgenoten in de vreemde wordt uitgebreid, en 11. dat deze diakonale arbeid in zijn zelfstandigheid gehandhaafd blijft en niet ondergaat in of vermengd wordt met het werk van de inneren Mission, of ook met de staatsarmenzorg, die een geheel ander karakter dragen1.

1 Calvijn, Inst. IV 3, 9. Musculus, Loci Comm. 425. Bullinger, Huysboeck V 3. Zanchius, Op. IV 765. Junius, Op. I 1566. Bucanus, Inst. 494. Voetius, III 496-513. M. Vitringa IX 272-296. G. Uhlhorn, Die christl. Liebesthätigkeit, Stuttgart 1882-’90. Bonwetsch, das Amt der Diakonie in der alten Kirche 1890. Seesemann, Das Amt der Diakonissen in der alten Kirche 1891. Schäfer, Diakonik in Zöcklers Handb. der theol. Wiss. III 538-572. Achelis, Prakt. Theol. II 324-451. Wurster, Die Lehre v.d. inneren Mission, Berlin 1895. Schäfer, Leitfaden der inneren Mission4. Hamburg 1903. Rahlenbeck, art. in PRE3 XIII 90-100. Kuyper, Encycl. III 535 v. Biesterveld, van Lonkhuizen, Rudolph, Het diaconaat. Hilversum 1907.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
516. In the third place, Christ is also a priest who from heaven still consistently exercises this office in his church now. Just as he teaches his own as prophet and governs them as king, so as priest he demonstrates to them the riches of his mercy. When he was on earth, he went through all the towns and villages, not only teaching in their synagogues and preaching the good news of the kingdom, but also healing every disease and sickness among the people (Matt. 9:35). And this was no secondary and incidental activity but a primary element in the work the Father had charged him to perform (8:17; John 5:36; 9:3–4; and so forth). Manifest in this activity were the fullness of his power and the riches of his mercy. The works of sin and Satan were broken as the result of it. The consequences of sin in the physical world were initially removed by it. They culminated and received their seal and completion in the resurrection, which was the victory over death and the principle of the


Unfortunately, you don't have access to this resource
Bavinck, Herman. Reformed Dogmatics. Vol 4. Holy Spirit, Church, and New Creation. Edited by John Bolt. Translated by John Vriend. Grand Rapids, MI: Baker Academic, 2008. [781]
x
This website is using cookies. Accept