Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk. Reformed Dogmatics

Par. 59. Het avondmaal.

Aan de in par. 57, 58 genoemde literatuur is hier nog toegevoegd: Ebrard, Das Dogma v. h. Ab. und seine Geschichte. 2 Bde. Frankfurt a. M. 1845-46. Kahnis, Die Lehre v. Ab. Leipzig 1851. Lobstein, La doctrine de la sainte cène. Lausanne 1890. Wilberforce, The doctrine of the holy eucharist 1854. Pusey, The doctrine of the real presence 1855. Ch. Gore, The body of Christ. An inquiry into the institution and doctrine of holy communion. London Murray 1901. Gihr, Das h. Messopfer9. Freiburg 1907. In de laatste twintig jaren is oorsprong en betekenis van het avondmaal aan een nieuw onderzoek onderworpen, door Lobstein, Weiszäcker, Harnack, Spitta, Jülicher, Heitmüller, Eichhorn, Wellhausen, Brandt, verg. E. Grafe, Die neuesten Forschungen über die urchristl. Abendmahlsfeier, Zeits. f. Th. u. K. 1895 bl. 101-138. Schaefer. Das Herrenmahl nach Ursprung and Bedeutung, Neue kirchl. Zeits. 1903 bl. 472-485. Wahlenberg, Die bibl. Abendmahlsberichte und ihre neuere Kritik, Neue kirchl. Zeits, März April 1906. K. G. Goetz, Die heutige Abendmahlsfrage in ihrer gesch. Entw. Ein Versuch ihrer Lösung2. Leipzig 1907. Goguel, L’ Eucharistie des origines 8. Justin Martyr. Paris 1910. Zie voorts nog Cremer, art. Abendmahl, Schriftlehre in PRE3 I 32-38. Loofs, Ab. Kirchenlehre, ib. 38-68. Rietschel, Abendmahlsfeier in den Kirchen der Ref., ib 68- 76. Drews, art. Eucharistie, PRE3 V 560-572. Kattenblsch, art. Messe, dogmengesch. PRE3 XII 664-697. Drews, art. Messe, liturgisch. ib. 697-723. Kattenbusch, Transsubstantiation, PRE3 XX 55-79 enz.

539. Bij de doop komt als tweede sacrament het avondmaal, dat onder het Oude Testament zijn voorbeeld in het pascha had. Evenals bij de Heidenen, Num. 25:2, waren ook bij Israël met de offers dikwijls maaltijden verbonden. Soms werden de offers op het brandofferaltaar geheel verbrand, maar bij andere werd slechts een gedeelte verbrand en het overige voor gebruik bewaard, hetzij door de priesters alleen bij het altaar, Lev. 2:3; 10; 6:16, 25-30; 7:1-10; 10:12-13, ter verzoening, Num. 10:17; hetzij door de dienstdoende priester met zijn familie op een reine plaats tot zijn onderhoud, Lev. 7:12-14, 31-34; 10:14; hetzij door de offeraar met zijn familie en gasten, mits levietisch rein en buiten het heiligdom, Lev. 7:19-21; Deut. 12:7, 12; 1 Sam. 9:13v., 2 Sam. 6:19. De betekenis van deze maaltijden was, dat God met zijn volk samenkwam en op grond van de gebrachte en aangenomen offerande in vreugde zich met zijn volk verenigde. In dit heiligdom komt God tot de kinderen Israëls en woont onder hen, Ex. 20:24; 29:42-46; 33:7; Num. 11:25; 12:5; 17:4; Deut.31:15; Hij is de gastheer, die een deel van de Hem gebrachte offerande afstaat en zijn volk ten maaltijd nodigt; wie eraan deelnam, trad met Hem in verbond. Het deelnemen aan de Heidense offermaaltijden was daarom aan Israël verboden, Ex. 34:15; het was rmun, een zich verbinden met, een zich aansluiten bij de valse goden, Num. 25: 3, 5; Ps. 106:28; de apostelen verboden ze later aan de Christenen, Hd. 15:29; 21:25, of waarschuwden er tegen vanwege de wil van de zwakgelovige, 1 Cor. 8:1v., 1Cor. 10:18v. Als zulke verenigingen van God met zijn volk en ook onderling, droegen deze maaltijden een karakter van blijdschap en vreugde en gaven menigmaal wel aanleiding tot brasserijen en dronkenschappen, 1 Sam.1:13; Jes. 28:8; Spr. 7:14, maar dienden anderzijds ook tot tekenen en onderpanden van de hoogste vreugde in God, Deut. 27:7; Ps. 22:26v. [Ps. 22:25], Jes. 25:6; 62:8-91.

Zulk een offermaaltijd had er vooral bij het pascha plaats. Vele Protestanten hielden tegenover Rome staande, dat het pascha daarin geheel en al opging2. Maar dit is ongetwijfeld onjuist; het pascha was allereerat een sacrificium en daarna een sacramentum. In Ex. 12:27; 34:25, heet het een hbz voor de Heere; de handeling die ermee gepaard ging, heet xdbe Ex.12:26; en het vieren ervan wordt Num. 9:7, een brengen van een Nbdq aan de Heere genoemd. Voorts moest de huisvader, nadat hij vier dagen vóór het feest, op de 10e Abib of Nisan, een eenjarig, mannelijk, volkomen lam had afgezonderd, dit op de 14e van die maand tussen de twee avonden slachten en van het bloed met een bosje hysop strijken aan de twee posten en de bovendorpel van de huisdeur, Ex 12:3v.. Dit bloed diende ter verzoening. Op zichzelf had Israël evengoed als de Egyptenaren de dood verdiend; maar het wordt toch niet als Egypte behandeld, maar door de Heere genadig uit de dood gered en uit het land van de dienstbaarheid verlost. Daarvoor moest het bloed ten teken zijn. Als de Heere dat bloed aan de huisdeur zag, was Hij verzoend, legde Hij zijn toorn af en ging sparend voorbij, (hop, over iets heenschrijden, voorbijgaan, Jes. 31:5, vandaar hop, pasca), Ex. 12:13, 23, 27. Nog duidelijker blijkt het sacrificieel karakter van het pascha uit de wijze, waarop het later in Kanaän gevierd werd. Daar wordt het lam niet meer door de huisvader, maar door de Levieten geslacht, 2 Chr. 30:16; 35:11; Ezr. 6:19; het bloed door de priesters op het altaar gesprengd, 2 Chr. 30:16; 35:11; de vetdelen op het altaar verbrand, 2 Chron. 35:14; en de maaltijd bij het heiligdom gehouden, Deut. 16:2. Maar al is het pascha dus in de eerste plaats een offerande, het gaat daarin niet op, het wordt straks een maaltijd. Nadat het lam tussen de twee avonden op de 14e Abib geslacht en zijn bloed aan de huisdeur gestreken of in later tijd op het altaar gesprengd was, moest het, zonder dat er een been aan gebroken werd, geheel, met hoofd, schenkels en ingewand aan het vuur gebraden en daarna in dezelfde nacht van de 14e Abib met ongezuurde broden en bittere kruiden door allen, die in het huis waren, dus ook door de vrouwen, maar niet door onbesneden vreemdelingen, uitlanders of huurlingen, in haast, met omgorde lenden, geschoeide voeten en een staf in de hand, in huis of later bij het heiligdom gegeten en het overblijvende met vuur verbrand worden, Ex. 12:1-28, 43-49; 13:3-9; 23:15; Lev. 23:5-14; Num. 9:10-14; 28:16-25; Deut. 16:1v., Het pascha nam daardoor in de Israëlitische cultus een geheel bijzondere plaats in; het was een offerande maar ging daarna terstond in een maaltijd over; tot de zondoffers behoorde het niet, want het werd gegeten, noch ook tot de dankoffers, want aan de maaltijd ging verzoening vooraf. Het is trouwens ook bij een bijzondere gelegenheid, vóór alle andere offers, door God ingesteld en draagt een eigen natuur; het is een offerande ter verzoening en een maaltijd van de gemeenschap met God en met elkaar; het is sacrificium en sacramentum tegelijk3.

Het Nieuwe Test, kent aan dit pascha een typische betekenis toe, zodat het niet alleen een herinnering is aan de bevrijding uit Egypte, maar ook een teken en onderpand van de verlossing uit het diensthuis van de zonde en van de gemeenschap met God in de beloofden Messias. Jezus heeft hier zelf op gewezen, als Hij opzettelijk de instelling van het avondmaal met de viering van het pascha in verband heeft gebracht. Maar over de wijze, waarop Hij dat gedaan heeft, bestaat er geen klein verschil. Sommigen beroepen zich op de Synoptici en zeggen, dat Jezus op donderdag de 14e Nisan met zijn discipelen het eigenlijke pascha gebruikt en bij die gelegenheid het avondmaal heeft ingesteld. Anderen houden het met Johannes 12:1; 13:1-2, 29; 18:28; 19:14, 31, en beweren, dat Jezus op donderdag de 13e Nisan een gewone maaltijd met zijn discipelen gehouden en daarbij hun de voeten gewassen heeft, en dan op de 14e Nisan, de eigenlijke dag van het feest, als het ware paaslam gestorven is. Het zij men nu de Synoptici naar Johannes of Johannes naar de Synoptici conformeert, of beiden onverzoend naast elkaar laat staan; of ook, op grond van het getuigenis van de Quartodecimanen in de tweede en derde eeuw, die voor hun praktijk, om het Christelijk paasfeest in de avond van de 14e Nisan te vieren, zich o.a. op de apostel Johannes beriepen, de echtheid van het vierde Evangelie ontkent4; altijd is er in zover overeenstemming, dat Jezus op donderdagavond met zijn discipelen een maaltijd gehouden heeft, op vrijdag gestorven en op zondag opgestaan is. Al was nu deze maaltijd niet het gewone pascha van 14 Nisan geweest, maar daags te voren, op donderdag 13 Nisan gehouden; dan zou er toch niets tegen zijn om aan te nemen, dat Jezus, die de volgende dag sterven zou en dus het pascha niet op de gewonen tijd met de Joden eten kon, het daags te voren gebruikt en op deze wijze het avondmaal eraan verbonden had. Want dit laatste is boven allen twijfel verheven. Zowel Paulus, 1 Cor.10:16; 11:24-25, als de Synoptici laten Jezus het avondmaal instellen in het nauwst verhand met het pascha; aan de paasdis ontleent hij het brood en de wijn, die als tekenen en zegelen bij het avondmaal dienst moeten doen: terwijl Hij de doop terstond van Johannes overneemt, wacht Hij met de instelling van het avondmaal tot het laatste Paasfeest en doet dan de bondsmaaltijd van het Oude Verbond in die van het Nieuwe Testament overgaan; en dit alles vindt bij Johannes geen tegenspraak, omdat hij van de instelling van het avondmaal geheel zwijgt. En voorts is de datum van Jezus’ sterfdag op 14 of op 15 Nisan volkomen onverschillig voor het feit, dat Jezus als het ware paaslam gestorven is. Want niet alleen het Evangelie van Johannes laat dit uitkomen, Joh. 19:33, 36; maar ook Paulus zegt uitdrukkelijk in 1 Cor. 5:7, dat ons pascha, nl. Christus, geslacht is en dat daarom de gelovigen de oude zuurdesem van de zonde moeten uitzuiveren, en als azumoi, nieuwe schepselen, onvermengd met de ongerechtigheid, behoren te wandelen. En daarbij komt nog, dat het lam, dat ter slachting geleid wordt, Jes. 53:7, niet onwaarschijnlijk een toespeling op het paaslam bevat en zo in het Nieuwe Testament op Christus wordt toegepast, Joh.1:29, 36; Hd. 8:32; 1 Petr. 1:19; Op 5:6 enz.. Zoals de besnijdenis een voorbeeld was van de doop en door de dood van Christus heen in die doop overging, zo wees het pascha vooruit naar het avondmaal en werd daardoor naar het bevel van Christus vervangen. Terwijl echter het pascha nog in de eerste plaats een sacrificium was, heeft het avondmaal dit karakter geheel verloren. Immers heeft de offerande, die in het pascha gebracht werd, in de dood van Christus haar volkomen vervulling verkregen. En het is op grond van die eenmaal volbrachte en volkomene offerande, dat Christus de nieuwe bedeling van het genadeverbond sticht en zijn discipelen nodigt en sterkt aan zijn heilige dis.

1 W. Robertson Smith, Die Religion der Semiten 1899 bl. 206 v. Orelli, PRE3 XIV 393.

2 De Moor, Comm. V322. Witsius, Oec. foed. IV 9, 6.

3 Orelli, art. Passah in PRE3 XIV 750-157. W. J. Moulton, art. Passover in Hastings D. B. III 684-692.

4 De kwestie is veel te ingewikkeld, om hier behandeld te worden. In de laatste tijd werd ze o.a. besproken door D. J. Veen, In welk jaar en op welke dag en datum is Christus gestorven? Theol. Stud. 1905, bl. 429-438, afzonderlijk uitgegeven te Amersfoort 1907. C. Mommert, Zur Chronologie des Lebens Jesu. Leipzig 1902. Westberg, Die bibl. Chronologie nach Fl. Josephus und das Todesjahr Jesu. Leipzig 1910. Gwilliam, in Hastings DCG II 5-9.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
539. As the second sacrament, after baptism, comes the Lord’s Supper, whose Old Testament model is the Passover feast. Just as among the Gentiles (Num. 25:2), so also in Israel meals were frequently combined with sacrifices. Sometimes the sacrifices were totally consumed by fire on the altar of burnt offerings, but in the case of other offerings only a part was consumed by fire and the rest was kept for human consumption, either at the altar by the priests alone (Lev. 2:3, 10; 6:16, 25–30; 7:1–10; 10:12–13) as an act of atonement (10:17), or by the officiating priest with his family in a clean place as part of his maintenance (7:12–14, 31–34; 10:14), or by the sacrificer with his family and guests, provided they were levitically clean and outside the sanctuary (7:19–21; Deut. 12:7, 12; 1 Sam. 9:13ff.; 2 Sam. 6:19). The significance of these meals was that God met with his people and, on the basis of the sacrifice made and accepted, united himself with his people in joy.


Unfortunately, you don't have access to this resource
Bavinck, Herman. Reformed Dogmatics. Vol 4. Holy Spirit, Church, and New Creation. Edited by John Bolt. Translated by John Vriend. Grand Rapids, MI: Baker Academic, 2008. [781]
x
This website is using cookies. Accept