De offerande des Lofs (1e druk) The Sacrifice of Praise

5. De verscheidenheid der belijdenis

5. The Diversity of the Confession

58

Wij hooren ze in onze talen de groote werken Gods spreken.

Hand. 2 : 11.


Met de korte belijdenis, dat Jezus was de Christus, de Zoon des levenden Gods, kon de gemeente in den eersten tijd volstaan.

Maar lang heeft deze tijd van het eenvoudige, kinderlijke geloof niet geduurd en kon hij niet duren. De bestrijding van buiten zoowel als het in eigen kring ontwakende denken drong de gemeente, om hoe langer hoe klaarder zich rekenschap te geven van den inhoud van haar geloof.

En van dat oogenblik af openbaarde zich allerlei verschil en strijd. Met de eenheid der belijdenis was het weldra voor goed gedaan. Ofschoon kerk en staat ten allen tijde door dwangmiddelen van allerlei aard de eenheid, ware het ook slechts in schijn, trachtten te bewaren, heeft toch het proces der verdeeling en scheiding zich voortgezet tot op den huidigen dag. Er is verschil en tweedracht onder de Christenen alom. Kerken en personen staan in den naam van Christus en met beroep op zijn woord vijandig tegenover elkaar. De veelvormigheid van het 59 Christelijk geloof neemt nog voortdurend toe. Aan een herstel der eenheid valt nimmer meer te denken.

Daar ligt in deze gedeeldheid der Christenheid eene groote teleurstelling. Wij hebben immers maar éénen God, den Vader, uit welken alle dingen zijn en wij tot Hem, en maar éénen Heere, Jezus Christus, door welken alle dingen zijn en wij door Hem. De gemeente is één lichaam en één geest, gelijkerwijs zij ook geroepen is tot ééne hope harer beroeping, en slechts één Heer, één geloof, één doop bezit. Jezus bad zelf om de eenheid zijner discipelen, opdat de wereld gelooven mocht, dat de Vader Hem gezonden had. Zoo zouden wij dan verwachten, dat ook ééne de belijdenis zoude zijn, die van de lippen der gemeente vloeide.

Meer nog, de bestaande gedeeldheid is niet alleen eene smartelijke teleurstelling, zij is ook eene groote zonde voor God. Wij kunnen als Christenen er ons niet diep genoeg over verootmoedigen. Zij bevat eene zware aanklacht tegen ons, wijl zij in de duisternis van ons verstand en in de liefdeloosheid van ons hart haar voornaamste oorzaak heeft.

Wie hiervan doordrongen is, waardeert de goede bedoeling van die Christenen, die in vroeger en later tijd zich hebben laten verleiden tot de poging, om deze vurig begeerde eenheid der kerk van Christus, hetzij op gewelddadige, hetzij op kunstmatige wijze, in stand te houden of ook opnieuw tot stand te doen komen. 60

Maar daartegenover is reeds terstond dit feit van groote beteekenis, dat al deze pogingen, in weerwil van de uitnemendste bedoelingen, geen andere uitkomst hebben gehad, dan dat de waarheid erdoor vervalscht, de vrijheid erdoor onderdrukt en dikwerf de verdeeldheid er nog door toegenomen is. Want wie uit onpartijdigheid aan alle partijen zich onttrekt, loopt gevaar, zelf het hoofd te worden eener nieuwe partij.

Voorts is nooit te vergeten, dat ook in de geschiedenis God zijne hand heeft en dat Hij daarin zijn wijzen raad uitvoert. Zijne voorzienigheid gaat over alle dingen, zoodat er niets bij geval geschiedt, allerminst in de Christelijke kerk, over welke Christus in bijzonderen zin door den Vader tot Hoofd en Heer is aangesteld. De immer voortgaande splitsing der Christenheid is een feit, dat niet buiten Gods regeering kan omgaan, dat in zijn raad is opgenomen en bepaald, en waarmede Hij dus ook buiten allen twijfel zijne hooge en wijze bedoelingen heeft.

Ofschoon daarom in geenerlei opzicht de zonde te vergoelijken valt, welke in deze verdeeldheid werkt en openbaar wordt, toch is het ter anderer zijde onbillijk, het velerlei goede te miskennen, dat in en door deze scheiding en scheuring verkregen wordt. Wat de mensch ten kwade heeft gedacht, denkt God menigmaal ten goede. Uit de duisternis kan Hij het licht, uit den dood kan Hij het leven, 61 uit de schande der menschen kan Hij heerlijkheid voor zijn naam doen voortkomen. Zoo ver is God van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht, dat Hij zelfs de zonde gebruiken en dwingen kan, om mede te arbeiden aan de glorie van zijne deugden en de bevestiging van zijn rijk.

Zoodra de waarheid, gelijk zij in Christus geopenbaard en door de apostelen verkondigd was, zich weerspiegelde in het menschelijk bewustzijn, werd zij zeer zeker ook aanstonds van haar zuiverheid beroofd en met allerlei dwaling vermengd; ketterijen en scheuringen dagteekenen reeds uit den apostolischen tijd. Maar zoo werd zij toch ook allengs steeds klaaxder in haar rijkdom en veelzijdigheid verstaan, en kreeg de gemeente door het oog des geloofs altijd dieper inzicht in de geheimen des heils, welke God in zijn woord voor haar neergelegd en ten toon gespreid had.

Immers zijn de menschen reeds in het natuurlijke eindeloos van elkander verscheiden. Geslacht en leeftijd, aanleg en karakter, opvoeding en omgeving, land en volk, tijd en plaats, rang en stand, verscheidenheid der gaven van verstand en hart brengen in de beschouwing en opvatting der dingen de grootste wijzigingen aan. In geen enkel opzicht zijn twee menschen volkomen aan elkander gelijk.

En deze verscheidenheid, welke van nature bestaat, wordt door de genade niet uitgewischt. Want 62 de genade onderdrukt en vernietigt de natuur niet, maar zij herstelt en vernieuwt haar en doet de natuurlijke verscheidenheid nog toenemen door de verscheidenheid der geestelijke gaven, welke wel alle gewerkt worden door één en denzelfden Geest, maar door dien Geest toch aan een iegelijk in het bijzonder worden uitgedeeld, gelijkerwijs Hij wil.

God heeft in de eenheid de verscheidenheid lief. De gansche schepping getuigt daarvan, de natuur met haar bergen en dalen, met haar zeeën en eilanden; de aarde met hare rijken van delfstoffen en planten, van dieren en menschen; de hemel met zijne planeten en sterren; de hemel der hemelen met zijne duizenden van heilige engelen. De heerlijkheid van het oneindig rijke wezen Gods spiegelt in de werken zijner handen zich af. In de schepselen worden Gods deugden en volmaaktheden openbaar.

En nog klaarder en voller treedt die verscheidenheid ons in de herschepping tegemoet. Daar is allereerst Christus, de schoonste van alle kinderen der menschen, op wiens lippen genade en waarheid uitgestort zijn. En dan om Hem heen in bonte, dichte rijen de patriarchen en profeten, de apostelen en evangelisten, de martelaren en hervormers, de gansche schare der verlosten, die gekocht zijn door zijn bloed en vernieuwd door zijn Geest. Verscheiden zijn zij in den hemel, verscheiden waren zij op aarde. En al die verscheidenheid komt, zelfs door de dwaling en de schuld der menschen heen, 63 aan de kennis der waarheid, aan den roem der genade ten goede. Christus neemt ze in dienst en siert er zijne kerk mede. De H. Geest gebruikt ze, om door allen in hun eigen taal de groote werken Gods te doen verkondigen. Eens, aan het einde, wordt door de gemeente uit alle talen en volken, geslachten en natiën Gode de eere en de heerlijkheid gebracht.

Om deze reden verwondert het niet, dat in alle verscheidenheid van belijdenis de verschillende verhouding zich afspiegelt, waarin de genade tot de natuur wordt gesteld. Het wezen der Christelijke religie bestaat daarin, dat de schepping des Vaders, door de zonde verwoest, weer in den dood van den Zone Gods wordt hersteld en door de genade des H. Geestes herschapen wordt tot een koninkrijk Gods. De groote vraag, die altijd en overal terugkeert, is daarom deze, in welke verhouding de genade zich stelt tot de natuur. Practisch moet ieder mensch die verhouding voor zichzelven regelen, in zijn denken en leven, in zijn willen en handelen. En op uitgebreider terrein komt zij telkens opnieuw aan de orde, in kerk en staat, in gezin en maatschappij, in kunst en wetenschap. Wat is het verband tusschen schepping en herschepping, van de rijken der aarde en het koninkrijk der hemelen, van humaniteit en Christendom, van hetgeen van beneden en hetgeen van boven is?

Al naar gelang van zijne persoonlijke 64 eigenaardigheid zal ieder mensch deze verhouding anders bepalen en ook in zijn leven anders toepassen. Het maakt een groot verschil, of de genade gedacht wordt als leer of als leven; of zij beschouwd wordt als een bovennatuurlijk toevoegsel aan de natuur dan wel als een geneesmiddel tegen de krankheid der zonde; of zij bestemd is voor het hart en de binnenkamer alleen dan wel voor heel het rijke menschenleven; of zij alleen dient tot zaliging der ziel of wel de strekking heeft, om Gode eere te bereiden uit al zijne werken. Door dit verschil ontstaan er onder de geloovigen, zelfs onder de leden van eene zelfde kerk, allerlei kleinere en grootere verscheidenheden in de belijdenis. De waarheid is wel ééne, maar zij weerkaatst zich in het bewustzijn der menschen op zeer onderscheidene wijze. Eéne zon schijnt wel aan den hemel, maar elk ziet haar met zijn eigen oog.

Toch, al zijn de verschillen nog zoo groot, die tusschen de belijdenissen der Christelijke kerken bestaan, wij mogen ten slotte de eenheid niet over het hoofd zien, die er desniettemin op duidelijke wijze in openbaar wordt. Zoo licht loopen wij gevaar van eenzijdigheid. Het valt niet tegen te spreken, dat er verschil en strijd is over ieder artikel des geloofs. Maar starende op wat de geloovigen van elkander scheidt, vergeten wij toch al te licht datgene, wat hen samenhoudt en verbindt. Achter de oneenigheid 65 wijkt de overeenstemming dikwerf al te diep voor onzen blik terug.

En toch is ook deze overeenstemming aanwezig. De geloovigen zijn allen één, niet uitsluitend in geestelijk opzicht, wijl zij al te zamen Christus ingelijfd en leden van zijn lichaam zijn, maar ook nog in dien uitwendigen zin, dat een zichtbare band alle Christelijke kerken en belijdenissen omsloten houdt en tegenover alle niet-Christenen afzondert.

Wel is er geen Christendom boven de geloofsverdeeldheid. De verschillen tusschen de ontelbare Christelijke kerken en belijdenissen zijn aan de punten van overeenstemming niet mechanisch toegevoegd. Men kan de eerste van de laatste niet aftrekken, zoo, dat er een volkomen gelijke som overblijft. Elke belijdenis is een organisch geheel. De Roomsche is Roomsch, ook in de belijdenis van de twaaf artikelen des geloofs, welke door alle kerken worden aangenomen. Gereformeerden en Lutherschen, Wederdoopers en Remonstranten zijn van elkander onderscheiden niet alleen in de leer van de verkiezing, van de kerk, van het sacrament, maar ook in die van God, van Christus, van schepping envoorzienigheid, van verzoening en rechtvaardiging.

Maar er is toch een Christendom in de geloofsverdeeldheid; eene eenheid, die, goed bezien, veel grooter en van oneindig meer beteekenis is dan alwat de geloovigen onderling verdeelt en scheidt. Al moge 66 die eenheid zich niet laten losmaken uit de verscheidenheid, zij is toch desniettemin waarlijk en werkelijk in haar aanwezig en komt er klaar en duidelijk in voor den dag. En al bepaalt zich eene geschreven confessie dikwerf hoofdzakelijk tot uiteenzetting van het verschil; in de ongeschreven artikelen, in de gebeden, in de vruchten des geloofs, in de werken der barmhartigheid komt eene treffende overeenstemming aan het licht. De onvolkomen belijdenis der lippen laat menigmaal aan het geloof des harten geen recht wedervaren.

Zoo schijnt het dan de wil des Heeren te zijn, dat de eenheid des geloofs en der kennis van den Zone Gods door de verscheidenheid heen zich een weg bane, om eenmaal aan het einde der geschiedenis luisterrijk te voorschijn te komen. Als in de toekomst het lichaam van Christus zijn vollen wasdom zal hebben bereikt en gekomen zal zijn tot een volkomenen man, tot de mate der grootte der volheid van Christus; dan zullen alle heiligen samen met elkander ten volle begrijpen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij der liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat zij vervuld worden tot al de volheid Gods.


We do hear them speak in our tongues the wonderful works of God.

Acts 2:11.

The short confession that Jesus was the Christ the Son of the living God was sufficient for the congregation of the first days.

However this period of simple childlike faith did not last long, and could not last long. The faith was contested from the outside, and deliberations in their own circles pressed the congregation into giving a more detailed account of the contents of its faith.

From that moment on many differences and conflicts arose. Soon there was no more confessing of the faith in unison. Although Church and State at all times attempted to preserve that unity by many coercive measures, even if it was only the appearance,, the process of division continues until the present day. There is discord and contention all over. In the name of Christ, denominations and people, with an appeal to His Word, stand as enemies over against each other. The multi-formity of the Christian faith is continually on the increase. It is impossible to think that unity can be restored.

The disunity among Christians is a great disappointment. For, do we not have one only God, the Father, from Whom are all things, and we to Him, and but one Lord, Jesus Christ, by Whom are all things and we through Him? The congregation is one body and one spirit, she is also called to one hope of her calling, one Lord, one faith, one baptism. Jesus Himself prayed that His disciples would be one, that the world may know that He was sent by the Father. So we would expect, that one confession flowed from the lips of the congregation.

Moreover, existing disunity is not just a grievous disappointment, it is also a great sin before the Lord. Because of this great sin, as Christians we cannot humble ourselves sufficiently. It holds a heavy accusation against us, since it is caused mainly by the darkness of our minds, and a great lack of love in our hearts.

When we are convinced of this, we will appreciate the good intentions of Christians, who in earlier and later times, have attempted to unite Christians, be it through forceful or artificial means.

There is on the other hand the fact, which is of great significance, that all these attempts, in spite of the best intentions, had no other result than that truth was turned into error, freedom was suppressed, and disunity often increased. For, he who withdraws into neutrality, is in danger of becoming the head of another party. Furthermore, we may never forget, that God has His hand in history, and that He executes His wise counsel. His providence includes all things, nothing happens by chance, least of all in the Christian Church, over which the Father placed Christ in a special sense, as its Head and Lord. The ever continuing divisions in Christianity is a fact which is not outside of God's government and rule, it is determined and taken up in His decree, through which without doubt, the Lord executes His wise purposes.

Although we may in no wise justify that sin, which is the cause of disunity, it is not fair to deny that much good was derived from these separations and schisms. What men think for evil, the Lord many a time turns into good. Darkness He can make into light, the dead He can raise to life, and from the shame of men He can glorify His name. So far be it from God, that he should do wickedness; and from the Almighty, that he should commit iniquity" (Job 10: 34); God can use sin and force it to co-operate to the glory of His virtues and the establishment of His kingdom.

As soon as the truth revealed in Christ and proclaimed by the apostles, reflected in the human conscience, it was instantly robbed of its purity and mixed with many errors. Heresies and schisms date back to the time of the apostles. But at the same time its expression became clearer and better understood in its riches and many sidedness, and the congregation received ever deeper insight into the mystery of salvation, that was laid down and demonstrated by the Lord in His Word.

For already in natural things people are hopelessly separated from each other. Gender and age, aptitude and character, upbringing and environment, land and people, diversity of gifts of mind and heart bring the greatest modifications in the manner that things are viewed and considered. Not in any way are two people exactly like each other.

This diversity, which exists by nature, is not by grace eliminated. For grace does not erase and destroy nature, but restores and renews it, and the natural diversity is yet more increased by the diversity of spiritual gifts, which are all worked by one Spirit, but divided to every man severally as He will.

The Lord loves unity in diversity. All creation testifies to this. Nature with its mountains and valleys, its seas and islands; the earth with its riches of minerals and plants, of animal and man; the heavens with its planets and stars; the heaven of heavens with its thousands of holy angels. The glory of the infinite rich Being of God, reflects in the works of His hands. God's virtues and perfections are revealed in His creatures.

Yet, this diversity meets us still clearer and fuller in re-creation. There is first of all, Christ, the fairest of the

children of men, on Whose lips grace and truth are shed forth. And around Him the patriarchs and prophets,

25 apostles and evangelists, martyrs and reformers, a great multitude of the redeemed, that are bought with His blood and renewed by His Spirit. They are distinct in heaven, they Were distinct on earth. All this diversity, through the error and guilt of man, is an influence for good, in order that we should come to know the truth, and the glory of His grace. The Lord takes them into His service and uses them to decorate His Church. The Holy Spirit makes use of these diversities that all in their own tongue should proclaim the wonderful works of God. One time, at the end of history, the congregation from all languages and peoples, races and nations shall bring honor and glory to the Lord.

For this reason it is not difficult to understand, that the several relationships are reflected, in the diversities of confession, in which grace is placed to nature. The essence of the Christian religion exists herein, that the Father's creation, which was destroyed by sin, is restored again by the death of Christ, and by the grace of the Holy Spirit recreated into God's kingdom. The serious question that always returns, is therefore, in which relationship grace places itself to nature. In practice. Every man must regulate this relationship by himself, in his thinking and life, in his will and work.

In other areas of life as well, it comes repeatedly up for discussion, in Church and State, in family and society, in art and science. What is the relationship between creation and re-creation, between the kingdoms of this world and the kingdom of heaven, of humanity and Christianity, of that which is from above and that from beneath?

According to his own peculiarity each man shall determine this relationship and apply it in and to his life in a different way. It makes a great difference, whether we see grace as doctrine or as life; is it seen as a supernatural addition to nature, or as a medicine against the disease of sin; is it destined for the heart and the inner room, or for all of the rich diversities in human life; does it only serve to save the soul, or does it imply that to God belongs the glory for all His works. Because of this difference their exist among believers, even the members of one Church, many smaller and greater distinctions in the confession. The truth truly is one, but it reflects itself in the consciences of people in many different ways, One sun sends its rays to the earth, but everyone sees it with his own eyes.

Yet, in spite of the great differences that exist between the confessions of the Christian Churches, there is a unity which is plainly revealed, which we may not overlook. So lightly are we in danger of one-sidedness. It is a fact that there are differences, and there is conflict about all the articles of our faith. But seeing what separates believers, we forget so soon what keeps and ties them together. Beyond disunity, any agreement is not seen anymore. Yet, such agreement is present. All believers are one, not only with respect to spirituality, since all are incorporated in Christ and members of one body, but also in an outward sense, a visible bond embraces all Christian Churches, and keeps them separate from all none Christians.

It is true, there is no Christianity beyond divisions of the faith. Differences between innumerable Christian Churches are not mechanically added to the points of agreement. The first cannot be deducted from the latter, in a way that the remainder would be even with the foregoing. All creeds are an organic whole. The Roman Catholic is Roman Catholic, even in the apostolic confession of faith, which is adopted by all Churches. The Reformed and Lutherans, Anabaptists and Remonstrants are distinct from each other, not just in the doctrine of election, but also of the Church, the sacraments, and also in those of God, of Christ, of creation and providence, of reconciliation and justification.

Yet, there is a unity in Christianity; a unity, which, well considered, is much greater and of infinite more significance than what divides and separates believers from each other. It may be that this unity cannot be separated from the diversity, it is nevertheless truly and really present and becomes clearly visible. It is true that a written creed often just explains the differences; in the unwritten articles, the prayers, the fruits of faith and the works of mercy there is often touching agreement. The imperfect confession of the mouth does not always do justice to the heart's faith.

So it appears to be the will of the Lord, that the unity of faith and acknowledging the Son of God must make a way for itself through the diversities, that once, on the end of history it may gloriously appear. When the body of Christ shall have reached its full increase, and has come to a perfect man, to the measure of the fullness of Christ; when the saints together, may be able to comprehend what is the breadth, and length, and depth and height; and to know the love of Christ, which passeth knowledge, that ye might be filled with all the fullness of God.

x
This website is using cookies. Accept