Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk. Reformed Dogmatics

538. Van deze doop is Christus de bedienaar. En alleen als Hij doopt en met het teken ook de betekende zaak schenkt, is iemand waarlijk gedoopt. Maar bij de bediening van de doop maakt Christus van mensen gebruik, aan wie Hij de uitdeling van de verborgenheden van God opdraagt. Onder het Oude Testament was de besnijdenis aan geen ambt gebonden; ieder Israëliet mocht ze voltrekken; gewoonlijk deed het de huisvader, Gen. 17:23, in geval van nood ook de moeder, Ex. 4:25; 1 Makk.1:60, later gewoonlijk de arts en tegenwoordig meest een bijzonder daarvoor aangestelde mohel. Maar in het Nieuwe Testament wordt de doop alleen bediend door hen, die in het ambt zijn gesteld, Johannes, Mk.1:4, Jezus’ discipelen, Joh. 4:2, de apostelen, Hd. 2:38, aan wie het Mt. 28:19, door Christus bepaaldelijk was opgedragen, Filippus, die in Jeruzalem diaken was, maar later als evangelist optrad, Hd. 21:8, en als zodanig de doop bediende, Hd. 8:38, Ananias, die aan Paulus de handen oplegde en hem waarschijnlijk ook doopte, Hd. 9:17-18, Paulus, die soms zelf doopte, maar overigens het dopen aan zijn medearbeiders overliet, omdat hij als apostel van de Heidenen in de eerste plaats geroepen was tot verkondiging van het Evangelie, 1 Cor.1:14-17 cf. Hd.10:48. De bediening van de sacramenten blijkt hieruit duidelijk, ondergeschikt te zijn aan de prediking van het woord, maar daarmee toch te allen tijde verbonden te zijn geweest. Het sacrament volgt het woord, en daarom ging het recht, om de sacramenten te bedienen, van de apostelen en evangelisten vanzelf op de leraars over, op die presbyters, die arbeidden in het woord en de leer. Toen deze leraars later als bisschoppen werden beschouwd, die in ambt van de presbyters onderscheiden en boven hen verheven waren, werd de doopsbediening een recht van de bisschop geacht1. Maar de uitbreiding van de gemeenten en ook de meer en meer ingang vindende beschouwing, dat de doop ter zaligheid volstrekt noodzakelijk was, leidden er toe, dat de doop ook door presbyters, diakenen, parochi, en in geval van nood zelfs door ieder mens, die zijn verstand heeft, bediend mocht worden. De Roomse kerk erkent de doop, die door een ketter, ja zelfs die; die door een ongelovige, door een Jood of Heiden, bediend is, al is de vereiste intentio faciendi quod facit ecclesia hier moeilijk aan te wijzen, en behoudt zich daarin het recht, om op alle gedoopten het cogite intrare toe te passen; alleen het se ipsum baptizare erkent zij niet. Om zeker te gaan, heeft zij zelfs, indien er enige twijfel bestaat of de doop bediend of juist bediend is, de conditionele doop ingevoerd, waarbij de dienaar zegt: si non baptizatus es, ego te baptizo etc.2. Ook andere kerken, zoals de Griekse, de Lutherse enz. leren de noodzakelijkheid van de doop en stonden daarom in geval van nood zijn bediening aan leken toe. Maar tenslotte durven zij geen van alle de consequentie aan, dat iemand enkel en alleen daarom, dat hij geheel buiten zijn schuld ongedoopt stierf, verloren zou gaan; allen laten uitzonderingen toe, waarin een baptismus sanguinis of flaminis voldoet. Converaio cordis potest inesse non percepto baptismo, sed contempto baptismo non potest3. De Conf. Aug. zegt in de Lat. tekst wel van de doop, quod sit necessarius ad salutem, maar leert in de Duitse tekst alleen, dass sie nöthig sei4. De Lutherse theologen ontzeggen de zaligheid niet aan kinderen, die buiten de schuld van de ouders ongedoopt gestorven zijn5. En allen, die een bijzondere genade door de doop laten meedelen, erkennen, dat deze ook wel op andere wijze door God geschonken kan worden.

Daarom oordeelden de Gereformeerden ook anders. De doop was immers geen oorzaak maar teken en zegel van de wedergeboorte, welke God schenkt vóór en zonder het sacrament; geen enkele weldaad werd door de doop verleend, die niet geschonken was door het woord en aangenomen door het geloof. Zo kon dus de doop niet volstrekt noodzakelijk ter zaligheid zijn; niet de privatio baptismi op zichzelf, maar de contemptus baptismi maakt schuldig voor God. In Mk.16:16, wordt daarom bij het tweede lid de doop weggelaten en in Joh. 3:5, welke plaats van de andere zijde algemeen van de doop wordt verstaan6, is volgens Calvijn enz. van doop geen sprake, al wordt er misschien ook aan de doop gedacht, want het water komt hier, evenals in Mt. 3:11, het vuur, als symbool van de werkzaamheid van de Heilige Geest voor en wordt in Mt. 3:6, 8 in het geheel niet meer genoemd. Daarom is er ook geen reden, om van het apostolisch gebruik af te wijken en de bediening van de doop in gevallen van nood aan andere personen dan de leraars van de gemeente toe te staan7. In verband hiermede waren de Gereformeerden er ook op gesteld, dat de doop steeds bediend zou worden in het midden van de gemeente. Hoewel in het Nieuwe Testament de doopsbediening plaats had overal, waar maar water was, Mt. 3:6; Joh. 3:23; Hd. 8:36, werd het toch weldra, toen de gelovigen eigen vergaderplaatsen kregen, gebruik, om ze in deze te doen plaats hebben8. Toch werd in gevallen van nood, in wintertijd, bij ziekten, voor vorsten en aanzienlijke personen een uitzondering gemaakt en de doopsbediening in private woningen toegestaan. Dit is zeker met de algemene regel, die in de kerk gelden moet, in strijd. Al zijn er gevallen denkbaar, waarin de bediening van de doop in de huizen mag plaats hebben; zij kunnen en mogen niet anders dan hoge uitzondering zijn, staan niet aan de dienaar van het woord alleen, maar aan de hele kerkenraad ter beoordeling, en eisen ook dan zelfs, dat de bediening niet plaats herrft, dan in bijzijn van de kerkenraad. Want het komt bij de uitdeling van het sacrament niet aan op het gebouw, maar wel op de vergadering van de gemeente. Het sacrament is een bestanddeel van de openbare eredienst, is een goed, dat door Christus aan zijn kerk is geschonken en moet daarom met het woord openlijk in de gemeente bediend worden. Immers is het sacrament steeds verenigd met het woord; Christus zelf heeft de bediening van de doop verbonden met die van het woord, Mt. 28:19. Bij de planting van de kerk onder een niet Christelijke bevolking kan de doop uit de aard van de zaak niet terstond in het midden van de vergadering van de gelovigen plaats hebben. Maar zodra deze er is, moeten bediening van woord en sacrament in haar worden overgebracht, want zij zijn een bestanddeel van de openbare eredienst en een goed van de gemeente. Zo werd in de apostolische tijd het avondmaaal in het midden van de gemeente gevierd, 1 Cor.11:20. En zo behoort niet minder met de doop te geschieden, die immers juist de inlijving in Christus en zijn gemeente afbeeldt, 1 Cor. 12:13, en daarom het meest passend, in de openbare vergadering van de gelovigen bediend wordt9.

Over de tijd, waarop de doop bediend moest worden, heerste in de kerk geen gering verschil. De besnijdenis werd voltrokken op de achtste dag; de doop werd in het Nieuwe Testament gewoonlijk terstond bediend, als iemand geloofde en belijdenis deed, Mt. 3:6; Hd. 2:41; 8:12, 36; 9:18; 10:47; 16:15, 33; 18:8. Maar toen in het vervolg allerlei personen zich bij de kerk wilden voegen, die met haar leer en leven ten enenmale onbekend waren, kwam reeds in de tweede eeuw het catechumenaat op, dat allengs meer geregeld werd en volgens de synode van Elvira ñ 300, twee jaren duren moest. Aan het einde daarvan werden de catechumenen, liefst op een van de grote feestdagen, op plechtige wijze gedoopt en in de gemeente ingelijfd. Door de gedachte geleid, dat de doop alleen de verleden zonden vergaf, stelden velen zelfs de doop zo lang mogelijk en tot op het sterfbed toe uit. Maar de meer en meer in gebruik komende kinderdoop en de leer van de volstrekte noodzakelijkheid van de doop dreven de kerk toch in een andere richting. Het werd gewoonte, niet om de doop zo lang mogelijk uit te stellen, maar om hem zo spoedig mogelijk na de geboorte te bedienen. Eerst pleitten velen er nog voor, dat de doop bediend zou worden in het derde of dertigste levensjaar; maar anderen zagen hem het liefst bediend op de achtste of op de veertigste dag na de geboorte; de synode van Carthago 252 onder voorzitterschap van Cyprianus bepaalde reeds, dat de kinderen zo spoedig mogelijkt op de tweede of derde dag na hun geboorte, gedoopt moesten worden10, en dit werd spoedig algemeen gebruik en voor een apostolische gewoonte aangezien11. De Griekse kerk heeft geen bepaling over de tijd, maar stelt de doop toch gewoonlijk niet langer dan tot de achtste dag uit en bedient hem in geval van nood ook reeds vroeger, zelfs terstond na de geboorte. De Roomse kerk dringt er op aan, dat het kind zo spoedig mogelijk na de geboorte gedoopt wordt12. Met deze algemene regel stemmen de Luthersen13, en ook de Gereformeerden in. De prov. synode van Dordrecht 1574 art. 57 verklaarde zelfs, dat “de affectie van de ouderen, die de doop haarder kinderen begeren uit te stellen, ter tijd toe, dat de moeders zelf haar kinderen presenteren, ofte op de gevaders lange wagten, en is geen wettelyke oorzake om de doop uit te stellen.” Maar geen andere synode nam deze uitspraak over. Ofschoon alle nodeloos uitstel afgekeurd en telkens op spoedige presentatie van het kind ten doop aangedrongen wordt, is het toch volstrekt de bedoeling van de kerkordeningen niet, om, als zij alleen spreken van de vaders, de moeders uit te sluiten, maar om het stelsel van getuigen tegen te gaan en dezen niet de plaats van de vaders te laten innemen14.

Het stelsel van doopgetuigen, anadocoi, sponsores, fidejussores, susceptores, compatres, commatres, patrini, matrinae, patres et matres spirituales, kwam op, toen de kinderdoop algemeen gebruik werd, en wordt reeds door Tertullianus vermeld15. Er waren nu personen nodig, die in plaats van het kind belijdenis deden en de gebruikelijke vragen beantwoordden; die als het ware als borgen, sponsores, voor het kind optraden, en beloofden, om het later op de grondslag van de doop Christelijk op te voeden. Zij waren de vertegenwoordigers van de kerk, die immers zelf eigenlijk in haar geheel het kind ten doop houdt en het draagt met haar gebed. Nu lag het voor de hand, om de ouders als zulke sponsores bij de doop van het kind te laten optreden. En in de eerste tijd geschiedde dit ook zo. Maar langzamerhand werden vaderschap en peterschap naast elkaar gesteld, evenals geboorte en wedergeboorte, natuurlijke en geestelijke verwantschap. Ouders waren vanzelf al verplicht tot Christelijke opvoeding van hun kind en schenen een bijzondere gelofte daartoe niet meer op zich te kunnen nemen. Zij waren de natuurlijke ouders van het kind, maar het peterschap was een heel andere geestelijke verwantschap, en werd daarom allengs een impedimentum matrimonii tussen de susceptores ener-, en de dopeling en zijn ouders anderzijds en ook tussen hen zelf. Het concilie van Mainz 813 verbood dan ook reeds: nullus proprium filium vel filiam de fonte baptismatis suscipiat16. Maar deze zelfde Catechismus moest reeds klagen, dat deze dienst in de kerk zo verwaarloosd was, ut nudum tantum huius functionis nomen relictum sit. Luthersen en Gereformeerden achtten dit stelsel van doopgetuigen volstrekt niet noodzakelijk, omdat het in de Schrift niet voorgeschreven of vermeld was, maar hielden het toch gewoonlijk voor een adiaphoron, dat soms wel van enig nut kon zijn17. Laatstgenoemden legden er vooral nadruk op, dat in de eerste plaats de ouders de vragen bij de doop zouden beantwoorden en als susceptores en sponsores voor hun kind zouden optreden, en eisten, dat als er getuigen werden genomen, deze van zuivere belijdenis en wandel zouden zijn18. Daar komt nog bij, dat in de Roomse kerk de peters en meters dienst moeten doen, om het kind in de leer van het geloof te onderwijzen, omdat de pastoors, zoals de Catech. Rom. zegt19, er geen tijd voor hebben. Maar de Gereformeerde kerk voerde op voorgang van Calvijn de catechese van de gedoopte jeugd in en droeg deze aan de leraar op. Zo is in een goed ingerichte Gereformeerde kerk het stelsel van getuigen, dat overigens in een nudum nomen ontaardde, behalve in enkele bijzondere gevallen overbodig en onnodig geworden en praktisch ook zo goed als verdwenen20.

Heel deze leer van de doop, gelijk zij door de Gereformeerden ontwikkeld werd, stelt in het licht, hoe eng zij zich aansloten bij de Heilige Schrift. Des te meer verdient het de aandacht, dat zij desniettemin of liever juist daarom in hun erkenning en bediening van de doop alle sectarisme wisten te vermijden en een echt-Christelijke ruimte van hart en breedte van opvatting bewaarden. In overeenstemming met de katholieke kerk in haar strijd tegen de Afrikaanse kerken leerden ook de Gereformeerden eenparig, dat de ketterdoop, mits bediend in de naam van God drieëenig, erkend moest worden; maar omdat zij de doopsformule niet magisch opvatten en de doop niet losmaakten van kerk en ambt, voegden zij er de nadere beperking aan toe, dat hij bediend moest zijn door een in een Christelijke gemeente erkende dienaar21. En van de doop sloten zij wel uit alle zaken en voorwerpen, alle dode, omgekomen of nog slechts ten dele geboren personen, alle monstra, alle kinderen ook van Heidense ouders, die gevangen genomen waren22, maar zij lieten tot de doop toe alle kinderen, die na de dood van hun ouders of als vondelingen in Christelijke families waren opgenomen, die uit een onwettig huwelijk of uit excommunicati, schismatieken, ketters geboren waren, indien er maar enige grond voor het vermoeden bestond, dat de lijn van het verbond niet geheel was afgebroken23. De Gereformeerden zijn eerder van te ruime, dan van te enge erkenning en bediening van de doop te beschuldigen. Maar daardoor hebben zij toch op uitnemende wijze de eenheid en katholiciteit van de kerk van Christus op aarde gehandhaafd. Alle Christelijke kerken erkennen nog elkaars doop en spreken daarmee feitelijk uit, dat in haar alle nog zoveel waarheid aanwezig is, dat de mogelijkheid van zalig te worden niet is uitgesloten. Er is één belijdenis, op welke zij alle gebouwd, één geloof, dat zij alle deelachtig zijn. In weerwil van alle verschil en strijd, erkennen allen toch één Heer, één geloof, één doop.

1 Tertullianus, de bapt. c. 17.

2 Suicerus s. v. baptismov. Comm. op Sent. IV dist. 5. Thomas, S. Theol. III qu. 67. Trid. VII de bapt. 4. Gat. Rom. II qu. 18, 23, 42. Bellarminus, de bapt. c. 7.

3 Lombardus, Sent. IV 4, 4.

4 Conf. Aug. art, 9.

5 Quenstedt, Theol. IV 164.

6 Conc. Trid. VII de bapt. c. 2. Catech. Rom. II 2 qu. 31.

7 Calvijn, Inst. IV 15, 20. Bucanus, lnst. 613. Perkins, Werken I 461. Voetius. Pol. Eccl. I. 631. M. Vitringa VII 75, 163. De Moor, V 435.

8 Drews, in PRE3 XIX 415.

9 Calvijn, Inst. IV 15, 16. Voetius, Pol. Eccl. I 726-730. De Moor V 510-512. M. Vitringa VII 171. Syn. Dordr. sess. 163, 175. K. O. art. 56.

10 Cyprianus. Ep. 59.

11 Suicerus, s. v. baptismov en klinikov. Schwane, D. G. I 378. II 755. Moeller-Schubert, Kirchengesch. I 338.

12 Conc. Trid. VII de bapt. c. 12. Catech. Rom. II 2 qu. 28.

13 Gerhard, Loci theol. XX 245.

14 Bucanus, Inst. 634. Bullinger, Huysboek 1612 bl. 249 v. Synopsis pur. theol. 44, 52. Voetius, Pol. eccl. I 724. De Moor V 512. M. Vitringa, VII 176.

15 Drews, PRE3 XIX 447 v.

16 Verg. Catech. Rom. II 2 qu. 20-24.

17 Gerhard, Loci theol. XX 267. Buddeus, Inst. theol. bl. 1071 Dordsche Kerkenorde art. 57. Walaeus, Synopsis pur. theol. 44, 54. Bucanus, Inst. theol. bl. 640. Voetius, Pol. Eccl. I 704. De Moor, Comm. V 509. M. Vitringa, Doctr. VII 159.

18 Calvijn, Op. ed. Amst. IX 142. Hooyer, Oude Kerkenordeningen bl. 7, 11. 17, 46, 69, 105, 153, 205, 265, 314, 344, 456.

19 Catech. Rom. II 2 qu. 20.

20 Zie verder Suicerus, s. v. $G$. Höfling, Das Sakr. der Taufe II 4-20. Drews, PRE3 XIX 447-450. J. Doehmer, Eine Reform das Patenamts, Neue Kirchl. Zeits. 1906. Olthuis, De Doopspraktijk der Geref. Kerken in Nederland bl. 191 v.

21 Voetius, Pol. Eccl. I 631-645. Turretinus, Theol. El. XIX qu 15. De Moor, Comm. V. 443-453. Syn. Dordr. 1574 vr, 1574 vr. 10. Middelburg 1578 vr. 29. Dordr. 1618 sessie 162. Over de Ketterdoop zie men verder Bonwetsch, art. in PRE3 X 270-275. G. van Goor, De strijd over den Ketterdoop. Utrecht 1872.

22 Syn. Dordr. 1618 sessie 18, 19.

23 Voetius, Pol. Eccl. I 645-670. De Moor, Comm. V 500-509. M. Vitringa, Doctr. VII 95, 142-159. Zie verder Kromsigt, De doopspractijk in de oude Geref. kerk in Nederland, Troffel en Zwaard. 1905. H. H. Kuyper, Hamabdil, van de heiligheid van het genadeverboud, bl. 33 v. H. J. Olthuis, De doopspraktijk der Geref. kerken in Nederland 1568-1816. Utrecht 1908.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
538. The one who administers this baptism is Christ. And only when he baptizes a person and along with the sign also grants the thing signified is that person truly baptized. But in administering baptism Christ employs people whom he charges with the distribution of the mysteries of God. Under the dispensation of the Old Testament, circumcision was not bound to a special office. Any Israelite was permitted to perform the rite. As a rule, the father of the family performed it (Gen. 17:23); in a case of emergency the mother also did it (Exod. 4:25; 1 Macc. 1:60); later it was usually a physician, and nowadays it is commonly a specially designated mōhēl (circumciser). In the New Testament, however, baptism was only administered by those who held an office: John (Mark 1:4); Jesus’s disciples (John 4:2); the apostles (Acts 2:38), who were specifically charged by Christ to do this (Matt. 28:19); Philip, who was a deacon in Jerusalem but later served as an evangelist (Acts 21:8) and as


Unfortunately, you don't have access to this resource
Bavinck, Herman. Reformed Dogmatics. Vol 4. Holy Spirit, Church, and New Creation. Edited by John Bolt. Translated by John Vriend. Grand Rapids, MI: Baker Academic, 2008. [781]
x
This website is using cookies. Accept