De offerande des Lofs (1e druk) The Sacrifice of Praise

1. De grondslag der belijdenis

1. The Basis of the Confession

7

En Ik zal mijn verbond oprichten tusschen mij en tusschen u, en tusschen uwen zade na u in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot eenen God, en uwen zade na u.

Gen. 17 : 7.


Het verbond der genade ligt onwankelbaar vast in Gods eeuwige ontfermingen.

In het eerste verbond, dat vóór den val werd opgericht, kwam God tot den mensch met den eisch der gehoorzaamheid, en beloofde hem het eeuwige leven en de hemelsche zaligheid eerst na volkomen volbrenging der wet. Dit verbond rekende dus met den wil en het werk van den mensch, het rustte voor een deel in zijne hand, en was daarom wankel en verbreekbaar.

Maar het verbond der genade heeft zijn grondslag en vastigheid alleen in den genaderaad Gods. Het rust niet in den mensch en is van zijn goedvinden niet afhankelijk. Het is eeuwig, onveranderlijk, onwankelbaar als God zelf. Bergen zullen wijken en heuvelen zullen wankelen, maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het 8 verbond mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer.

In dit verbond is God de eerste en de laatste, het begin en het einde, de alpha en de omega. Op wonderschoone wijze handhaaft het de volstrekte souvereiniteit Gods in het gansche werk der zaligheid. Want van den aanvang af tot aan zijne voleinding toe komt er niets bij en niets in van den mensch. De verlossing is het Goddelijk werk bij uitnemendheid, een werk van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest. Alle roem is uitgesloten; de glorie komt eeniglijk Gode toe, die, gelijk de Schepper, zoo ook de Herschepper aller dingen is.

Daarom is het een verbond van genade, van louter genade. In de Goddelijke deugd der genade heeft dit verbond zijn oorsprong; gaven der genade heeft het tot inhoud; verheerlijking der genade is het einddoel ervan. God is het, die dit welgeordineerde en eeuwige verbond heeft ingesteld; die den door de zonde van Hem verwijderden mensch erin opneemt; die al de weldaden des verbonds hem deelachtig maakt; die in den weg des verbonds hem wandelen doet en hem door dit verbond henen tot de hemelsche zaligheid leidt.

De vastigheid van dit verbond is de reden, waarom het meermalen in de Heilige Schrift als een testament wordt voorgesteld. Het is geen wederzijdsch verdrag; het is niet gelijk aan eene 9 overeenkomst tusschen twee personen, die deze na wikken en wegen, met gemeen overleg en na onderling goedvinden tot stand weten te brengen. Maar het verbond der genade is eene inzetting, eene genadige beschikking Gods, eene gave in Christus. Gelijk de Vader mij het koninkrijk heeft verordineerd, alzoo verordineer Ik het ulieden.

Als bij testament, in den weg eener laatste, vrije beschikking, in den vorm van eene erfenis komen de Goddelijke zegeningen van dit verbond ons toe, buiten en zonder onzen wil. Het is de kostelijkste gave, de volmaaktste gift, welke van boven tot ons nederdaalt van den Vader der lichten, bij wien geen verandering is noch schaduw van omkeering.

En ziet eens, welke en hoedanige goederen den inhoud uitmaken van dit vrije en eeuwige verbond. Ze vormen samen een rijk van geestelijke en stoffelijke, van hemelsche en aardsche, van eeuwige en tijdelijke zegeningen. Er wordt daarin voor den mensch een volheid van zaligheid, een fontein van heil, een springader van leven ontsloten. De eene genade wisselt de andere af en wordt op haar beurt door eene nieuwe genade vervangen. Uit de volheid van Christus ontvangen wij genade voor genade.

Geestelijke weldaden zijn het in de eerste plaats, die den mensch in dit verbond worden geschonken. Want vóór alle dingen kwam Christus op aarde, 10 om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was. Hij trad niet op als hervormer der maatschappij, als politiek leider des volks, als kunstenaar of wereldwijze. Maar Zaligmaker was zijn naam en zijn ambt. Daartoe heeft de Vader Hem met zijnen Geest gezalfd, om eene blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen, om te verbinden de gebrokenen van hart, om den gevangenen vrijheid uit te roepen en den gebondenen opening der gevangenis, om uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren.

Geestelijke zegeningen zijn het daarom bovenal, waarmede de gemeente door den Vader van onzen Heere Jezus Christus in den hemel gezegend wordt. In de gemeenschap met Christus worden vergeving en wedergeboorte, geloof en bekeering, heiligmaking en volharding het deel der geloovigen. Beide hun bewustzijn en hun zijn, hun staat en hun stand worden door den Geest van Christus vernieuwd. Zij zijn andere menschen geworden door den Geest, die in hen woont; zij zijn niet van beneden, maar van boven; zij werden uit God geboren, door Hem tot kinderen aangenomen, en voor de hemelsche erfenis bestemd. Het oude is bij hen voorbijgegaan; ziet, het is alles nieuw geworden.

Maar met deze geestelijke en eeuwige zegeningen gaan ook aardsche en tijdelijke gepaard. Hemel en aarde, geest en stof, ziel en lichaam hangen toch veel te nauw samen, dan dat volstrekte scheiding 11 mogelijk zou zijn. In het heerlijk beeld der toekomst, dat de profetie des Ouden Testaments voor ons ophangt, is niet alleen vervat, dat Israël een heilig volk zal zijn, dat de Heere zich ondertrouwt in eeuwigheid en dat Hij van alle onreinheid reinigen en met een nieuw hart begiftigen zal, maar dat het ook onder den Vredevorst uit Davids huis in veiligheid wonen, eene vroeger ongekende welvaart en buitengewone vruchtbaarheid der aarde genieten zal.

En zoo voegt ook het Nieuwe Testament de lichamelijke en de geestelijke zegeningen saam. Wel legt het op de laatste den nadruk. Eerst moet het koninkrijk met zijne gerechtigheid worden gezocht; en dat koninkrijk wordt het deel reeds hier op aarde van hen, die het evangelie van Christus gelooven en zich met waren harte tot God bekeeren. Want het wordt in de eerste plaats binnen in de harten gesticht en bestaat niet in spijze of drank, maar in rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door den Heiligen Geest.

Maar wie dat koninkrijk als een parel van groote waarde heeft gezocht en gevonden, dien worden ook daarna alle andere dingen in den schoot geworpen. Zulk een behoeft niet meer, op de wijze der Heidenen, bezorgd te zijn en angstig te vragen: wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleeden? Want zijn hemelsche Vader weet, dat hij al deze dingen 12 behoeft. Die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar voor schuldigen heeft overgegeven, zal voorts met Hem ook alle dingen schenken. De haren van hun hoofd zijn alle geteld. Hun brood is zeker en hun water gewis. Wie Jezus wil volgen, moet wel alles verlaten, maar hij ontvangt in dit leven reeds vaders en moeders, broeders en zusters, vrienden en akkers terug en in de toekomende eeuw nog het eeuwige leven. De godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging; zij is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van dit en van het toekomende leven.

Al deze weldaden des verbonds zijn saamgevat in de ééne groote belofte, dat God onze God zal zijn en de God van ons zaad. Met deze belofte begint de aankondiging des heils, als God den mensch na zijn val weder opzoekt, de gesloten vriendschap met Satan verbreekt, en in plaats daarvan vijandschap zettende, hem weder inzijne gemeenschap opneemt. Zij staat aan het hoofd van het verbond, dat met Abraham werd gesloten. Zij prijkt boven de wet, welke aan Israël werdgegeven, en vormt den hoofdinhoud van de bedeeling des genadeverbonds in de dagen des Ouden Testaments. In die belofte vinden de vromen temidden van nood en ellende hun zaliglieid en troost; nevens God hebben zij niemand in den hemel en lust hun ook niets op de aarde; Hij is de rotssteen huns harten en hun deel in eeuwigheid. Als 13 Israël Hem verlaat, dan blijft dit de troost, dat God desniettegenstaande hun God blijft, hen weder uit de verstrooiïng vergadert en aan het einde der dagen een nieuw verbond met hen opricht, waarin zij Hem tot een volk en Hij hun tot een God zal zijn.

En deze belofte gaat over in het NieuweTestament. Zij is vervuld in Christus, die in de bangste verzoeking, in de zwaarste aanvechting, in de worsteling van Gethsemané en in het lijden aan het kruis staande bleef, omdat God zijn God was en Hij zijn veelgeliefde Zoon. Zij wordt vervuld in de gemeente, die in de plaats van Israël is getreden, en roemend in het Immanuël, God met ons, tot zijn volk is aangenomen. En zij zal dan ten volle verwezenlijkt worden, als het nieuwe Jeruzalem van God uit den hemel zal nederdalen, als zijn tabernakel bij de menschen wezen zal, en Hij bij hen als zijn volk wonen zal.

Welke gift is ook grooter dan die van God zelven? Wat kan Hij meer dan zichzelven schenken, zichzelven met al zijne deugden en volmaaktheden, met zijne genade en wijsheid, met zijne gerechtigheid en almacht, met zijne onveranderlijkheid en trouw? Want als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Wat dan ons ook treffe, Hij is en blijft de onze, in nood en dood, in leven en sterven, voor tijd en eeuwigheid; Hij is immers niet een God der dooden, maar der levenden. 14 Welgelukzalig is het volk, wiens God de Heere is!

Bovendien is deze belofte te rijker, wijl God zich daarin verbindt, niet alleen onze God maar ook de God van ons zaad te zullen zijn. Groot ware het reeds, als God zijne gemeenschap schonk aan enkele menschen, die in geen verband stonden tot elkaar; als Hij, met willekeur te werk gaande en geen rekening houdende met de geslachten, zijne uitverkorenen losmaakte uit allen historischen samenhang met vleesch en met bloed.

Maar zoo handelt de Heere niet. Hij richt zijn verbond organisch met de menschheid op, in Christus als Hoofd, eerst bij Adam en dan bij Abraham, die, een vader aller geloovigen is. Hij volgt met zijne genade de lijn der geslachten. Hij sluit in de herschepping bij de schepping zich aan. Hij voert de verkiezing uit in den weg des verbonds. Hij wandelt als Vader aller barmhartigheid in het spoor, dat Hij zelf als Vader aller dingen geteekend heeft.

Daarom is het verbond der genade ook eeuwig in dien zin, dat het in de geschiedenis zich voortzet van geslacht tot geslacht en nimmer afgebroken wordt. De genade is een stroom, die na den val een aanvang nemend, in de historie der menschheid eene bedding zich graaft en eerst uitmondt in de eeuwigheid. Als verbond moge zij verschillende bedeelingen doorloopen en in onderscheidene vormen optreden, zij is door de almacht Gods tot een onuitroeibaar bestanddeel der wereld, tot een 15 onvernietigbaar goed der menschheid geworden.

Juist omdat het een verbond is, draagt het dit onverdelgbaar karakter. In alle verbonden toch zijn twee deelen begrepen. Eerst geeft God daarin zichzelven aan ons; maar dan worden wij daardoor ook van God vermaand en verplicht tot eene nieuwe, gehoorzaamheid, namelijk dat wij dezen eenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, aanhtangen, betrouwen en liefhebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede en met alle krachten, de wereld verlaten, onze oude natuur dooden en in een Godzalig leven wandelen. Als God zichzelven geeft aan ons, dan wil Hij, dat wij ook daarna ons zelven zullen geven aan Hem, ons zelven geheel, onverdeeld, onvoorwaardelijk, ons zelven met onze ziel en ons lichaam, met onze gaven en krachten, met ons geld en ons goed, met onze kinderen en kindskinderen. Ook en voor alles met onze kinderen, die een erfdeel des Heeren en zijne kostelijkste aardsche zegening zijn. Zij moeten Godes wezen, omdat wij de zijnen zijn.

Toch, als Hij in het verbond ook met onze kinderen ons opeischt voor zijnen dienst, blijft Hij de eerste, die èn aan ons èn aan onze kinderen den rijkdom zijner genade verheerlijkt. De eerste is Hij, als Hij Adam en Noach, Abraham en Israël roept tot zijne gemeenschap, maar Hij blijft dit ook, als Hij hunne kinderen met hen in zijn 16 verbond opneemt. Ik zal u tot een God zijn, en uwen zade na u — zoo luidt de belofte, waarmede Hij zich aan de uitverkorenen in hunne geslachten verbindt. En voordat onze kinderen geboren waren of iets goeds of kwaads gedaan hadden, is Hij het geweest, die in zijne vrijmacht zeide: Ik zal mij ontfermen wiens Ik mij ontforme, en Ik zal barmhartig zijn wien Ik barmhartig ben.

Onze kinderen komen niet in het verbond, doordat wij ze den Heere opdragen. Zij komen er nog veel minder in, doordat zij zelven door eenige deugd of verdienste de opneming zich waardig maakten. Maar zij zijn er in krachtens de belofte Gods; zij worden er in geboren en zijn er van hun eerste aanzijn af in begrepen, niet van nature, maar uit genade, wijl God zich verbonden heeft de God der geloovigen en van hun zaad te zijn.

In het geestelijke heerscht dezelfde wet als in het natuurlijke. Wij zijn allen een natuurlijk leven deelachtig, dat wij door onze ouders ontvangen hebben van God, den Almachtige, Schepper van hemel en aarde. Dat wij dat leven bezitten, spreekt niet vanzelve. Wij hebben het ons zelf niet gegeven, wij hebben het niet verdiend, wij hebben het zelfs door onze schuld verbeurd; het is in volstrekten zin eene gave, wel niet van Gods bijzondere, maar dan toch van zijne algemeene genade. Wij worden het deelachtig door ontvangenis en geboorte, waarbij wij geheel lijdelijk zijn. Buiten bewustzijn 17 en wil worden wij in eene wereld geplaatst, die met rijke goederen is vervuld, en gaan wij in tot de machtige erfenis der voorgeslachten; wij staan op hunne schouderen en genieten van wat zij in het zweet des aanschijns hebben verworven en saamgebracht.

Dit alles geldt in nog veel sterker mate van de geestelijke goederen des verbonds. Immers gaat het hierbij niet alzoo toe, dat wij eerst een tijd lang buiten het verbond omdolen en daarna door geloof en bekeering als door onze eigene wilsdaden in dat verbond toetreden. Want geloof en bekeering zijn geen voorwaarden buiten en tot het genadeverbond, maar zij zijn weldaden in dat verbond, onderstellende de gemeenschap aan Christus en den toegang ontsluitende tot het genot zijner weldaden.

Al deze weldaden toch, van vergeving en vernieuwing, heiligheid en heerlijkheid, komen alleen uit den Middelaar ons toe, die ze verworven heeft voor, den prijs van zijn bloed. Zij kunnen ons, deel niet zijn, dan doordat wij deel hebben aan zijn persoon. De mystieke vereeniging met Christus gaat aan alle weldaden vooraf en openbaart zich het eerst in geloof en bekeering. Gelijk het natuurlijk leven ons geschonken wordt in de geboorte en daarna in daden van verstand en wil zich omzet, zoo wordt het geestelijke leven ons eigendom door de wedergeboorte, om daarna vruchten te dragen van geloof en bekeering. 18

En wederom is het niet mogelijk, om de gemeenschap aan Christus te bezitten, dan doordat de Vader dien Christus ons schenkt. De aanbieding en de gave van Christus gaat aan al zijne weldaden vooraf. God is het, die Christus, die in Christus zichzelven ons schenkt en in de gemeenschap met Hem achtereenvolgens alle weldaden des verbonds, de gansche zaligheid ons deelachtig maakt.

Van deze onuitsprekelijke gave der genade Gods is de doop het teeken en zegel. Want zoo zekerlijk is iemand, die in der waarheid gedoopt is, met Christus' bloed en Geest van de onreinheid der ziel, dat is van al zijne zonden gewasschen, als hij uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des lichaams pleegt weg te nemen, gewasschen is.

De doop is immers een doop in den naam van God Drieëenig.

Als wij gedoopt worden in den naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot zijne kinderen en erfgenamen aanneemt, en daarom van alle goed ons verzorgen en alle kwaad van ons weren of ten onzen beste keeren wil.

En als wij in den naam des Zoons gedoopt worden, zoo verzegelt ons de Zoon, dat Hij ons wascht in zijn bloed van alle onze zonden, ons in de gemeenschap zijns doods en zijner 19 wederopstanding inlijvende, alzoo dat wij van al onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden.

Desgelijks als wij gedoopt worden in den naam des Heiligen Geestes, zoo verzekert ons de Heilige Geest door dit heilig sacrament, dat Hij in ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeëigenende hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassching onzer zonden en de dagelijksche vernieuwing onzes levens, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden.

De doop dient ons tot een getuigenis, dat God in eeuwigheid onze God zijn zal, ons zijnde een genadig Vader. Want Hij heeft ons bevolen te doopen alle degenen, die de zijnen zijn, in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.

In den doop geeft God ons het zichtbaar bewijs, dat Hij in Christus zichzelven ons schonken ons tot zijne kinderen aannam.

En die aanneming is de grondslag onzer belijdenis.


And I will establish my covenant between me and thee and thy seed

after thee in their generations for an everlasting covenant, to be a God unto thee, and to they seed after thee.

Genesis 17: 7.

The covenant is established on God's unwavering and everlasting mercies. With the first covenant that was established before the fall, God came to man with the demand of obedience, and promised him eternal life and heavenly salvation only after fulfilling the law. That covenant reckoned with the will and work of man, in some respects it was in his own hand, and therefore it was unstable and could be broken.

But the covenant of grace has its foundation and stability in God's gracious counsel alone. It rests not in man and does not depend on his approval. It is eternal, unchangeable, constant as the Lord Himself. "Mountains shall depart and the hills be removed; but my kindness shall not depart from thee, neither shall the covenant of my peace be removed, saith the LORD that hath mercy on thee" (Is. 54:10).

In this covenant God is first and last, the beginning and the end, the alpha and omega. In a beautiful way it maintains the absolute Sovereignty of God in the whole work of salvation. For from its beginning to its very end, there is nothing in it of man. Redemption is pre-eminently a Divine work, a work of the Father, the Son and the Holy Spirit. All boasting is excluded; all the glory is the Lord's, Who is Creator and also Re-creator of all things.

That is why it is a covenant of grace, of pure grace. This covenant has its origin in the Divine virtue of grace. Its contents are gifts of grace; glorification of grace is its destiny. It is God Who established this well-ordered and eternal covenant. It is God Who accepts the (by sin from Him estranged) man; Who grants him all the blessings of the covenant; Who makes him walk in the way of the covenant and leads him by this covenant to heaven and salvation.

The surety of this covenant is reason why in Scripture it is repeatedly introduced as a testament. It is not a mutual treaty or pact; it is not like an agreement between two persons, who after much deliberation sign the contract. But the covenant of grace is an institution, a merciful decree of the Lord, a gift in Christ. "And I appoint unto you a kingdom, as my Father hath appointed unto me" (Luke 22: 29).

As testament, as last and free arrangement, in the form of an inheritance, the Divine blessings of this covenant become ours, outside and without our will. It is the most precious gift, the most perfect gift, which descends on us 'from the Father of lights, with Whom is no variableness nor shadow of turning."

Let us have a look and see, what kind of goods they are, which make out the contents of this free and eternal covenant. Together they form a kingdom of spiritual and material, of heavenly and earthly, of eternal and temporal blessings. There is opened here for man a fullness of blessing, a fountain of salvation and a well-spring of life. One grace changes into another and in turn it is replaced by new grace. From Christ's fullness we receive grace for grace.

In the first place they are benefits, which are granted to man in this covenant. For before anything else Christ came to earth, to seek and save that which was lost. He did not come to reform society, as political leader of the nations, as artist or one worldly wise. Saviour was His name and office. He was thereunto anointed with the Spirit, by the Father, to preach the gospel to the poor; he was sent to heal the broken-hearted, to preach deliverance to the captives, and recovering of sight to the blind, and set at liberty them that are bruised, to preach the acceptable year of the Lord.

They are first of all spiritual blessings, whereby the congregation is blessed by the Father of our Lord Jesus Christ. Forgiveness and regeneration, faith and repentance, sanctification and perseverance, become the possession of believers in communion with Christ. Both -their conscience and being, their state and standing are renewed by the Spirit of Christ. Through the Spirit Who Jives in them they became other people; they are not from beneath, but from above; they are born of God, by Him adopted to children, and destined for the heavenly inheritance. The old is past, behold, all things have become new,

But these spiritual and eternal blessings are coupled with earthly and temporal blessings. Heaven and earth, spirit and matter, soul and body are closely aligned, and absolute separation would not be possible. The glorious image of the future which is shown by the Old Testament prophets, does not only tell us that Israel will be a holy people, by the Lord from eternity betrothed, that He will cleanse from all impurity and give them a new heart, but also, that under the Prince of Peace, the house of David shall enjoy unknown prosperity and extra-ordinary fruitfulness of the earth.

That is also how the New Testament joins spiritual and material blessings. It does emphasise the former. We must seek first the kingdom and its righteousness; and that kingdom becomes already part of those who believe the gospel of Christ, and turn to Christ with a true heart. For in the first place it is established in the heart, it is not meat and drink, but righteousness and peace and joy in the Holy Ghost.

Whoever looked for and found that kingdom as a pearl of great price, will receive all the other things on top of the former. These people do not need like the heathen, be anxious and ask the question, what shall we eat, or what shall we drink, or wherewith shall we be clothed? For our heavenly Father knows that we have need of these things. He, Who did not spare His own Son, shall with Him give us all things. The hairs of our head are all numbered. Bread shall be given him, his waters shall be sure.

Those who would follow Jesus must leave everything, but they will receive already in this life, fathers and mothers, brothers and sisters, friends and fields, and in the age to come everlasting life. Godliness is profitable unto all things, having promise of the life that now is, and of that which is to come.

All these benefits of the covenant are put together in the one great promise, that God will be our God and the God of our seed.

With this promise commences the proclamation of salvation, when God looks for man after the fall, breaks his friendship with Satan, making him his enemy instead, and takes him up again in communion with Himself. It is the most prominent aspect of the covenant that was established with Abraham. It has a place above the law that was given to Israel, and is sum and substance of the dispensation of the covenant of grace in the days of the Old Testament. In the midst of misery God's people find blessedness and comfort; Whom do they have in heaven besides God? and there is nothing on earth they desire beside Him. He is the strength of their heart and their portion forever. When Israel forsakes the Lord their God, is this their comfort, that in spite of this the Lord will remain their God, gathers them again from exile and on the end of days establishes a new covenant, in which they will be His people and He will be their God.

And this promise passes over into the New Testament. It is fulfilled in Christ Who in the greatest temptation, in the agony of Gethsemane, in the suffering on the cross, remained standing, because God was His God and He His much beloved Son. It is fulfilled in the congregation that came in Israel’s place and glorying in Emmanuel, God with us, became His people. It shall be fully realised, when the new Jerusalem shall descend from God in heaven, when His tabernacle will be with man, and He shall dwell among His people.

Is there greater gift than the Lord Himself? What can He give more than Himself, Himself with all His virtues and attributes, with His grace and wisdom, with His righteousness and omnipotence, with His un-changeableness and faithfulness? For when God is for us, who can be against us? Whatever may happen, He is and remains ours, in misery and death, in living and dying, for time and eternity. For He is not a God of the dead, but of the living. Blessed is the people whose God is the Lord!

This promise is so much richer, while God therein commits Himself, to be not only our God, but also the God of our seed. It would be great already if God granted communion with some people, who were not related; when in a arbitrary way He would, not taking in account generations, take His elect regardless of all historic coherence of flesh and blood.

But that is not how the lord works. He establishes an organic covenant with humanity, with Christ as its Head, first with Adam then with Abraham who is the father of all believers. With His grace He follows the line of generations. in re-creation he joins creation. He executes election in the way of the covenant, He moves as Father of all mercies in the way, to which as Father of all things, He Himself set His signature.

That is why the covenant of grace is eternal in the sense, that in history it continues from generation to generation and is never cut off. Grace is like a stream which commences after the fall, digs a bed for itself in the history of humanity and discharges in eternity. As covenant it may run through several dispensations and appear in different forms, through God's almighty power it has become an element in this world, which cannot be eradicated, and an indestructible good for humanity.

Precisely because it is a covenant it bears this indestructible character. For in all covenants there are contained two parts. First the Lord God gives Himself to us; but then we are admonished of God and obliged to new obedience, namely, that we cleave to this one God, Father, Son and Holy Spirit; that we trust in Him, and love Him with all our heart, with all our soul, with all our mind, and with all our strength, that we forsake the world, crucify our old nature, and walk in a godly life" (Form for Baptism), When God gives Himself to us, He will that we too shall give ourselves to Him, wholly, undivided, unconditionally with our soul and body, our talents and strength, our money and possessions, with our children and children's children. Before everything with our children, who are the Lord's inheritance and His most cherished earthly blessing. They must be God's, because we are of Him.

Yet, in the covenant He is first and demands us and our children for His service; He glorifies to us and to our children the riches of His grace. He is first, when He calls Adam and Noah, Abraham and Israel into His fellowship, but He remains this also, when He takes their children with them in His covenant. I will be your God, and the God of your seed after you - is the promise, wherewith He commits Himself to the elect in their generations. And before our children did good or evil, He it was, Who as the Sovereign, said, "I will have mercy on whom I will have mercy, and I will have compassion on whom I will have compassion" (Rom. (9: 15).

Our children do not enter the covenant, because we dedicate them to the Lord. Much less, because by any virtue or merit they made themselves worthy. They are in the covenant by virtue of God's promise. They are in the covenant from the time of their birth, not by nature, but by grace, while God has committed Himself to be the God of believers and their seed.

The same law that rules in the spiritual realm, rules in the natural realm. All of us received a natural life that through our parents we received from God, the Almighty Creator of heaven and earth. It is not by our merits that we possess life. We did not give it to ourselves, did not merit it, we even forfeited it by our guilt. It is God's gift in a complete sense, not of His particular grace, but of His common grace. We receive it by conception and birth, whereby we are altogether passive. Outside of our awareness and will we are placed in a world, that is filled with rich goods, and we enter into the mighty inheritance of former generations. We stand on their shoulders and enjoy what they brought together in the sweat of their brow.

In much greater measure this is true of the spiritual goods of the covenant. For it is not so that for a long time we wander about outside of the covenant, until at a later date, by faith and repentance we enter the covenant by our own will. For faith and repentance are no conditions outside and to the covenant of grace, but they are blessings of the covenant, assuming communion with Christ and opening the door to the joy of His blessings.

All these blessings, of forgiveness and renewal, sanctification and glory, come to us only from the Mediator, Who bought them for the price of His blood. They cannot be ours, unless we have an interest in His Person. The mystical union with Christ precedes all blessings, and first reveals itself in faith and repentance. As natural life is granted us in birth and after that turns to acts of understanding, so spiritual life becomes our possession by regeneration, and after that will bear the fruits of faith and repentance.

Again, it is not possible to have communion with Christ, but by the Father Who gave us Christ. The offer and gift of Christ precedes all His benefits. It is God, Who in Christ, gives Himself to us and in communion with Him, successively imparts to us all the blessings of the covenant and complete salvation.

Baptism is the sign and seal of this unspeakable gift of God's grace. For it is certain that someone who is baptized in truth, with Christ's blood and Spirit, of the uncleanness of the soul, that is cleansed from all sin, as the body is outwardly cleansed by water.

Baptism is a baptism in the name of God Triune.

'When we are baptized in the name of the Father, God the Father witnesses and seals unto us that He makes an eternal covenant of grace with us and adopts us for His children and heirs, and therefore will provide us with every good thing and avert all evil or turn it to our profit. And when we are baptised into the name of the Son, the Son seals unto us that He washes us in His blood from all our sins, incorporating us into the fellowship of His death and resurrection, so that we are freed from our sins and accounted righteous before God. "Likewise, when we are baptized into the name of the Holy Spirit, the Holy Spirit assures us by this holy sacrament that He will dwell in us, and sanctify us to be members of Christ, imparting to us that which we have in Christ, namely, the washing away of our sins and the daily renewing of our lives, till we shall finally be presented without spot among the assembly of the elect in life eternal." (Form for Baptism).

Baptism is our witness, that God will be our God forever, being a merciful Father, For He has commanded to baptize all those, who are His, in the name of the Father, the Son and the Holy Ghost.

In baptism the Lord gives us visible evidence, that in Christ He gives Himself and adopts us to His children.

That adoption is the basis of our confession.

x
This website is using cookies. Accept