Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk. Reformed Dogmatics

517. Deze macht, door Christus aan zijn gemeente geschonken, komt in de plaatselijke kerk samen in de kerkenraad. Elke plaatselijk kerk is volgens het Nieuwe Testament zelfstandig, een ecclesia completa, en draagt daarom evengoed als de kerk in haar geheel de naam van tempel Gods, 1 Cor. 3:16-17; 2 Cor. 6:16, bruid 2 Cor. 11:2, of lichaam van Christus, 1 Cor. 12:27. De gelovigen staan niet op zichzelf maar vormen een eenheid, en zo ook blijven de ambtsdragers in een plaatselijke kerk niet los naast elkaar staan, maar sluiten zich tot een raad van de kerk aaneen. Sporen daarvan zijn er reeds in het Nieuwe Testament. In Jeruzalem kwamen de gelovigen nadat zij door de doop van de gemeente waren ingelijfd, van tijd tot tijd samen, volhardende in de leer van de apostelen, in de gemeenschap, in de breking van het brood, in de gebeden, Hd. 1:14; 2:41v.; Hd. 5:12 enz.; en stonden zij onder leiding van het college van de apostelen, die spoedig daarin door de presbyters werden bijgestaan, Hd. 6:2; 15:2, 6, 22. Allerlei omstandigheden, de gaven van de Heilige Geest, inzonderheid die van didaskalie, profetie en glossolalie, de samenkomsten van de gelovigen, de bediening van woord en sacrament, de inzameling van de collecten, de verzorging van de armen enz, maakten leiding en regeling en daarbij ook raad en overleg vanzelf noodzakelijk. Eerst voorzagen de apostelen zoveel mogelijk in al die behoeften, namen maatregelen en maakten bepalingen, Hd.15:28v., 1 Cor. 11:4-6, 34; 14:27v., Hd. 16:1; 1 Tim. 3, enz. Want alles moest in de gemeente van Christus betamelijk en met orde, in vrede en tot stichting geschieden, 1 Cor. 14:26, 33, 40. Maar toen het ambt van ouderlingen was ingesteld, werden dezen met de leiding en regering van de gemeente belast; en dezen vormden onderling al spoedig een college, presbuthrion, 1 Tim. 4:14. Onder de leiding van zulk een college genoot de gemeente echter in de eerste tijden een grote mate van zelfstandigheid, zij werd bij gewichtige zaken geregeld geraadpleegd. In Hd. 1 komen de discipelen samen tot het kiezen van een apostel; in Hd. 6 kiest de gemeente de diakenen; in Hd. 15 woont zij de vergadering van apostelen en ouderlingen bij; in 1 Cor. 5 oefent zij de tucht uit. De eerste synoden waren samenkomsten van de plaatselijke kerk. Maar ook de plaatselijke kerken alle te zamen vormen een eenheid. Zij dragen ook alle 3samen de enkelvoudige naam van ekklhsia; zij staan allen onder de apostelen, aan wie de leiding en regering van de hele kerk is opgedragen; zij zijn met elkaar één in Christus, één dus in leer, in geloof, in doop, in liefde, zij groeten elkaar, Rom. 16:16; 1 Cor. 16:20; 2 Cor.13:12, dienen elkaar met gaven van de liefde, Rom. 15:26; 1 Cor.16:1; 2 Cor. 8:1,4; 9:1; Gal 2:10, en laten elkaar de brieven lezen, die zij ontvangen van de apostelen, Col. 4:16. Het lag dus in de aard van de zaak, dat deze gemeenten, die geestelijk één waren, eventueel met elkaar zouden beraadslagen over zaken van algemeen belang. Het eerste voorbeeld komt daarvan voor in Hd.15, naar aanleiding van de vraag, of de Heidenen zalig konden worden zonder besnijdenis. De gemeente van Antiochië zond Paulus en Barnabas en enige anderen naar Jeruzalem, om over dit belangrijk vraagstuk met de apostelen en ouderlingen aldaar van gedachten te wisselen en tot eenstemmigheid te komen. De apostelen en ouderlingen hielden daarom met deze afgevaardigden van Antiochië een vergadering, Hd. 15:6, die misschien ook door de gemeente bijgewoond werd, Hd. 15:12, 22, (in Hd. 15:25, moet echter kai oi vóór adelfoi waarschijnlijk wegvallen). Na veel zhthsiv, onderzoek, redetwist, werd niet maar een advies gegeven, maar in de Heilige Geest een beslissing genomen, die de broeders in Antiochië, Syrië en Cilicië bond, per brief hun meegedeeld en door Judas en Silas nog mondeling, in een vergadering van de gemeente, toegelicht werd, Hd. 15:22-31.

Al deze vergaderingen, waarvan het Nieuwe Testament bericht, waren vergaderingen van de plaatselijke gemeente, slechts in Hd.15 door afgevaardigden van elders bijgewoond. Deze gewoonte werd later, ook reeds in de tweede eeuw nagevolgd. Bij gewichtige aangelegenheden, zoals benoeming en afzetting van een bisschop, excommunicatie, absolutie van doodzonden enz., gaf niet alleen het presbyterium zijn leiding, maar ook de gemeente haar toestemming. Cyprianus zegt nog, dat hij van het begin van zijn episcopaat af niets deed zonder de raad van zijn presbyterium en de toestemming van de gemeente1 Op de synoden van de tweede en derde eeuw zijn daarom niet alleen bisschoppen, maar ook presbyters, diakenen en gewone gemeenteleden tegenwoordig. Zelfs het concilie van Nicea werd, behalve door bisschoppen, ook door presbyters, diakenen en leden bijgewoond, die aan de debatten deelnamen. En de afgevaardigden, die op gemeentevergaderingen uit naburige gemeenten werden uitgenodigd, waren in de eerste tijd volstrekt niet alleen bisschoppen, maar ook wel presbyters, diakenen of andere leden van de gemeente. Maar de ontwikkeling van de hierarchische idee bracht mee, dat de toestemming van de gemeente steeds minder gevraagd werd, dat de presbyters en diakenen van de gemeente werden losgemaakt en in raadgevers en helpers van de bisschop veranderd, en dat de synoden langzamerhand alleen door bisschoppen gehouden werden. Voorts waren in de tweede en derde eeuw alle gemeentevergaderingen, bijgewoond door afgevaardigden van naburige gemeenten, gelijk in rang; er was nog geen hiërarchie van kerkelijke vergaderingen, er waren nog geen provinciale, metropolitane, oecumenische concilies; alle vergaderingen van de kerken hadden plaats in de naam van Christus, maakten besluiten in de Heilige Geest, en golden voor de hele Christenheid (concilium universale, catholicum). Maar ook daarin kwam verandering. Reeds in de derde eeuw zijn er hier en daar bepaald provinciale synoden, d.i. vergaderingen van bisschoppen in een bepaalde provincie gehouden. In de vierde eeuw kwamen er, tengevolge van de grote twisten, die de kerk verdeelde, synoden van bisschoppen uit verschillende provincies bij. En het concilie van Nicea, ofschoon volstrekt geen vertegenwoordiging van de hele Christenheid, omdat het maar door enkele bisschoppen uit het Westen werd bijgewoond, was toch door de keizer van alle kanten samengeroepen. Zo kwam er allengs een rangordening van provinciale, nationale, patriarchale, oecumenische concilies2. Maar het karakteristieke kenmerk van een oecumenisch concilie is moeilijk aan te wijzen. Het kan niet daarin liggen, dat het door de paus is samengeroepen, want van de vierde tot de tiende eeuw werd het geconvoceerd door de keizer; noch ook in de algemene geldigheid en de grote betekenis van zijn besluiten, want dikwijls zijn de canones van oecumenische concilies verworpen en die van provinciale synoden aangenomen; noch ook daarin, dat een oecumenisch concilie de hele Christenheid vertegenwoordigt, want dit is lang niet altijd met de dusgenaamde concilies het geval geweest. Tegen het einde van de Middeleeuwen is wel de theorie opgekomen, dat een concilie dan alleen oecumenisch en onfeilbaar was, wanneer het bestond uit afgevaardigden van alle kerken. Maar deze theorie was van revolutionaire oorsprong, leidde in de praktijk tot allerlei moeilijkheden en werd door Rome ook nooit geaccepteerd. Voor Rome is een concilie alleen oecumenisch, wanneer zijn besluiten door de paus zijn goedgekeurd en daardoor een onfeilbaar, de hele Christenheid bindend karakter verkrijgen3.

In de Protestantse kerken is het synodale kerkregiment het eerst op Franse bodem tot ontwikkeling gekomen. In de Lutherse kerk kwamen wel synoden voor, maar deze bestonden alleen in samenkomsten van pastores. Zwingli stelde in 1528 te Zurich synoden in, die door de raad werden samengeroepen, uit de predikanten van stad en land en enkele leden van de raad bestonden en vooral klachten tegen leer en leven van de predikanten moesten overwegen4. Calvijn bepaalde ook in de Ordonnances ecclesiastiques, dat de predikanten alle drie maanden moesten samenkomen, om op elkanders leer en leven toe te zien en voerde bovendien 1546 een jaarlijkse visitatie in5. Franz Lambert ontwierp 1526 voor Hessen een kerkenorde, waarin zowel gemeentevergaderingen als synoden, bestaande uit de predikanten en door de gemeenten benoemde afgevaardigden, waren opgenomen, maar deze kerkenorde trad niet in werking6. Een synodale kerkregering kwam er eerst in Frankrijk, waar de kerken zich sterk uitbreidden en door behoefte aan eenheid de 26e Mei 1559 voor het eerst in synode te Parijs samenkwamen en zich in een gemeenschappelijke belijdenis en kerkenorde verenigden7. Opmerkelijk is daarbij, dat de generale synode het eerst is ontstaan, dat deze de provinciale synoden invoerde en dat later, in 1572, tussen deze en de kerkeraden nog de classis ingeschoven werd8. Zulk een synodale kerkregering werd dan later ook in andere Gereformeerde kerken ingevoerd, in Polen, Bohemen, Hongarije, Duitsland, Nederland, Schotland, Engeland, Amerika enz. Maar er kwam spoedig van twee kanten oppositie tegen. De Remonstranten, zich aansluitende bij Zwingli en Erastus, kenden de kerkelijke macht aan de overheid toe en leidden daaruit af, dat synoden wel geoorloofd, maar niet geboden en voor het zijn of welzijn van de kerk niet nodig waren, en dat, wanneer zij gehouden werden, het recht tot samenroeping, tot afvaardiging, tot het vaststellen van de agenda, tot presidering aan de overheid toekwam9. En de Independenten gingen onder invloed van de anabaptistische dwaling nog verder, hielden elke groep van gelovigen voor independent, en verwierpen alle bindend classicaal of synodaal verband10. De gronden, die tegen de synodale kerkregering kunnen worden ingebracht, zijn ook inderdaad niet van gewicht ontbloot. Immers zijn de plaatselijke kerken in het Nieuwe Testament alle volkomen zelfstandig ten opzichte van elkaar; van een wettelijk, bindend classicaal of synodaal verband is er met geen woord sprake. Zodanig verband schijnt ook met de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken geheel in strijd te zijn, omdat het vergaderingen invoert, die boven de plaatselijke kerken staan en met gezag tegenover deze optreden, en zo in de kerk van Christus weer een ongeoorloofde hiërarchie en tirannie invoert. En daarbij komt dan nog, dat de geschiedenis van de synoden van haar nuttigheid niet altijd een gunstig getuigenis aflegt, en ze dikwijls doet voorkomen als oorzaak van allerlei twist en verdeeldheid, zodat Gregorius Naz. reeds zeggen kon, mhdemiav sunodou telov eidon crhston; en het spreekwoord niet ten onrechte luidt: omne concilium parit bellum.

Maar daartegenover stellen toch andere overwegingen de noodzakelijkheid en nuttigheid van de synoden duidelijk in het licht. 1. In het Nieuwe Testament is er nog geen classicaal of synodaal verband van de kerken, maar er was daar toen ook nog geen behoefte aan, omdat de apostelen zelf leefden, de gemeenten met raad bijstonden en ze ook door evangelisten als hun plaatsvervangers verzorgden. 2. De gemeenten waren ook toen reeds op allerlei wijze door geestelijke banden aan elkaar verbonden, en kregen het recht, niet alleen om zelf te vergaderen, maar ook om naar andere gemeenten afgevaardigden te zenden en daar beslissing in zekere geschillen te vragen; Hd. 1; 6; 15; 21 tonen, dat synoden in heel algemene zin zijn juris divini permissivi. 3. Synoden zijn niet beslist ad esse ecclesiae noodzakelijk en zijn ook niet bepaald door Gods Woord bevolen, maar zij zijn geoorloofd en ad bene esse ecclesiae noodzakelijk. 4. De noodzakelijkheid ligt daarin, dat de eenheid van leer, tucht en cultus, waartoe de gemeente geroepen is; de orde, vrede en liefde, die zij te bewaren heeft; en de gemeenschappelijke belangen, die haar zijn opgedragen (zoals opleiding, roeping, zending van dienaren; missie onder de Heidenen; ondersteuning van hulpbehoevende kerken enz.) niet anders dan door middel van synoden tot hun recht kunnen komen. 5. Synoden zijn geen voetstuk voor, maar een ondermijning van alle hiërarchie; zij handhaven de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken en bewaren haar voor verwarring, verdeeldheid, hiërarchie van de pastor, overheersing van enkele leden; zij bevestigen de vrijheid van de enkele leden, door hun een steun te geven in het verband met andere kerken en beroep op meerdere vergaderingen toe te staan. 6. Ook zijn zij geen oorzaak van verdeeldheid en twist, maar een middel, om geschillen, die er in de kerk hier op aarde altijd weer over leer, tucht, dienst oprijzen, op een vreedzame wijze, door nauwkeurig onderzoek en ampele bespreking, tot beslissing te brengen. 7. Opdat zij aan haar doel beantwoorden, behoren synoden altijd vergaderingen van kerken te zijn, waarvan de leden (pastores, presbyters, diakenen of gewone leden) afgevaardigden van kerken zijn en aan lastbrieven van kerken gebonden, die door de kerken zelf en niet door overheid, paus enz. samengeroepen, en door kerkelijke daartoe gekozen personen geleid worden, en die vrij en zelfstandig, zonder inmenging van de overheid, over kerkelijke zaken oordelen en besluiten. 8. De kerkelijke vergaderingen (plaatselijke, classicale, provinciale, generale, oecum.) zijn niet wezenlijk van elkaar verschillend. De ene vergadering is niet per se hoger, gewichtiger, minder aan dwaling blootgesteld of meer van de leiding van de Heilige Geest verzekerd dan de andere. Want elke kerk en elke groep van kerken is zelfstandig tegenover de andere; en alle zijn zij in dezelfde mate gebonden aan het Woord en de belofte van de Geest deelachtig. In de kerkelijke vergaderingen komen geen volksvertegenwoordigers, maar kerkelijke ambstdragers samen, die van Christus’ wege tot regering van zijn kerk geroepen zijn. Zij zijn dus onderscheiden, niet door andersoortige of hogere, maar alleen door meerdere macht, die er samengebracht wordt en over een wijder gebied zich uitstrekt. 9. Het gezag van alle kerkelijke vergaderingen is geen ander dan van de kerken zelf; het is onderworpen aan het Woord van Christus. Christus is de enige, die in de kerken en in haar verschillende vergaderingen gezag heeft; zijn Woord alleen beslist; wat de Heilige Geest in en door de leden goeddunkt, dat alleen is bondig in de kerk van Christus. Maar ook deze haar naar Gods Woord en in de Heilige Geest genomen besluiten kan de kerk niet anders handhaven dan door zedelijke middelen. Zij heeft geen heersende, dwingende maar alleen een dienende macht11.

1 Cyprianus, Ep. 14, 4.

2 Sohm, kirchenrecht bl. 247-344. Hauck, art. Synoden in PRE3 XIX 262 v. Harnack. Mission u. Ausbreitung2 I 370. G. Osten, Ursprung, Aufgabe und Wesen der christl. Synoden. Würzburg 1908.

3 Bellarminus, de conciliis et ecclesia lib. I II. Heinrich, Dogm. II 476 v. Scheeben, Dogm. I 230 v. Vering, Kirchenrecht 613 v. enz.

4 Mörikofer, Ulr. Zwingli, Leipzig 1869 II 118 v,

5 Kampschulte, Joh. Calvin I 408.

6 Lechler, Gesch. d. Presb. u Syn. verfassung bl. 14 v.

7 Lechler, t.a.p. bl. 69.

8 Lechler, t.a.p. bl. 81, verg. voor Schotland bl. 97. Zie ook E. von Hoffnmann, Das Kirchenverfassungsrecht der Niederl. Reformirten bis sum Beginne der Dordrechter Nationalsynode von 1618/19. Leipzig Hirschfeld. 1902.

9 Uytenbogaert, Tractaat van ‘t ampt ende autoriteit enz. 1610 bl. 107 v. Limborch, Theol. Christ. VII 19.

10 Robinson bij Kist en Boyaards, Ned. Archief voor Kerk. Gesch. VIII 1848. bl. 371 v. Neal, Historie van de rechtz. Puriteinen II 1 bl. 96.

11 Calvijninst. IV c. 9. Polanus, Synt. 541. Bullinger, Van de Conciliën. Dordr. 1611. Martyr, Loci Comm. 407. Junius, Op. II 1029. Theses Salmur. III 505. Amyraut, Du gouvernement de l’Eglise contre ceux qui veulent abolir l’usage et l’autorité des synodes, Saumur 1653. Heidegger, Corp. Theol. II 613. Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 33. Synopsis pur. theol. disp. 49. Voetius, Pol. Eccl. IV 114-272. Redevoering van C. Vitringa, over de Synoden enz., uit het Latijn door S. H. van Idsinga, Harl. 1741. De Moor VI 439-461. M. Vitringa IX 1 bl. 574-653. Ch. Hodge, Discussions on Church polity, New-York 1878 bl.364-456, Karl Lechler, Die neut. Lehre v. h. Amte 1857 bl.254-275. Stahl, Die Kirchenverfassung u.s.w. 332 v. Hauck, art. Synoden in PRE3 XIX 262-277.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
517. This power, granted to his church by Christ, in the local church comes together in the church council. According to the New Testament, every local church is independent, a “complete church” (ecclesia completa), and therefore, like the church in its entirety, bears the name “temple of God” (1 Cor. 3:16–17; 2 Cor. 6:16), “bride” (2 Cor. 11:2), or “body of Christ” (1 Cor. 12:27). Believers do not stand apart in isolation from each other but constitute a unity; in the same way the office-bearers in a local church do not remain detached from each other but join together to form a church council. Traces of this occur already in the New Testament. Believers in Jerusalem, after being incorporated by baptism into the church, came together from time to time, devoting themselves to the apostle’s teaching and fellowship, to the breaking of bread and the prayers (Acts 1:14; 2:41ff.; 5:12; and so forth), and were subject to the leadership of the company of the apostles, who


Unfortunately, you don't have access to this resource
Bavinck, Herman. Reformed Dogmatics. Vol 4. Holy Spirit, Church, and New Creation. Edited by John Bolt. Translated by John Vriend. Grand Rapids, MI: Baker Academic, 2008. [781]
x
This website is using cookies. Accept