De offerande des Lofs (1e druk) The Sacrifice of Praise

3. Het wezen der belijdenis

3. The Essence of the Confession

36

Indien gij met uwen mond zult belijden den Heere Jezus en met uw hart gelooven, dat hem God uit de dooden opgewekt heeft, zoo zult gij zalig worden. Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid.

Rom. 10 : 9, 10.


Alwat leeft en groeit, heeft tijd van noode. Eene machine is spoedig, in enkele oogenblikken in elkaar te zetten. Maar het leven en de wasdom laten zich niet dwingen. Kunstmatige bevordering van groei kweekt broeikasplanten, die aan storm en onweder geen weerstand kunnen bieden.

Ook het geestelijk leven is aan deze ontwikkelingswet der organische wezens onderworpen. De H. Schrift kent allerlei verschil onder de kinderen Gods. Zij spreekt van lammeren en zogenden onder de schapen van Jezus' kudde; zij maakt gewag van kinderkens, van jongelingen, van vaders in het geloof; zij maakt onderscheid tusschen onmondigen en volwassenen, en in verband daarmede tusschen de melk en de vaste spijze der waarheid, die den geloovigen moet worden toegediend. Herhaaldelijk 37 vermaant zij hen zelfs, om op te wassen in de kennis en genade van den Heere Jezus Christus, om den nieuwen mensch aan te doen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid, om versterkt te worden naar den inwendigen mensch en vernieuwd te worden in den geest des gemoeds.

Gelijk het natuurlijk, alzoo moet ook het geestelijk leven tot ontwikkeling komen. Het mag niet voor de menschen verborgen blijven, noch als een schat in den akker begraven worden. Het kàn ook niet tot werkeloosheid worden gedoemd. Leven is aan allen stilstand vreemd. Leven is beweging, leven is kracht, leven is daad. Al wat leeft, beweegt en ontwikkelt zich. Het kan in zijn groei worden belemmerd en tegengewerkt, maar zoolang als het leven er is, is er de werking onafscheidelijk van. In nog veel sterker mate geldt dit van het geestelijk leven, dat door den H. Geest in de wedergeboorte wordt ingeplant en een eeuwig, onvernietigbaar karakter draagt. Waar het is, openbaart het zich, treedt, het naar buiten in woord en in daad, gaat het over in werkzaamheden van geloof en bekeering. En als het geloof er is, is de belijdenis daarmede vanzelf gegeven.

Belijdenis is een heerlijk woord voor eene nog heerlijker zaak. Maar het heeft veelszins zijne schoonheid en kracht voor ons bewustzijn verloren. Als wij hetzelven bezigen of hooren bezigen door 38 anderen, denken wij er gewoonlijk aanstonds bij aan de belijdenisschriften van eene of andere Christelijke kerk, of ook aan de openbare belijdenis, welke door de jeugdige lidmaten der gemeente eenmaal in hun leven vóór de toelating tot het H. Avondmaal afgelegd wordt.

Maar deze beteekenissen van het woord belijdenis zijn afgeleid. De oorspronkelijke zin in de Schrift is veel rijker en dieper. Zij is dan niets anders en niets minder dan iemands openlijk getuigen en spreken van zijn persoonlijk geloof in Jezus als den Christus.

Er ligt dan tweeërlei in opgesloten. Ten eerste een waar, oprecht geloof, eene diepe, vaste overtuiging des harten. Er is geen belijdenis in echten zin mogelijk, als het geloof niet in het hart aanwezig is. Belijdenis is eene zaak van het hart. Zij wortelt in het hart. Zij komt op uit het hart. Zij is eene vrucht van het geloof des harten. Zonder dat geloof wordt het belijden een waardeloos lippenwerk, een uitwendig naspreken met den mond, een onpersoonlijk, onwaar, huichelachtig bedrijf, dat den schoonen naam van belijden niet waard is en door Jezus in het farizeïsme zijner dagen met heiligen toorn bestreden en veroordeeld is. Aan witgepleisterde graven zijn zulke geveinsden gelijk.

Maar er ligt ten tweede in opgesloten, dat het geloof des harten zich zijns zelfs niet schaamt en in openlijk getuigen zich uitspreekt. Wie niet gelooft, 39 kan niet belijden. Maar wie gelooft, in waarheid en oprechtheid, die moet ook belijden; die kan niet zwijgen; hij moet spreken ten aanhooren van vriend en vijand, voor het aangezicht van God, van engelen en van menschen. Welke smaad er aan verbonden moge zijn, wat haat en vervolging het ook opwekke, wie gelooft, die spreekt, luide, krachtig, vrijmoedig. Wij gelooven, daarom spreken wij ook.

Jeremia maakte zich door zijn profeteeren tot een spot te midden van zijn volk, maar hij kon toch niet zwijgen. De Heere had hem overreed, Hij was hem te sterk geweest en had hem overmocht. Of hij al zeide: ik zal Zijner niet gedenken en niet meer in Zijnen naam spreken; het woord, dat de Heere in zijn hart legde, werd als een brandend vuur, besloten in zijne beenderen. Als de leeuw brult, wie zou dan ook niet vreezen? Als de Heere spreekt, wie zou dan niet profeteeren?

Met het hart gelooven en met den mond belijden, gaat dus saam en behoort onafscheidelijk bijeen. Wie gelooft en niet belijdt, handelt evenzeer met 's Heeren wil in strijd, als wie belijdt en niet gelooft. Beide zijn noodig, zeide zeker kerkvader, een waar, vast geloof en eene vrije belijdenis, opdat het hart versierd worde met de zekerheid des geloofs en de tong onbevreesd de waarheid belijde. En een ander getuigde: het hart heeft den mond van noode, want welke vrucht werpt het 40 af, met het hart te gelooven, zonder openlijk voor de menschen te belijden? Het geloof des harten moge rechtvaardigen, de volkomene zaligheid ligt toch in de belijdenis. Dan toch eerst schittert het geloof, als het in belijden zich uitspreekt, en worden velen er door gebaat. Omgekeerd heeft de mond het hart van noode, want velen zijn er, die Christus belijden, maar hun hart is verre van Hem.

Zoo spreekt ook de Apostel Paulus, als hij zegt, dat het geloof des harten wel de gerechtigheid schenkt, maar dat de belijdenis van den mond toch daarbij komen moet, om de zaligheid te verkrijgen. Wel is waar zijn beide niet gescheiden te denken, evenmin als de belijdenis van den Heere Jezus losgemaakt kan worden van het geloof aan zijne opstanding. Het geloof zonder belijdenis toch schenkt de gerechtigheid niet, en de belijdenis zonder geloof schenkt de zaligheid niet. Geloof en belijdenis zijn even onlosmakelijk verbonden, als het Heer-zijn van Jezus en zijne opwekking uit de dooden, als gerechtigheid en zaligheid. Maar toch is het waar — en dat wil Paulus te kennen geven — dat, ofschoon het geloof des harten rechtvaardigt, toch dit geloof eerst als waarachtig, rechtvaardigend geloof openbaar wordt en zich als zoodanig bewijst, wanneer het in belijdenis zich uitspreekt. Het geloof, niet de, belijdenis rechtvaardigt. Maar dat dit geloof het ware geloof is, hetwelk tot de zaligheid leidt, komt in het belijden eerst uit. Het echte, rechtvaardigend 41 geloof leidt alleen in den weg der belijdenis tot de zaligheid heen. Zonder heiligmaking zal niemand God zien. Zonder belijdenis als vrucht des geloofs gaat niemand ten hemel in. De belijdenis is niet de verdienende oorzaak van, maar wel de koninklijke weg tot de zaligheid.

Geloof en belijdenis werken daarom ook op elkander in en zijn over en weer elkander tot steunsel en stut. Het geloof dat niet belijdt, wordt schuw, angstvallig, trekt zich terug, slaat aan het kwijnen, of wordt zelfs in zijne onechtheid en onbetrouwbaarheid openbaar. En de belijdenis zonder geloof is eene bloem zonder stengel, zij verdort en valt af. Omgekeerd, door het belijden wint het geloof aan kracht, wordt het bevestigd, en slaat het zijne wortelen steeds dieper in den bodem van het hart. En door het geloof krijgt het belijden zijn gloed en bezieling; wint het aan moed en vrijmoedigheid; worde het als door een verborgen vuur voordurend onderhouden en gevoed.

Daaruit volgt, dat het zoogenaamde openbare belijdenis doen geene losse, op zich zelf staande daad is, die eenmaal plaats heeft en daarmede afgeloopen is. Zulk eene opvatting komt nog wel menigmaal voor. Enkele weken te voren bereidt men zich voor de plechtige ure voor. Men onthoudt zich van openbare vermakelijkheden. Men gaat geregelder ter kerk en ter catechisatie. Op den dag der belijdenis steekt men zich in een nieuw gewaad. 42 Misschien zit men daarna ook eenmaal aan aan den disch des verbonds. Maar dan wordt alles vergeten. Het leven zet zich voort, alsof er niets ware gebeurd.

Zulk een belijden is gansch onwaardig. Het staat niet hooger dan een aangenomen werk, dat afgeleverd, een oude sleur, die gedachteloos en willoos gevolgd wordt.

Dat is het doen van belijdenis niet. Belijdenis veel rijker van zin en veel dieper van beteekenis. Wel is het een ernstige daad en eene plechtige ure, als jeugdige lidmaten voor het eerst in het midden der gemeente belijdenis afleggen van hun persoonlijk gelooL Het is een mijlpaal op den weg des levens, een mondig worden van het onmondige kind, een intreden in al de rechten, welke Christus aan zijne geloovigen schenkt. Aan het jawoord, dat wij dan uitspreken, zijn wij voor tijd en eeuwigheid gebonden. God houdt er ons aan vast en zal er ons eens naar oordeelen. Christus blijft het gedenken en zal er ons eens rekenschap van vragen. De H. Geest zal het in onze gedachtenis bewaren en er ons op terugwijzen tot in de stervensure, tot in de eeuwigheid toe. Het zal, indien niet vóór ons, eenmaal in den dag der dagen tegen ons getuigen, ons in het aangezicht vliegen, en ons oordeel verzwaren.

Maar het is geen zaak, die op zich zelf staat en met het voorafgaand en volgend leven geen verband 43 houdt. Het is geen sacrament, gelijk Rome er van gemaakt heeft. Het draagt geen bijzondere, bovennatuurlijke heiligheid in zich. Het is door geen omheining van het gebied des ongewijden levens afgezonderd. Het lijft ons niet in in een afzonderlijken, nieuwen stand van strijders onder Christus als Koning. Hoe gewichtig en ernstig het doen van openbare belijdenis ook zij, het staat niet los op zichzelf maar hangt met het voorafgaand en volgend belijden ten nauwste saam.

Er gaat een dagelijksch belijden aan vooraf. Alle geloof belijdt, zij het ook naar zijne mate, op zijne wijze, in zijne taal. Ook het geloof van het spelende kind, van den vroolijken knaap, van den levenslustigen jongeling. Als het geloof maar van den echten stempel is, als er maar ware, kinderlijke vreeze Gods in het harte woont, dan komt dit altijd voor den dag. Het openbaart zich in de vroomheid van zin, in de oprechtheid des gemoeds, in de teederheid des harten, in den eerbied voor het heilige, in den lust tot het gebed, in de vreeze voor het kwaad, in het afhouden van zichzelf en anderen van datgene, wat verkeerd en zondig is. Belijden, dat doen onze kinderen reeds van der jeugd af, en hunne belijdenis is aangenaam in de ooren van God.

Wat toch zegt de Schrift? Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert ze niet, want hunner is het koninkrijk der hemelen. Omdat over de gansche aarde de naam des Heeren heerlijk is, 44 bereidt Hij zich zelfs uit den mond van kinderen en zuigelingen sterkte, om daarmede de tegensprekers tot zwijgen te brengen. Het kleine en zwakke kiest God uit, om daardoor de grooten en machtigen te beschamen. Kinderen zijn in hun eenvoud, in hun oprechtheid, in hun ootmoed verkondigers van de heerlijkheid des Heeren, die over de gansche aarde uitgebreid en het rijkst in Christus verschenen is.

En gelijk aan het doen van openbare belijdenis een belijden van kindsbeen voorafgaat, zoo volgt er ook een op, door heel het leven heen, tot in de stervensure toe.

Het is zoo, het openbare belijden in het midden der gemeente strekt in de eerste plaats, om toegelaten te worden tot het avondmaal. Het ontsluit den toegang tot den verbondsdisch. En zoo schijnt het doop en avondmaal vaneen te scheiden. Maar inderdaad is dit niet zoo, veeleer verbindt het beide en houdt ze bijeen.

En zoo behoort het ook te zijn. Doop en avondmaal zijn sacramenten van dezelfde waardij. Zij hebben dezelfde kracht en beteekenis. Zij zijn teekenen en zegelen van hetzelfde verbond. Beide zijn met het woord daarhenen gericht en daartoe verordend, dat zij ons geloof op de offerande van Jezus Christus aan het kruis, als op den eenigen grond onzer zaligheid wijzen. Zij zijn ook aan dezelfde geloovigen geschonken. In het N. Test. 45 werd de doop meest aan volwassenen bediend; de belijdenis ging daarom aan den doop vooraf; wie gedoopt was, had aanstonds toegang tot het avondmaal.

Maar sedert de kinderdoop algemeen gebruikelijk werd, kwam er allengs scheiding. De doop toch kan bediend worden aan kinderen des verbonds, want hij is het sacrament der wedergeboorte en der inlijving in de kerk van Christus. Maar het avondmaal onderstelt, dat wij zelven het brood nemen en eten, dat wij zelven den beker ontvangen en drinken. Aan het recht gebruik des avondmaals behoort daarom vooraf te gaan, dat wij ons zelven kunnen beproeven en het lichaam des Heeren kunnen onderscheiden. Het is het sacrament van den wasdom des geestelijken levens in de gemeenschap van Christus, en keert daarom ook telkens terug.

Dientengevolge kwam allengs tusschen doop en avondmaal de belijdenis te staan, niet om ze te scheiden, maar integendeel om ze in verband te houden en om van den doop tot het avondmaal heen te leiden. De belijdenis onderstelt den doop en bereidt tot het avondmaal voor. In de belijdenis aanvaardt de gedoopte zijn eigen doop en wenscht hij zelf, tot het tweede teeken des verbonds te worden toegelaten. God nam hem uit genade aan tot zijn kind; en thans, tot onderscheid van jaren en tot bewustheid van zijn leven 46 gekomen, spreekt hij het ootmoedig en kinderlijk, maar ook geloovig en zeker voor alle menschen uit, dat God zijn God is. Hij legt zijne hand in de hand des Heeren. Hij stemt vrijwillig en met klaar besef in het verbond toe, waarin hij opgenomen werd van zijne geboorte af. Op de toezegging des Heeren: Ik ben uw God, geeft hij thans ten antwoord: en ik ben Uw knecht, een zoon uwer dienstmaagd, Gij hebt mijne banden losgemaakt. God voedt zijne kinderen tot vrijheid en zelfstandigheid op. Hij wil een gewillig volk op den dag zijner heirkracht. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.

Dat spreekt de geloovige uit, als hij in de plechtige ure zijner belijdenis toegelaten wordt tot het heilig avondmaal. Daarvan doet hij ook belijdenis, als hij straks met de gemeente gezeten is aan de tafel des Heeren. In het sacrament komt het zeker in de eerste plaats aan op wat God doet, op zijne gave, op zijne genade. Hij biedt daarin den Christus ons aan met al de doorHem, verworvene weldaden. Het avondmaal heeft onze Zaligmaker Jezus Christus juist ingesteld, om te voeden en te onderhouden degenen, die Hij alreede wedergeboren en in zijn huisgezin, hetwelk is zijne kerk, ingelijfd heeft. Het is zijn vleesch, dat wij eten, en zijn bloed, dat wij drinken, met den mond des geloofs, tot versterking van ons geestelijk leven.

Maar dan in de tweede plaats is het sacrament 47 ook een belijdenis des geloofs onzerzijds. Aan het avondmaal gaat de waarachtige beproeving van ons zelven vooraf, die in drie stukken bestaat.

Ten eerste hebben wij te bedenken bij ons zelven onze zonden en vervloeking, opdat wij ons zelven mishagen en ons voor God verootmoedigen. Ten andere moeten wij ons hart onderzoeken, of wij ook deze gewisse belofte Gods gelooven, dat ons alle onze zonden, alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus, vergeven zijn en de volkomen gerechtigheid van Christus ons als onze eigene toegerekend en geschonken is. En ten derde hebben wij onze conscientie te beproeven, of wij ook gezind zijn, voortaan met ons gansche leven waarachtige dankbaarheid jegens God den Heere te bewijzen en voor het aangezichte Gods oprechtelijk te wandelen.

Welk eene veelzeggende belijdenis leggen wij dus in het avondmaal af! Wij komen er niet om te betuigen, dat wij in ons zelven volkomen en rechtvaardig zijn, maar integendeel, aangezien wij ons leven buiten ons zelven in Jezus Christus zoeken, zoo bekennen wij daarmede, dat wij midden in den dood liggen. Wij belijden er in, dat Jezus Christus de waarachtige spijze en drank onzer zielen is, en dat wij leden van zijn lichaam zijn. Want één brood is het, zoo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn.

Maar ook dat avondmaal staat niet ver buiten 48 en hoog boven ons leven. Wel is het buitengewoon in dien zin, dat altijd opnieuw Gods bijzondere genade daarin ons tegemoet treedt, en op eene bijzondere wijze voor onze oogen gesteld en aan onze harten verzekerd wordt. Ook komt het ons dikwerf als iets vreemds en wonderlijksvoor, wijl het slechts enkele malen in het jaar en dan nog lang niet trouw door allen gevierd wordt. Maar de genade, welke in het sacrament ons geschonken wordt, is geen andere dan die, welke steeds met het woord des evangelies gepaard gaat en ons voedt van dag tot dag. In de eerste Christelijke gemeenten werd daarom het avondmaal iederen rustdag en zelfs ook in de wekelijksche samenkomsten der geloovigen gevierd. Het was het hoogtepunt van den eeredienst, de gemeenschapsoefening der heiligen, de teerkost, dien zij telkens weder medenamen op den weg.

In het avondmaal wordt beteekend en verzegeld de gemeenschap met Christus, die wij ten allen tijde in het woord deelachtig zijn en genieten door het geloof. En van dat geloof leggen wij getuigenis af, niet alleen als wij aanzitten aan den disch des verbonds, noch alleen des Zondags, als wij met de gemeente opgaan naar het huis des gebeds.

Maar dat geloof belijden wij ons gansche leven door, zoo waarlijk als wij oprechte geloovigen zijn. Want het geloof kan niet anders dan belijden. Het vraagt niet, of er goede werken gedaan moeten 49 worden, maar heeft ze verricht, voordat de vraag oprijzen kan. Het belijden met mond en hart, met woord en daad, in handel en wandel is van het geloof des harten onafscheidelijk. Het is de vrucht van den boom, de geur van de bloem, het licht van de zon, de zoetigheid van den honig. Het is onmogelijk, dat, zoo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zoude voortbrengen vruchten der dankbaarheid.

Wie gelooft, belijdt, niet alleen des zondags maar ook in de week, niet in de kerk slechts, maar ook in huisgezin en school, in werkplaats en fabriek, in winkel en kantoor, in staat en maatschappij, in wetenschap en kunst, onder geestverwanten en tegenstanders, voor engelen en voor menschen.

Hij belijdt in het onderhouden van den openbaren kerkedienst, in het doen van Christelijke handreiking, in het steunen der scholen, in het verzorgen der armen, in het bezoeken der gevangenen, in het kleeden der naakten, in het voeden der hongerigen, in het troosten der treurenden, in het vermanen der ongeregelden, in het weerleggen der tegensprekers, in het rekenschap geven van de hope, die in hem is, in het zichzelven onbesmet bewaren van de wereld.

Wie gelooft, belijdt. Zijn leven zelf wordt eene belijdenis, eene levende, heilige, Gode welbehagelijke offerande in Christus Jezus.


That if thou shalt confess with thy mouth the Lord Jesus, and shalt believe in thine heart that God hath raised him from the dead, thou shalt be saved.Rom. 10: 9.

It takes time to live and grow. All what lives and grows takes time to develop. Artificial stimulation of growth results in green house plants, that have no resistance against storms and bad weather.

Spiritual life is also subject to this law of development for organic beings. Holy Scripture knows of a great diversity among God's children. It speaks of lambs and sucklings among the sheep of Jesus' flock; it mentions children, young men and fathers in the faith. Scripture makes a distinction between minors and adults, and in connection with this, between milk and solid food that is administered to believers. Repeatedly it admonishes them, to increase in grace and knowledge of the Lord Jesus Christ, to put on the new man, which is created in true righteousness and holiness, to be strengthened after the inward man and renewed in the spirit of the mind.

As the natural, so must spiritual life develop. It may not remain hidden from man or buried like a treasure in the field. Life is foreign to being idle. Life is movement, life is power, life is to act. All what lives moves and develops. It can be hindered in its growth and resisted, but as long as there is life, there is activity from which it cannot be separated. This is certainly true of spiritual life, that is implanted by the Holy Spirit by regeneration, and bears an everlasting indestructible character. It reveals itself wherever it is found in word and deed, and shows itself in deeds of faith and repentance. And when there is faith, there is confession.

Confession is a glorious word for a more glorious matter. But it has largely lost its beauty and power for us. When we ourselves mention it or hear it mentioned by others, we usually think of the doctrinal standards of some Christian Church, or the public confession, when the young people of the congregation, once in their life time, confess their faith, before they are admitted to the Lord's Table.

But the meaning of the above are derivatives of the word confession. The original sense in Scripture is much richer and much deeper. It is none other and none less than someone's testimony and speaking of his personal faith in Jesus as the Christ.

Two things are included here. In the first place a true, upright faith, a deep, solid conviction of the heart. A

confession in the real sense is not possible, when there is no faith in the heart. Confession is a matter of the heart.

Its roots are in the heart. It comes from the heart. It is the, fruit of faith in the heart. Without faith, confession is a work of the lips only, words from the mouth, an impersonal, untrue, hypocritical act, that may not have the fair name of confession, and was condemned by the Lord in the Pharisees of His day.

In the second place it is included, that faith is not ashamed and speaks out, openly to the world. Without faith it is impossible to confess. But he who believes in truth and uprightness, must make confession, he will speak in front of friend and enemy, before the face of God, angels and men. Whatever insult may be connected with it, what hate and persecution may be involved, those who believe will speak, loudly, forcefully and boldly. We believe and therefore do we speak.

Jeremiah, by his prophesying, made himself a mockery in the midst of his people, but he could not be silent. The Lord deceived him, was too strong for him and prevailed over him. He said, "I will not make mention of him. But His word was in my heart as a burning fire shut up in my bones" (Jer. 20: 9). The lion roared, who will not be afraid? When the Lord speaks, who will not prophecy?

Believing with the heart and confessing with the mouth go together. To believe and not to confess is acting against the Lord's will. Both are necessary, said a certain church father: a sure, solid faith and a voluntary confession, that the heart may be decorated with the certainty of faith and the tongue confess the truth unashamedly. Another witnessed: the heart needs the mouth, for what fruit is it, to believe with the heart, without openly confessing before men? Faith may justify, complete salvation is found in its confession. Only then faith shines, when it speaks out in confessing, and many profit. On the other hand, the mouth is in need of the heart, for there are many who confess Christ, but their heart is far from Him.

Paul the apostle says that faith grants us righteousness, but confession of the mouth must be added to obtain salvation. We cannot think of both separately, even as confessing the Lord Jesus cannot be taken apart from belief in His resurrection. Faith without confession does not grant righteousness, and confession without faith does not grant us salvation. Faith and confession cannot be thought apart from each other, just like Jesus being lord and His resurrection from the dead, and righteousness and salvation cannot be seen separately. Yet it is true - and this is what Paul wants to say - that although faith justifies, this faith must first become known as a true, justifying faith, when it makes confession. Faith, not the confession justifies. But when this faith is a true faith it is shown in confessing it. True, justifying faith leads only to salvation in the way of confessing. Without sanctification, no one shall see God. Without confessing faith, no one will see heaven. Confessing is not meritorious, but the royal way to salvation.

Faith and confession work together, they support each other. Faith that does not confess is timid, fearful, withdraws and fades away. Confession without faith is like a flower without stem, it fades and fails to the ground. On the other hand, by confessing faith is strengthened, it is established, and it roots grow deeper in the heart. In confessing, faith receives its glow and inspiration; gains courage and boldness; is continually kept and fed as by a hidden fire.

It follows that the so-called public confession is not an act all by itself, that takes place only once and is thereby finished. Many think that is the way it is. A few weeks before the solemn occasion takes place preparations are made. One abstains from public amusements. One attends church and catechism classes with greater regularity. On the very day a new garment is put on. After that they participate only once in celebrating the Lord's Supper. Then, everything is forgotten. Life continues as if nothing happened.

Such a confession is without value. It is not confessing the faith. Confessing is much richer and has much deeper significance. It is a serious act and a solemn hour, when youthful members for the first time do confession of their personal faith in the midst of the congregation. It is a die-stone on life's way, when one becomes of age, and requires entrance into all the rights, which Christ grants His believers. For time and eternity we are bound to the confession we make. God holds us to it, and at one time we shall be judged accordingly. Christ will remember it and shall ask us to give an account of it. The Holy Spirit shall point back to it until the hour we die, unto eternity. It will, if not for us, witness against us in the day of days, and make our judgement heavier.

It is not a matter all by itself that has no connection with life that went before and that follows. It is not a sacrament like what Rome made of it. It has no supernatural holiness in itself. It is not fenced off by the area of unhallowed, natural life. We do not become a new kind of soldier under Christ as King. Confessing our faith publicly is a weighty and grave matter, but is does not stand by itself, it is narrowly connected with the preceding life, and that which follows.

It is preceded by a daily confessing. All faith confesses, after its own measure, in its own way, its own language. Even the faith of the playing child and the youth who is full of life. If it is but a true faith, if there dwells but a true childlike fear of God in the heart, it will come out into the open. It reveals itself in a piety of soul, and upright mind, a tender heart, reverence for what is holy, a delight in prayer, fear for what is evil, in keeping self and others from evil. Our children already confess from the time they were very young, and their confession is pleasing to the Lord.

For what says Scripture? "Suffer the children to come unto me, and forbid them not, for of such is the kingdom of heaven" (Mark 10: 14). It is because the name of the Lord is glorious in all the earth, for, "Out of the mouth of babes and sucklings hast thou ordained strength because of thine enemies, that thou mightest still the enemy and the avenger" (Psalm 8: 2). "God has chosen the foolish things of the world to confound the wise" (1 Cor. 1: 27). Children in their simplicity, their uprightness, their humility are proclaimers of the glory of the Lord, which is found in all the earth and appeared most glorious in Christ.

And as confessing from early youth precedes doing public confession, so it is followed by one during one's whole life until the hour of death.

It is true, public confession in the midst of the congregation is done in the first place to gain admittance to the Lord's Table. It opens the door to the table of the Covenant. It appears as if it separates baptism from the Lord's Supper. However, this is not so, much more does it connect the two and keeps them together.

That is how it should be. Baptism and the Lord's Supper are sacraments that have the same value. They have the same strength and significance. They are signs and seals of the same covenant. The Word directs both, they are ordained to point our faith to Christ's sacrifice on the cross, as the only foundation of our salvation. They are given to the same believers. Baptism in the New Testament was mostly administered to adults, therefore confession came before baptism. The one baptized was instantly admitted to the Lord's Table.

But since infant baptism came in general use, there gradually came a separation. Baptism can be administered to the children of the covenant, for it is the sacrament of regeneration and incorporation into the Church of Christ. But the Lord's Table presumes that we ourselves take the bread and eat, that we receive the cup and drink. In order to celebrate the Supper of the Lord to our comfort, it is necessary before all things, rightly to examine ourselves, and distinguish the body of the Lord. It is the sacrament of the growth of our spiritual life in communion with Christ, and is therefore repeated at regular intervals.

That is why the confession came gradually between Baptism and the Lord's Supper, not to separate them, but to the contrary, to keep them connected, and to point from Baptism to the Lord's Supper. The confession presumes baptism and prepares for the Lord's Supper. In confession, the one baptised accepts his baptism and it is his desire to be admitted to the second sign of the covenant. By grace the Lord accepted him as His child; and at the present time, having come to years of discretion and awareness, he speaks humbly and childlike, but also believingly, before all God's people, that God is His God. He places his hand in the hand of the Lord. Wholeheartedly he consents to the covenant, in which he was taken up since birth. At the promise of the Lord: I am thy God, he now answers: I am thy servant, the son of thy handmaid, thou hast loosed my bonds. Ps. 116. The Lord brings His children up to be free and independent. He wants a willing people at the day of His power. We love Him, because He first loved us.

That is what. the believer says, when at the solemn hour of his confession he is admitted to the Holy Supper. Of that he does confession, when with the congregation he celebrates the Lord's Supper. What the Lord does at the Lord's Supper comes first, it is His gift, His grace. Therein He offers Christ to us with all the by Him obtained benefits. The Saviour, our Lord Jesus Christ, instituted the Supper to feed and nourish all those who already regenerated and in His family, are by Him incorporated into His Church. We eat His flesh and drink His blood with the mouth of faith, to strengthen our spiritual life.

But in the second place, the Lord's Supper is our confession. The Lord's Supper follows a, true examination of ourselves, which exists of three parts.

In the first place, 'We must remember our sins' accursedness, that we may abhor ourselves and humble ourselves before God." (Form for the Lord's Supper) In the second place, "Let everyone examine his heart whether he also believes this sure promise of God that all his sins are forgiven him only for the sake of the passion and death of Jesus Christ, and that the complete righteousness of Christ is imputed and freely given him as his own. (idem)

In the third place, "Let everyone examine his conscience whether he is minded henceforth to show true thankfulness to God in his whole life, and to walk sincerely before His face. (idem).

How significant is the confession we make with the Lord's Supper! We do not go on the Table to testify that in ourselves we are perfect and righteous, to the contrary, since we seek our life outside of self in Jesus Christ, we acknowledge that we lie in the midst of death. In celebrating the Lord's Supper we confess that Jesus Christ is the true food and drink of our souls, and that we are members of His body. For it is one bread, seeing that we, who are many, are one bread, one body.' for we all partake of the one bread. But the Supper is also not far removed from everyday life. It is extraordinary in the sense, that at all times God's special grace meets us, and in an extraordinary way is set before our eyes and assured to our hearts. We also see it often as strange and wonderful, since it is only celebrated a few times every year, and then not nearly faithfully by everybody. But the grace granted us in the sacrament, is no other then what continually is preached by the Word of the Gospel which feeds us from day to day. The first Christian congregations therefore celebrated the Lord's Supper every Lord's Day, even in their assemblies during the week. It was the highlight of the worship service, where believers exercised the fellowship of the saints, as provisions, they took along on the pathway of life.

The Lord's Supper signs and seals the fellowship we have with Christ, in which we share at all times, and which we enjoy by faith. We testify of that faith, not only when we participate of the Supper, nor just on Sunday on our way to the sanctuary.

We confess that faith all our life long, as certainly as we are true believers. For faith can do nothing but confess. It does not ask the question whether good works are in order, but does them before the question can be asked. Confessing with mouth and heart, with word and deed, in our walk and dealings cannot be separated from faith in the heart. It is fruit from the tree, the fragrance of the flower, the light of the sun, the sweetness of honey. It is impossible that those incorporated in Christ should not bring forth fruits of thankfulness.

To believe is to confess, not only on Sunday but also during the week, not just in Church, but also in family and school, in shop and factory, in store and office, in state and society, in science and art, among believers and unbelievers, before men and angels.

He confesses in maintaining the public worship service, in giving to the poor, in supporting schools, in visiting the prisoner, in clothing the naked, feeding the hungry, comforting those who mourn, admonishing the unruly, in refuting those who are contrary, in giving account of the hope that is in him, in keeping oneself unspotted from the world.

To believe, is to confess. Life itself becomes a confession, a living, holy, sacrifice in Christ Jesus, pleasing to God.

x
This website is using cookies. Accept