De offerande des Lofs (1e druk) The Sacrifice of Praise

2. De opvoeding tot de belijdenis

2. Instructed in the Confession

20

De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.

Matth. 4 : 4.


Door het verbond voedt God al zijne kinderen tot vrijheid en zelfstandigheid op.

Terwijl de verkiezing alleen inhoudt, wie onfeilbaar de eeuwige zaligheid zullen beerven, beschrijft het verbond den weg, waarlangs de uitverkorenen tot deze hunne bestemming worden heengeleid. Verkiezing en verbond zijn daarom niet onderscheiden als een engere en een ruimere kring, want zij omvatten beide dezelfde personen; maar terwijl de verkiezing dezen op zichzelven neemt, beschouwt het verbond hen altijd in samenhang met heel het menschelijk geslacht.

Ofschoon het verbond dus op wonderschoone wijze de souvereiniteit Gods in het werk der zaligheid handhaaft en er niets van den mensch laat inkomen, doet het toch tegelijkertijd aan 's menschen redelijke en zedelijke natuur, aan zijne schepping naar Gods beeld volle recht wedervaren. Als God zijn recht erlangt, ontvangt ook de mensch 21 de plaats en de eere, die hem naar den wille Gods toekomt. Hij verkiest de zijnen in Christus, opdat zij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in de liefde.

Christus toch treedt in het genadeverbond wel als Hoofd der gemeente op, maar Hij wischt zijne geloovigen niet uit en verdringt hen niet van hunne plaats. Hij staat van het begin tot het einde voor hen in, maar zoo, dat zij ook zelven, door zijn Geest geleerd en bekwaamd, bewust en vrijwillig, in het verbond gaan leven en wandelen. Het verbond der genade is wel met Christus gesloten, maar het breidt door en over Hem henen tot al de zijnen zich uit en neemt hen geheel en al, met lijf en ziele, met verstand en wil en alle krachten in zich op.

Omdat God in hen werkt beide het willen en het werken naar zijn welbehagen, spoort Hij hen aan en dringt Hij er hen toe, om huns zelfs zaligheid uit te werken met vreeze en beven. Door de genade Gods zijn zij, wat ze zijn; zij vermogen alle dingen door Christus, die hun kracht geeft. Omdat Christus in hen leeft, leven zij zelven door het geloof des Zoons Gods.

Daarom komt juist, ofschoon de kinderen der geloovigen reeds vóór hun bewustzijn en wil in het verbond der genade zijn opgenomen, met allen nadruk de roeping tot de ouders, dat zij hen in de voorzeide leer zullen onderwijzen of doen en 22 helpen onderwijzen en hen zullen opvoeden in de vreeze en vermaning des Heeren. Wijl in alle verbonden twee deelen zijn begrepen, vermaant en verplicht ook het verbond der genade ons tot een nieuwe gehoorzaamheid. Als God tot ons zegt: Ik ben uw God, voegt Hij daaraan ook toe: wandel gij voor mijn aangezicht en wees oprecht! Zichzelven gevende aan ons, wil Hij, dat wij ook onszelven met al het onze zullen geven aan Hem.

Kinderen kunnen echter niet aanstonds zelf belijden en in die belijdenis wandelen. De ouders zijn voor hen aansprakelijk. Zij zijn het, die als getuigen bij den doop hunner kinderen optreden en als borgen voor hunne Christelijke opvoeding instaan. Op den grondslag der aanneming van Gods zijde, hebben zij hunne kinderen te brengen tot de welbewuste en vrijwillige belijdenis des geloofs.

Ook hier is het natuurlijke een beeld van het geestelijke. Het natuurlijke leven, dat door ontvangenis en geboorte uit onze ouders ons deel wordt, is in volstrekten zin eene gave, onverdiend en zelfs van te voren verbeurd. Maar het leven heeft van het eerste oogenblik van zijn bestaan af allerlei verzorging en bescherming van noode. Het moet gekoesterd en gekweekt, beschermd en beschut, gespijsd en gelaafd worden. Zonder voeding in den ruimstenzin van het woord zou het verkwijnen en omkomen.

De eerste en hoogste oorzaak van deze 23 onderhouding is God. Hij is niet alleen de Schepper, maar ook de Onderhouder aller dingen. Indien Hij het leven, door Hem in het aanzijn geroepen, niet door zijne almachtige en alomtegenwoordige kracht van oogenblik tot oogenblik staande hield, zou het aanstonds in het niet terugzinken. Deze onderhouding zou God, indien Hem dit behaagde, kunnen doen plaats hebben, zonder van eenig middel gebruik te maken, gelijk Hij Mozes veertig dagen onderhield op den berg en Jezus in de woestijn. Hij zou ze ook op ongewone wijze tot stand kunnen doen komen, gelijk Hij Elia aan de beek Krith liet verzorgen door de raven en Israel veertig jaren lang met manna uit den hemel voedde.

Maar in den regel gaat God bij deze onderhouding middellijk te werk. Hij gebruikt spijze en drank, om ons te voeden, en Hij bedient zich van de ouders als de natuurlijke verzorgers, om in de vele behoeften van het kind te voorzien. De ouders moeten schatten vergaderen voor de kinderen. En van die schatten leven de kinderen. Zij hebben er niets van verdiend, zij hebben er niet de minste aanspraak op, zij zijn louter afhankelijkheid en leven van genade.

Toch is ook dan het brood het eigenlijk niet, dat ons voedt, maar het woord, dat door Gods mond uitgaat. Bij brood alleen, zonder meer, leeft de mensch niet, maar bij het woord, het bevel, de kracht, den zegen, die door God erin gelegd en 24 ons meêgedeeld wordt. Datgene voedt, hetwelk God belieft van kracht te voorzien.

Wat de voeding nu is op natuurlijk gebied, dat is de opvoeding op geestelijk terrein. Het zou God niet te wonderlijk zijn, om ook den mensch naar zijn gansche zieleleven te onderhouden buiten alle middelen om. Maar het behaagt Hem, om menschen te laten opvoeden door menschen en inzonderheid met het woord te laten arbeiden aan de vorming en ontwikkeling van den geest. Verstand en hart, geweten en wil, gemoed en verbeelding worden op die wijze van der jeugd aan bij den mensch door inwerking van anderen gevormd. En ook bij de voeding van het geestelijk leven, dat door de wedergeboorte tot stand komt, volgt God geen anderen weg.

Ouders zijn het in de eerste plaats, die in de hand Gods als instrumenten dienst doen, om het geestelijk leven in hunne kinderen tot wasdom te brengen. En het middel, dat zij daarbij hebben aan te wenden, is niet anders dan het woord Gods, dat in de Schrift is neergelegd. Wel zijn het volstrekt niet die ouders zelven, en is het ook zelfs niet dat woord op zichzelf, welke het leven geven of onderhouden. Want ook hier geldt, dat bij brood alleen, bij het woord zonder meer, de mensch niet leven kan, maar bij alle kracht en zegen, welke door Gods mond uitgaan. Het is niet Paulus, die plant, en Apollos, die natmaakt, maar God alleen, die den wasdom geeft. 25

Maar toch doet het woord der Schrift in de hand van ouders en onderwijzers onder den zegen des Heeren dienst, om het geestelijk leven te voeden. Wat de spijze is voor het zinnelijke, dat is het woord Gods voor het geestelijk leven. Hoe zoet zijn Uwe reden, o Heere, mijn gehemelte geweest, zij zijn zoeter dan honig en honigzeem!

Dat woord komt tot ons van het eerste oogenblik van ons aanzijn af. Het bereikt ons niet dan eerst, wanneer het als Bijbel voor ons opengeslagen ligt en door ons gelezen en onderzocht wordt; noch ook komen wij er het eerst mede in aanraking, als het door den dienaar in de openbare vergadering der geloovigen verkondigd en door ons aangehoord wordt.

Maar dat woord komt tot ons van onze prilste jeugd af. Het komt tot ons, in de bestraffing des vaders, in de vermaning der moeder, in het onderricht van den meester, in den omgang der makkers, in de getuigenis der conscientie, in de ervaring des levens. Het begeleidt ons op al onze schreden, het vergezelt ons van de wieg tot het graf, het laat ons nimmer alleen. Het wordt als zegenbede uitgesproken over ons hoofd, in lied ons toegezongen, in toespraak ons op het harte gebonden, in gebod of verbod ons voor oogen gehouden. Altijd worden wij door dat woord geleid en bestuurd, vermaand en vertroost, bemoedigd en beschaamd, van zonde overtuigd en naar Christus gewezen. Het is een 26 dampkring, waarin wij ademen van onze geboorte aan, het is de spijze, de drank, de lucht, de zonnestraal, de regen voor ons geestelijk leven, en dat alles tegelijk en ineen.

En altijd is dat woord eene kracht. Zonder te kunnen of te willen bepalen, wanneer het reeds op het bewustzijn en hart des menschen zijne werking gaat oefenen, blijft het in zichzelf altijd eene kracht Gods tot zaligheid. Nooit is het eene ijdele klank, eene doode letter, eene zinledige phrase. Het is altijd levend en krachtig, scherpsnijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, doorgaande tot de verdeeling der ziel en des geestes en der samenvoegselen en des mergs; een oordeelaar der gedachten en der overleggingen des harten; een hamer die het harde hart van den zondaar verbreekt; een zwaard des geestes, dat den hoogmoedigen en eigengerechtigen mensch doodelijk treft; een getuigenis Gods, dat de conscientie wakker schudt; een zaad der wedergeboorte, een kracht tot heiligmaking, nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is, opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust; in één woord, een genademiddel, gaande vóór en hoog staande boven het sacrament.

Zelfs daar, waar het geen zegen verspreidt, oefent het toch zijne werking uit. De duivelen gelooven en zij sidderen. Het is voor de ongeloovigen 27 eene reuk des doods ten doode. Het is een rots der ergernis, waaraan de goddeloozen zich stooten. Als het niet verteedert, verhardt het. Als het niet verwarmt, verschroeit het. Nooit blijft de mensch, die er mede in aanraking komt, dezelfde; hij wordt er beter of slechter van, maar kan zich nooit dekken achter het schild der neutraliteit. Gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt en derwaarts niet wederkeert maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite en zaad geve den zaaier en brood den eter, alzoo zal mijn woord, dat uit mijnen mond uitgaat ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeeren, maar het zal doen hetgene dat Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgene, waartoe Ik het zende.

De oorzaak van deze kracht ligt daarin, dat het Gods woord is. De H. Schrift is niet slechts eenmaal van God ingegeven maar wordt voortdurend als zoodanig onderhouden door zijne almachtige en alomtegenwoordige kracht. Het evangelie, dat uit die Schrift in allerlei vorm en langs allerlei weg tot den mensch komt, wordt ten allen tijde door God gedragen en bezield. Het is en blijft altijd zijn woord. Het wordt steeds verzeld van den Heiligen Geest, die in de gemeente woont en vandaar uit de wereld ingaat en haar overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Het is een woord, dat voortdurend van Gods mond uitgaat, in Christus 28 tot ons komt, en door den Geest van Christus in ons hart of geweten betuigd wordt.

Daarom kan dat woord zijn en is het ook inderdaad de spijze en drank van het geestelijk leven. Middel is het, niet bron der genade. God is en blijft de gever en uitdeeler van alle genade; geen mensch, geen priester, geen woord, geen sacrament is door Hem met den schat der genade toegerust of met hare uitdeeling belast. Dienaars kunnen het teeken geven, maar God alleen schenkt de beteekende zaak. Slechts heeft Hij — en ook dit is genade — in zijne vrijmacht en goedheid er zich onder eede toe verbonden, om met het woord, dat naar de meening des Geestes bediend wordt, aan een iegelijk, die het geloovig aanneemt, Christus mede te deelen, die de spijze en de drank onzer zielen is, het brood, dat uit den hemel is nedergedaald, het water des levens, van hetwelk iemand drinkende, nimmermeer dorsten zal.

Maar daartoe moet dat woord dan ook kinderlijk geloofd, en in ootmoed aangenomen worden. Gelijk het brood, hoe krachtig en voedzaam ook, toch dan alleen ons natuurlijk leven onderhoudt, wanneer het door onzen mond gegeten en in ons lichaam opgenomen wordt, zoo strekt ook het woord Gods tot voedsel onzer zielen slechts dan, wanneer het door het geloof wordt aangenomen en in ons hart wordt ingeplant.

Daarom heeft God beide voor elkander bestemd 29 en op elkander berekend. Hij, die de spijze schiep, schiep ook den mond, om ze te eten. Hij, die het woord gaf, bracht door wedergeboorte dat nieuwe leven tot stand, dat alleen door die spijze des woords gevoed en gesterkt worden kan.

Beide zijn verwant en staan van huis uit in verband met elkaâr. Het woord werkt en versterkt het geestelijk leven. En het geestelijk leven trekt krachtens zijn aard, van nature naar deze spijze heen, gelijk het kind naar de moedermelk, gelijk de hongerige naar het brood en de dorstige naar het water.

Zij zijn beide immers ook afkomstig van éénen Geest. Op natuurlijk gebied is er alleen kennis mogelijk, wijl de rede in ons en de gedachten in de schepping, saam en in wederkeerig verband, gemaakt zijn door dat Woord, dat in den beginne bij God en zelf God, was en door hetwelk alle dingen zijn gemaakt. Een zelfde licht is het, dat het oog en dat de voorwerpen verlicht. Een zelfde licht der kennis straalt in de menschelijke rede en in de werken van Gods handen. En dan alleen ziet en kent de mensch, wanneer beide lichtstralen, uit de ééne bron des lichts afkomstig, elkander ontmoeten. Bij U, Heer, is de bron des levens; in Uw licht zien wij het licht!

Zoo behooren ook de geestelijke mensch en het woord des Geestes bijeen. Dezelfde Geest is het, de Geest n.l. van Christus, die het woord tot stand 30 bracht en in stand houdt, en die den geestelijken mensch in ons geboren deed worden. In de Schrift heeft Hij Christus ons als voor de oogen geschilderd; in ons hart doet Hij Hem wonen door het geloof. In de Schrift teekende Hij ons het beeld van Christus; en naar dat beeld herschept Hij de geloovigen hoe langer zoo meer. Want wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren in den spiegel van zijn woord aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.

Daarom is het een onbedriegelijk kenmerk van geestelijk leven, als ons hart naar dat woord uitgaat. Gansch natuurlijk en als vanzelve verlangt de hongerige naar brood en de dorstige naar water en de kranke naar medicijn. En even natuurlijk strekt de geestelijke mensch heilbegeerig zich uit naar het woord Gods en naar Christus, die in dat woord hem aangeboden wordt. Hij groeit er niet boven uit, gelijk de mysticus droomt; hij gebruikt het woord niet als eene ladder, om er een eind weegs mede naar boven te stijgen en dan voorts zelf de vleugelen uit te slaan en op eigen wieken te drijven. Wie zoo handelt, valt weldra gebroken ter aarde neer. Wie spijze weigert, komt om van gebrek. Wie het woord van Christus niet acht, heeft Hem zelven niet lief. Wie de medicijn verwerpt, heeft aan den medicijnineester geen behoefte. 31

Maar de geestelijke mensch voelt zich met heel zijne ziel, zoolang hij leeft, aan dat woord verbonden als het middel tot de gemeenschap met God, omdat God zelf er zich aan verbonden heeft. Naarmate hij opwast en sterker wordt, groeit hij te vaster in dat woord in. Hij klemt er zich aan vast, als de klimop aan den muur. Hij leunt er op, als op den stok en den staf in zijne pelgrimschap. Hij wordt er steeds meer aan gehecht en steeds inniger aan verkleefd. Hij heeft het altijd sterker lief, acht het van steeds hooger waarde, vindt er altijd rijker schat in voor zijn hart en zijn leven. Het wordt hem hoe langer hoe meer een woord Gods, een woord dat van Gods wege tot hem komt, een brief van zijn Vader, hein van uit den hemel toegezonden, tot een gids op den weg naar het Vaderhuis. Uw woord is een licht op mijn pad en eene lamp voor mijnen voet. Hoe lief heb ik Uwe wet; zij is mijne vermaking den ganschen dag.

Daarom behoort het kind des verbonds van zijne prille jeugd aan door de ouders met dat woord gevoed te worden. Men kan er, indien het met wijsheid geschiedt, niet te vroeg mede beginnen. Reeds de eerbiedige houding der huisgenooten bij het gebed en het lezen van Gods woord, kweekt in het kind een besef van het heilige, dat dikwerf bijblijft tot in de laatste levensjaren toe. De korte bede, die vóór en na den maaltijd, bij het ter ruste gaan en bij het ontwaken den kinderen ingeprent wordt, 32 laat menigmaal onuitwischbare indrukken achter en doet op later leeftijd nog denken aan de vrome jaren der jeugd. Men behoeft immers met het leeren van godsdienstige woorden bij de kinderen niet te wachten, totdat zij de zaken verstaan, alsof men daardoor kleine huichelaars zou kweeken; want door de woorden leert men even goed de zaken als door de zaken de woorden verstaan; het een helpt het ander. En er is in het algemeen eene treffende overeenkomst tusschen het gevoel van afhankelijkheid en ootmoed, dat aan het kind van nature eigen is, en de gestalte, die God in ons het liefste ziet en die Hem het meeste behaagt. Indien wij niet worden als, de kinderkens, zullen wij het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.

Maar dan moet dit brengen van het woord Gods tot de kinderen tegelijk onderwijs en opvoeding wezen, tegelijkertijd inwerken op verstand en hart, en samen op het kennen en handelen zich richten. Er dient gewaakt te worden, zoowel tegen de eenzijdigheid van het orthodoxisme als tegen die van het piëtisme. Godsdienst is niet alleen kennis maar ook leven; de mensch heeft niet alleen bewustzijn maar ook gevoel en wil. God eischt in zijne wet, dat wij niet met het verstand slechts maar ook met het hart en de ziel en alle krachten Hem lief hebben zullen.

Onderwijs moet er daarom plaats hebben; onderwijs in de leer der waarheid, zorgvuldig en 33 nauwgezet, opdat er zuivere voorstellingen, heldere begrippen, juiste oordeelen in het kind worden ingeprent en eene wezenlijke kennis in hun bewustzijn gevormd worde. Het kweeken van gemoedsaandoeningen en het wekken van gevoelsindrukken zonder ware en duidelijke voorstellingen is zelfs gevaarlijk; het doet der waarheid af breuk; opent voor dwaling en leugen de deur en leidt menigmaal tot grove uitspattingen.

Maar toch zijn heldere voorstellingen en zuivere denkbeelden niet genoeg. Ja, deze zijn schier nergens en vooral niet op godsdienstig gebied bij te brengen, zonder dat tegelijk op het gemoed en het hart invloed geoefend wordt. Want recht verstand, wezenlijke kennis gaat nooit buiten het hart om. Bij alle leeren is opmerkzaamheid, belangstelling, liefde van noode; onbekend maakt onbemind, men leert slechts kennen in waarheid, wat men lief heeft in het diepst zijner ziel.

Opvoeding volgt daarom niet op onderwijs. Het hart komt niet eerst korter of langer tijd na het verstand aan de beurt; er zijn niet eerst zuivere leerbegrippen in te prenten, in de hoop, dat zij later in waar geloof des harten aanvaard worden en op het leven en handelen hun invloed laten gelden. Maar van den beginne af moet opvoeding met onderwijs gepaard gaan. Het onderwijs moet zelf altijd een opvoedend karakter dragen. De waarheid Gods is van dien aard, dat zij niet recht 34 gekend kan worden zonder oprecht geloof des harten. Wie haar in zijn bewustzijn prent, zonder dat zijn hart erbij is, neemt slechts het beeld der zaken in zich op, maar blijft van die zaken zelve vreemd.

En daarom behoort de inwerking op bewustzijn en wil, de opleiding tot kennen en doen, het bijbrengen van heldere, zuivere voorstellingen en het wekken van diepe indrukken des gemoeds steeds samen te gaan. Wij mogen van de woorden de zaken en van de zaken de woorden niet scheiden. Want God heeft ze beide vereenigd. Hij verbindt zich, om aan een iegelijk, die het woord in waarheid gelooft, de zaak te schenken, die er door uitgedrukt wordt. Wie God kent in het aangezicht van Christus, heeft het eeuwige leven. Als wij dus spreken van God, Christus enz., dan mogen deze namen geen klanken voor ons zijn, maar moeten wij denken aan hen, die er door aangeduid worden. Dan is het evangelie rijk; dan is het geen afgetrokken stelsel, maar een wereld van onzienlijke, eeuwige goederen, die er ons in beteekend en verzegeld, aangeduid en geschonken worden.

Als op deze wijze in huis en school en catechisatie het onderwijs in en de opvoeding door de waarheid vereenigd samenwerken, dan mag verwacht worden, dat onder den zegen des Heeren het geestelijk leven tot wasdom en ontwikkeling zal komen, opbloeien zal in geloof en bekeering, en 35 straks in eene belijdenis met mond en hart naar buiten zich openbaren zal.

Altijd echter blijft het daarbij, dat de wasdom moet komen van boven. Zoo de Heere het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden zijne bouwlieden daaraan. Ouders en onderwijzers en leeraars zijn niets dan instrumenten in zijne hand. Hij is de eenige, ware Vader en Opvoeder zijner kinderen, die ze voedt en leidt, bewaart en beschut, versterkt en volmaakt. Van menschenhanden niet gediend als iets behoevende, geeft Hij zelf allen het leven, den adem en alle dingen. Hij beschikt over de macht des woords en over de werking des geestes.

Jezus is de wijnstok, en de geloovigen zijn de ranken, en de hemelsche Vader is de Landman.


Man shall not live by bread alone, but by every word thatproceedeth out of the mouth of God. Matt. 4: 4.

In the covenant the Lord teaches His children to be free and independent.

While election contains only those who will infallibly inherit eternal life, the covenant describes the way in which the elect are led to their destiny. Election and covenant are therefore not distinct in a smaller and larger circle, for both contain the same persons; but while election takes these by themselves, the covenant views them in coherence with the whole human race.

Although the covenant maintains God's Sovereignty in the work of salvation in a beautiful way, and nothing of man is allowed to enter, at the same time does it not violate man as he was created after God's image. When the Lord receives His honour, man too receives the place and honour, which is his according to God's will. He elects His own in Christ, that they should be holy and blameless before Him in love.

Indeed, in the covenant of grace Christ is the Head of the congregation, but He is there with His believers, and does not take them from their place. He is at all times the Surety for His people, but in such a way, that they themselves, taught by His Spirit and enabled, consciously and voluntarily, live and walk in the covenant. The covenant of grace is indeed established with Christ, but through Him extends to all His people and it takes them with body and soul, with mind and will and all their strength.

Since God works in them to will and to do after His good pleasure, He exhorts them to work out their own salvation with fear and trembling. By God's grace they are, what they are; they can do all things through Christ, Who strengthens them. Because Christ lives in them, they live by faith in the Son of God.

That is why, although the children of believers are already before they know or will anything, taken up in the covenant of grace, the call comes to the parents to bring up their children in the aforesaid doctrine, and cause them to be instructed therein. Whereas in all covenants there are contained two parts, the covenant of grace admonishes and obligates us to new obedience. When the Lord tells us, "i am your God, He adds: walk ye before My face and be upright! Giving Himself to us, He wants us to give ourselves and all we have to Him.

However, children cannot right away confess and walk in that confession. The parents are responsible for the children, They perform as witnesses by the baptism of their children, and pledge their Christian upbringing. On the basis of adoption from God's side, they must bring their children to a conscious and voluntary confession of faith.

Here too, the natural is a symbol of the spiritual. Natural life which by conception and birth is ours from the parents, is in complete sense a gift, unmerited and even forfeited before we were born. But life, from its early beginnings, is in need of care and protection. Without care it would languish and perish.

The first and highest cause of these provisions is God. He is not only Creator, but also Provider of all things. When life, by Him called into being, was not kept from moment to moment by His almighty and omnipresent power, it would descend into nothing. If it pleased God, He could keep all this, without making use of any means, like He kept Moses forty days on the mountain and Jesus in the wilderness. He would also be able to feed them, like He fed Elijah at the brook Crith by the ravens and fed Israel forty years with manna from heaven.

But as a rule the Lord works by means. He uses food and drink to feed us, and He avails himself of parents as the natural providers for their children. The parents must gather treasures for their children. The children live off these treasures. They don't merit any, they are purely dependent and live by grace.

Yet, it is not really the bread that feeds us, but the Word that proceeds from the mouth of God. Men does not live just by bread only, but by the Word, the commandment, the power, the blessing laid in there and communicated by the Lord. Only that satisfies, which the Lord is pleased to support with strength and virtue.

Feeding in the natural realm, is what instruction is in the spiritual realm. It would not be too wonderful for God to keep the life of man's soul without any means. But it pleases Him to instruct people by people, and especially by use of the word to form the mind. From the early years, mind and heart, conscience and will, emotion and imagination are in this manner formed by the work of others. And also by caring for the spiritual life, which is realized by regeneration, the Lord does not follow any other way.

In the first place, the parents serve as instruments in God's hand, to develop the spiritual life of their children. The means they must use thereby is the Word of God as laid down in Scripture. It is not only the parents, and not just the Word by itself, which give life or preserve it. For here too we must remember that man shall not live by bread alone, by the Word without more men cannot live, but by the blessing and power which proceeds from the mouth of God. It is not from Paul who plants, or Appollos who waters, but it is the lord alone Who gives the increase.

Yet, in the hand of parents and teachers, the Word of Scripture, under God's blessing, serves to sustain spiritual life. What food is for the natural body, that is the Word of God for spiritual life. "How sweet are thy words unto my taste! Yea, sweeter than honey to my mouth!" (Ps. 119:103).

That Word meets us from the first moments of our earliest years. It came to us not only when the Bible was opened, and was read and searched by us; neither did we for the first time meet the Word in the worship service, where it was heard by us.

But that Word came to us from our earliest days. It came to us Men Father reprimanded us, in Mother admonishing us, when the teacher instructed us, in associating with friends, in the witness of the conscience, in life's experiences. It accompanies us all the time, from the cradle to the grave, it never leaves us alone. We hear it in the blessing of the congregation, when we sing, when the Word is spoken, in command or prohibition always set before us. We are always led, ruled, admonished and comforted, encouraged and discouraged, convicted of sin and pointed to Christ by the Word. It is the atmosphere we breath, from the time of our birth, it is the food, the drink, the air, the sunshine, the rain for our spiritual life.

That Word is always a power. We do not know how or when, but when it exercises the heart of man, at all times it remains in itself a power of God unto salvation. It is never a vain sound, a dead letter, an empty phrase. It is always "quick and powerful, and sharper than any two-edged sword, piercing even to the dividing asunder of soul and spirit, and of the joints and marrow, and is a discerner of the thoughts and intents of the heart" (Hebr. 4: 12). It judges the thoughts and intents of the heart; it is a hammer that breaks the heart of the hardest sinner; a sword of the Spirit, which strikes dead the proud and self righteous man; A witness of God, that awakens the conscience; a seed of regeneration, a power unto sanctification, "profitable for doctrine, for reproof, for correction, for instruction in righteousness: that the man of God may be perfect, thoroughly furnished unto all good works" (2 Tim. 3: 16). In one word, a means of grace, going before, and is much more than the sacraments.

Even there where it does not spread a blessing, it exercises its influence. The devils believe and they tremble. For unbelievers it is a savour of death unto death. It is a rock of offense on which the ungodly hurt themselves. If it does not soften the heart it will harden it. Man who is touched by the Word will never remain the same. He will be better or worse, but can never hide behind the shield of neutrality. "For as the rain cometh down and the snow from heaven, and returneth not thither, but watereth the earth, and maketh it bring forth and bud, that it may give seed to the sower, and bread to the eater: So shall my word be that goeth forth out of my mouth: it shall not return unto me void, but it shall accomplish that which I please, and it shall prosper in the thing whereto I sent it" (Is. 55: 10,11).

The origin of this power lies in the fact that this is the Word of God. Holy Scripture is not just for one time inspired by the Lord, but is continually maintained as such by His almighty and omnipresent power. The gospel, which comes to man from Scripture in many forms and in many ways, is at all times by God upheld and inspired. At all times it remains His Word. It is always accompanied by the Holy Spirit, Who dwells in the congregation, and from there goes out into the world and convinces those in the world of sin, righteousness and judgment. It is a word that continually proceeds from the mouth of God, comes to us in Christ, and by the Spirit of Christ is attested to in our hearts or consciences.

That is indeed why the Word is food and drink for our spiritual life. It is a means, not the fountain of grace. God is and remains the giver and steward of all grace; no man, no priest, no word, no sacrament is by Him supplied with the treasure of grace, or charged with its dissemination. Ministers can give the sign and seal, but only God grants the signifying matter. Only He has - this is also grace vowed in sovereign grace, that when the Word is administered after the meaning of the Spirit, everyone who accepts it in faith, will be granted Christ, Who is food and drink for our souls, the bread that came from heaven, the water of life, of which he that drinks shall nevermore thirst.

But the Word must be received in childlike faith, and accepted in all humility. It is like bread that can only maintain our body, when we eat it with our mouth and is digested by the body. That is also how the Word of God only becomes food for our soul, when accepted by faith and implanted in the heart.

Both are destined and designed for each other. He Who created food, created also the mouth to eat it. He Who gave the Word, also gave new life through regeneration, a life that can only be fed and strengthened by the food of the Word.

They are related to each other. The Word works and strengthens spiritual life. By its nature, spiritual life in virtue of its character longs for this food, like the child for its mothers milk, like the hungry one for bread and the thirsty one for water.

For they both proceed from one Spirit. In the natural realm knowledge is only possible, while reason in us and the thoughts in creation, together and in mutual relation, are made by that Word, which was in the beginning with God, and was God, by which all things are made. It is the same light that illuminates the eye and that illuminates the object. The same light of knowledge shines in human reason, and also in the works of God's hands. Only then man does see and know, when both rays of light, descending from the one source of light, meet each other. "For with thee is the fountain of life: in thy light shall we see light"(Ps. 36: 9)

That is how the spiritual man and the Word of the Spirit belong together. It is the same Spirit, i.e., the Spirit of Christ Who brought about and maintains the Word, and saw to it that the spiritual man was born in us. In Scripture He places Christ before our eyes; and in our hearts He has Him living by faith. From Scripture He showed us the image of Christ; and after that image He recreates us more and more. "But we all, with open face beholding as in a glass the glory of the Lord, are changed into the same image from glory to glory, even as by the Spirit of the Lord" (2 Cor. 3: 18). It is therefore an unmistakable sign of spiritual life, when our heart goes out to the Word. It is natural that the hungry longs for bread and the thirsty for water and the sick for medicine. It is just as natural for the spiritual man to long with a desirous heart for the Word of God and to Christ, offered to him in the Word. He does not grow above the Word, like the mystic dreams of it; he does not use the word as a ladder, to ascend for a way and then takes to his wings to go in his own power. We cannot deal like that with the Word, for soon we would fall to the ground. Those who refuse bread, will die of hunger. If we do not esteem the Word of Christ, we do not love Him. We don't need the doctor if we refuse to take his medicine.

But the spiritual man, as long as he lives, feels himself connected to that Word as a means of fellowship with the Lord. According as he grows in faith and becomes stronger, he moves closer to that Word. He holds on to it like ivy that sticks to a wall. He leans on it like a stick and staff during his pilgrimage. He loves it more all the time, deems it of ever greater value, at all times finds it richer treasure for his heart and life. More and more it becomes to him a Word of God, a letter from his Father, sent to Him from heaven, to guide him to the Father's house above. Thy word is a light upon my path and a lamp unto my feet. Thy law is my delight, how do I love thy law.

That is why parents must feed the child of the covenant with that Word. If done with discernment, this cannot begin too early.

Already the reverence shown by family members during prayer and bible reading, cultivates in the child a realization of things that are holy, which often remains until the later years of life. The short prayer that is taught to the children for and after meals, before they go to sleep and after they rise, will many a time leave indelible memories, and in later years it reminds of a devout youth. We don't have to wait with teaching children religious words until they understand them, as if little hypocrites would be raised; for by words they learn to understand the matter, as by the matter they understand the words, the one helps the other.

In general there is in the child a striking similarity between the feeling of dependency and humility in its nature, and the attitude the Lord wants to see in us, and which pleases Him most. If we do not become like children, we shall in no wise enter into heaven.

But this bringing them to the Word must at the same time be teaching and upbringing, it must affect heart and mind, and together be directed to knowing and doing. We must watch against the onesidedness of orthodoxy and also that of pietism. Religion is not just knowledge but also living. Man has not only understanding, but also feeling and will. God requires in His law, that we must love Him not just with our understanding, but also with the heart, the soul and all our strength.

Therefore we must teach the children; teach them the truth, carefully and painstakingly, that they may have pure ideas, clear concepts, and a true knowledge will be formed in their minds. Cultivating emotions and impressions without clear and true concepts can be dangerous; it short-changes truth; opens the door for errors and lies, and often leads to a dissolute life.

Yet, clear concepts and pure impressions are not enough. These are very difficult to teach, especially in the religious realm, without influencing the mind and the heart. For true understanding and real knowledge cannot be known without the heart.

With all learning, attention, interest and love are needed. We only know truly what we love in the depth of our soul.

That is why upbringing does not succeed education. The heart does not get its turn shorter or longer time after the mind; we do not first teach pure concepts in the hope that later they will be accepted in true faith and have their influence on life. From the first beginning education must be coupled with upbringing. Education must at all times have an upbringing character. God's truth is of a nature, that it cannot be rightly known without upright faith in the heart. To memorize these things without the heart, is like having just an image of the matter, but is to remain foreign to the matter itself.

Therefore, influencing the conscience and will, the training to know and to do, imparting clear, pure images and arousing deep impressions of the mind must always go together. We may not separate the matter from the words, or the words from the matter. For God united these two. He has bound Himself to give to everyone who believes the Word in truth, the matter expressed in the Word. To know God in the face of Jesus Christ, is to have eternal life. When we speak of God, Christ etc., these names may not just be sounds, but we must think of those who are indicated by them. Then there is a rich gospel, not something unimportant, but a world of invisible, eternal goods, which are signed, sealed and given to us.

When home, school and catechism classes, education and upbringing work together, we may expect, that with the Lord's blessing, spiritual life will increase, lead to faith and repentance, and reveal itself to the outside world into a confession of mouth and heart.

But we may never forget that the increase must come from the Lord. "Except the Lord build the house, they labour in vein that build it' (Psalm 127: 1). Parents, teachers and pastors are nothing but instruments in His hand. He is the only true Father and Pedagogue of His children. He feeds, leads, preserves, protects and strengthens them to perfection. Not served by the hand of men as being in need, He gives life and breath to all. He disposes of the power over the Word and the working of the Spirit.

Jesus is the Vine, believers are the branches, and the Heavenly Father is the Husbandman.

x
This website is using cookies. Accept