De offerande des Lofs (1e druk) The Sacrifice of Praise

6. De algemeenheid der belijdenis

6. The Catholicity of the Confession

67

Niemand dan roeme op menschen, want alles is uwe. Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cephas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe; doch gij zijt van Christus en Christus is Gods.

1 Cor. 3 : 21-23.


De verscheidenheid der belijdenis maakt op hare algemeenheid geen inbreuk. Al zijn er vele kerken, wij belijden als Christenen toch allen te zamen ééne, heilige, algemeene kerk, welke in de vele en velerlei kerken der Christenheid, zij het ook menigmaal op zeer gebrekkige wijze, tot openbaring komt.

Algemeen, katholiek, is de Christelijke belijdenis in dien zin, dat zij over de gansche aarde zich uitbreidt, alle ware geloovigen omvat, voor alle menschen geldt en voor de gansche wereld beteekenis heeft. Het Christendom is wereldgodsdienst, voor alle volk en eeuw, voor iederen stand en rang, voor elke plaats en tijd bestemd en geschikt. En het meest katholiek is die kerk, welke dit internationaal en kosmopolitisch karakter van 68 de Christelijke religie in hare belijdenis het zuiverst uitgedrukt en in de practijk het ruimst toegepast heeft.

Deze algemeenheid van den Christelijken godsdienst hangt rechtstreeks saam met de eenheid Gods, die erin geleerd wordt. God is één, en daarom kunnen zijne woorden en werken onderling nimmer strijden. Alle dingen hebben hun verband en systeem in zijn bewustzijn, in zijn wil, in zijn raad, Zij bestaan al te zamen in den Zoon, die het beeld des onzienlijken Gods is, de eerstgeborene aller creaturen, door wien en tot wien zij alle zijn geschapen. En deze Zoon is tevens de Christus; de weg, de waarheid en het leven, zonder en buiten wien niemand tot den Vader kan komen; de eenige naam, onder den hemel gegeven, opdat menschen daardoor zalig zouden worden; het hoofd der gemeente, inwien de Vader al de volheid heeft doen wonen, opdat Hij door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed des kruises, alle dingen verzoenen zoude tot zichzelven, hetzij de dingen, die op aarde, hetzij de dingen, die in de hemelen zijn.

Het Christendom is daarom de absolute religie, de eenige, wezenlijke, ware religie. Het duldt geen andere godsdiensten als van ongeveer gelijke waarde naast zich. Het is uit zijn aard onverdraagzaam, gelijk de waarheid ten allen tijde onverdraagzaam is en moet zijn tegenover de leugen. Zelfs stelt het 69 er zich niet mede tevreden, om de eerste der godsdiensten te zijn, maar maakt er aanspraak op, om de eenige, echte, volle religie te wezen, die alwat er waars en goeds in andere godsdiensten voorkomt, in zich opgenomen en vervuld heeft. Christus toch is niet een mensch naast anderen, maar de Zoon des menschen, die door de opstanding krachtiglijk is bewezen de Zone Gods te zijn naar den Geest der heiligmaking en van den Vader ontvangen heeft een naam boven allen naam, opdat in dien naam zich buige alle knie en alle tong belijde, dat Hij de Heere is, tot heerlijkheid Gods des Vaders.

In deze eenheid ligt de algemeenheid der Christelijke religie vanzelve opgesloten. Wijl er maar één God is, is Hij de Schepper aller dingen. Omdat er maar één Middelaar Gods en der menschen is, is Hij de Zaligmaker der gansche wereld. En naardien er maar één Geest is, uitgaande van den Vader en den 'Zoon, is deze de eenige Leidsman der waarheid, de uitsluitende Leeraar der kerk, de algenoegzame Trooster van alle geloovigen.

De H. Schrift predikt deze algemeenheid des Christendoms op de duidelijkste en schoonste wijze. De Vader heeft de wereld liefgehad en daarom zijnen eeniggeboren Zoon gezonden, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe. In dien Zoon heeft God de wereld met zichzelven verzoend, de zonden haar niet toerekenende. Christus kwam zelf op aarde, niet om de wereld te 70 veroordeelen, maar om haar te behouden. Hij is het licht, het leven, de Zaligmaker der wereld, eene verzoening niet alleen voor onze zonden maar voor de geheele wereld. In Hem zijn alle dingen in den hemel en op de aarde met God verzoend, en worden zij ook alle vergaderd tot één. De wereld, die door den Zoon is gemaakt, is ook voor den Zoon als haren erfgenaam bestemd. Eens worden alle koninkrijken onzes Heeren en zijns Christi.

Deze groote, heerlijke waarheid is veelzins geloochend en miskend. Daar zijn in den loop der eeuwen vele Christenen geweest, en ze zijn er nog, die aan het evangelie wel eene beteekenis voor het godsdienstig-zedelijke leven hebben toegekend, maar die zijn invloed ook daartoe beperkten en van zijne waardij voor het natuurlijke leven, voor gezin en maatschappij en staat, voor wetenschap en kunst geen besef hadden. Ja velen hebben gemeend, dat de herschepping vijandig tegen de schepping overstond, dat de genade de natuur te niet deed, en dat daarom het best en het meest Christen was hij, die uit de wereld zich terugtrok en in de eenzaamheid zich opsloot.

En pleitbezorgers van het ongeloof hebben hier gaarne gebruik van gemaakt en triumfantelijk uitgeroepen, dat het Christendom vijandig was aan alle cultuur en daarom in elk geval voor de menschheid van den tegenwoordigen tijd niet meer paste. In vroeger eeuw moge het eene uitnemende roeping 71 hebben vervuld, en nog moge het heden ten dage voor een of anderen zwaarmoedige van geest ten troost verstrekken in zijn leed; voor de menschheid in haar geheel genomen is het Christendom verouderd en der verdwijning nabij. Beschaving, wetenschap, kunst, handel, nijverheid — dat zijn de goden, die thans voor het aangezicht des menschen henengaan en hem uit het diensthuis verlossen. Maar het evangelie van Christus heeft afgedaan; zijn rijk is niet van deze wereld en heeft tot deze wereld niets te zeggen. Ja heel de godsdienst hebbe in kerk en binnenkamer nog eenig recht van bestaan; op de markt des levens is er voor hem geen plaats meer. Godsdienst heeft niets met politiek van doen. In de scholen der wetenschap, in de tempels der kunst, in de raadzalen des lands wordt de Almachtige er buiten gehouden. De vrijmaking der wereld van God en Goddelijke dingen wordt voortgezet ten einde toe.

Er ligt in deze redeneering eene waarheid, die niet ontkend mag worden. Jezus is wel op aarde gekomen en heeft het natuurlijke leven aangenomen, maar Hij nam het aan om het te verloochenen en wederom af te leggen aan het kruis. Hij was niet gehuwd, oefende geen beroep uit in de maatschappij, bekleedde geen ambt in den staat. Hij was geen man der wetenschap en geen beoefenaar der kunst. Zijn gansche leven was eene offerande, welke zich voltooide in zijne overgave in 72 den dood. Hij kwam om te sterven. De dood was het doel van zijn leven. Gelijk Hij zelf getuigde, dat Hij niet gekomen was om gediend te worden, maar om te dienen en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen.

En zoo deed Hij niet alleen voor zichzelven, Hij eischt van zijne jongeren, dat zij Hem zullen navolgen en wandelen in zijne voetstappen. Wie het kruis niet opneemt, kan zijn discipel niet zijn. Wie zijn leven behouden wil, zal het verliezen, maar wie het verliezen zal om zijnentwil, die zal het vinden. Wie vader of moeder liefheeft boven Hem, is zijns niet waardig, maar wie om zijns naams wil alles verlaat, zal honderdvoud ontvaw gen en het eeuwige leven beerven. Om in te gaan in het koninkrijk der hemelen, moet het ergerende oog worden uitgerukt en de ergerende hand en voet worden afgehouwen, want het is beter, verminkt het leven in te gaan, dan twee handen en twee voeten en twee oogen hebbende, in het helsche vuur geworpen te worden.

Van dezen strengen eisch van het evangelie des kruises mag niets worden afgedaan. Het evangelie moge zijn voor den mensch, het is in geen enkel opzicht naar den mensch. Wie het fatsoeneeren wil naar den geest der eeuw, naar de meeningen van den dag, berooft het van zijne kracht, en doet niets dan teleurstelling op, indien hij meent, er op die wijze ingang aan te zullen 73 verschaffen. Want Christus is nu eenmaal geen staatkundig leider noch maatschappelijk hervormer geweest; zijn evangelie is niet geschikt omdienst te doen als een sociaal programma; de Schrift is geen wetboek noch ook een handboek voorkunst of wetenschap; de bediening des woords is geen prediking van menschelijke wijsheid; de regeering der kerk geen heerschappij en geen machtsoefening; de diaconie geen instelling tot oplossing van het probleem der armoede.

Tot dat alles is Christus niet gekomen en zijn woord ons niet gegeven. Christus is Zaligmaker dat is zijn naam en zijn werk, niets anders, niets meer maar ook niets minder dan dat. Zijne offerande is eene verzoening der zonden. Zijn evangelie is eene blijde boodschap tot behoudenis. Zijne kerk is eene gemeenschap der heiligen. Het Christendom is godsdienst, geen wijsbegeerte.

Maar dat is het dan ook geheel en volkomen, de ware, echte, volle religie, de herstelling van de rechte verhouding tot God, en daarom ook van die tot alle schepselen. Zaligmaker is Christus, niets anders; maar dat is Hij dan ook zoo volkomen, dat zijn evangelie eene kracht Gods tot zaligheid is voor een iegelijk, die gelooft.

En daarom stoot Hij niemand of niets van zich af. Rijken, die geens dings gebrek meenen te hebben, zendt Hij ledig henen, maar armen heeft Hij met goederen vervuld. Over Pharizeën, die aan 74 hunne eigene gerechtigheid meenen genoeg te hebben, spreekt Hij zijn driewerf herhaald: wee, uit. Maar tollenaren en zondaren noodigt Hij tot zich, kranken geneest Hij, kreupelen doet Hij wandelen, melaatschen reinigt Hij, blinden opent Hij de oogen, dooden wekt Hij op, over kinderen breidt Hij zegenend zijne handen uit, aan armen verkondigt Hij het evangelie van het koninkrijk Gods, en goeddoende en zegen verspreidende gaat Hij alom het land door.

En niets menschelijks acht Hij daarbij zich vreemd. Anders dan Johannes de Dooper, is Hij gekomen etende en drinkende, zoodat Hij zelfs een vraat en wijnzuiper gescholden werd. Hij zat aan bij de bruiloft te Kana, nam uitnoodigingen tot maaltijden aan, verbood zijn discipelen het vasten, stelde de vreugde der toekomstige zaligheid onder het beeld van een feestmaal voor, en beloofde zijn jongeren in den laatsten nacht zijns levens, dat Hij thans wel niet meer van de vrucht des wijnstoks met hen drinken zou, maar dat Hij die toch eenmaal nieuw met hen zou drinken in het koninkrijk zijns Vaders.

De ordeningen van het natuurlijke leven erkent en eerbiedigt Hij op alle terrein, want Hij is niet gekomen, om de werken des Vaders, maar alleen, om die des duivels te verbreken. Hij betaalt de belasting, weigert tusschen twee over eene erfenis twistende broeders als scheidsrechter op tetreden, 75 beveelt den keizer het zijne te geven, schrijft onderwerping voor aan hen, die op den stoel van Mozes gezeten zijn, en verbiedt zijn discipelen zelfs in de bangste ure, om het zwaard te gebruiken. Nooit spoort Hij aan tot verzet; altijd worden woorden der liefde van zijne lippen gehoord. Hebt uwe vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen en u vervolgen.

Ook de natuur heeft Hij lief met kinderlijke vreugde. Hij geniet van haar schoon en verkwikt zich aan hare heerlijkheid. Een open oog heeft Hij voor het gras der aarde en de leliën des velds, voor de vogelen des hemels en de visschen der zee. Wijnstok en vijgeboom, mostaardzaad en tarwegraan, druif en doorn, vijg en distel, akker en kudde, vischvangst en koopmanschap dienen Hem tot beelden en gelijkenissen bij zijn onderwijs aangaande de hemelsche dingen. Heel de natuur spreekt Hem van den Vader, die in de hemelen is en die zijne zon laat opgaan over boozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. En zoo weinig keurt hij alle weelde af, dat Hij, als Maria Hem eenmaal zalft met eene uitgelezen zalve, niet met zijne jongeren over de verkwisting klaagt, maar het kostbaar eerbewijs gaarne en met dankbaarheid aanvaardt.

En wat alles afdoet — Jezus heeft het natuurlijke leven wel afgelegd, om onzentwil, maar 76 Hij heeft het ook wederom aangenomen en is opgestaan uit de dooden. Toen Hij in zijn vleesch onze zonden gedragen had op het hout en aldus het natuurlijke leven van zijn schuld en vloeken dood had bevrijd, toen heeft Hij het ook weder tot zijn eigendom gemaakt, maar nu herboren, vergeestelijkt, geheiligd. De lichamelijke opstanding van Christus uit de dooden is het afdoend bewijs, dat het Christendom niet vijandig tegen iets menschelijks of natuurlijks overstaat, maar de schepping alleen van al het zondige verlossen en volkomen Gode heiligen wil.

Geen ander is de weg, dien de discipelen van Jezus te bewandelen hebben. Wie Jezus wil volgen, moet wel alles verlaten, maar ontvangt ook alles terug, dertig- en zestig- en honderdvoud. Wie ééne plante met Hem geworden is in de gelijkmaking zijns doods, zal, dit ook zijn in de gelijkmaking zijner opstanding. Wie met Hem lijdt, wordt ook met Hem verheerlijkt, niet eerst in den hemel, maar aanvankelijk reeds hier op aarde. Want wie gelooft, heeft het eeuwige leven en wordt vernieuwd van dag tot dag. Langs het kruis naar de kroon, door den dood tot het leven dat is de weg voor Jezus en zijne discipelen beiden.

Maar daarom keert ook alles door den dood heen in de opstanding tot hen terug. Met Christus gestorven en opgewekt, leven zij voorts den tijd 77 huns vleesches in het geloof des Zoons van God, die hen liefgehad en zichzelven voor hen heeft overgegeven. Ofschoon der wereld gekruisigd, gaan zij toch niet uit de wereld, maar worden in haar door den Vader van den Booze bewaard. Zij blijven in de roeping, in welke zij geroepen zijn. De Jood, die tot den Heere bekeerd wordt, behoeft zich de voorhuid niet aan te trekken: en de Griek, die tot het geloof komt, behoeft zich niet te laten besnijden. De dienstknecht blijft een dienstknecht, ook al werd hij een vrijgelatene des Heeren; en de vrije blijft vrij, ook al werd hij een dienstknecht van Christus. De ongeloovige man wordt geheiligd door de vrouw, en de ongeloovige vrouw wordt geheiligd door den man.

Alle natuurlijke ordeningen blijven; ze worden niet revolutionair omvergeworpen maar alleen door den nieuwen geest herschapen. Want het koninkrijk der hemelen is niet spijze en drank, maar rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door den Heiligen Geest. Alle schepsel Gods is goed en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde, want het wordt geheiligd door het woord van God en door het gebed. Slechts hebben de geloovigen te bedenken alwat waarachtig is, alwat eerzaam is, alwat rechtvaardig is, alwat rein is, alwat liefelijk is, alwat wel luidt. Overigens is alles het hunne, omdat zij Christi zijn en Christus Gods is. 78

Zoo is de godzaligheid tot alle dingen nut, hebbende de belofte, niet alleen van het toekomende maar ook van het tegenwoordige leven. Wie het koninkrijk der hemelen en zijne gerechtigheid heeft gezocht, worden alle andere dingen in den schoot geworpen. De beste Christen is de beste burger. Met zijne belijdenis staat hij niet buiten of tegenover het natuurlijke leven. Maar hij draagt ze hoog en fier de wereld in, en plant overal de banier van het kruis. Het evangelie van Christus iseene blijde boodschap voor alle creaturen, voor verstand en hart, voor ziel en lichaam, voor gezin en maatschappij, voor wetenschap en kunst. Want het bevrijdt van de schuld en verlost van den dood. Het is eene kracht Gods tot zaligheid voor een iegelijk, die gelooft.


Therefore let no man glory in men,

For all things are yours; Whether Paul, or Apollos, or Cephas, or the world, or life, or death, or things present, or things to come; all are yours; And ye are Christ's; and Christ is God's.

1 Cor. 3:21 and 22.

The diversity of the confession does not violate its catholicity. There are many Churches, and all of us Christians, confess one holy, catholic Church, which becomes revealed in the many Churches of Christianity, be it in a very imperfect way. The Christian confession is Universal and Catholic, in the sense, that it is spread out over all the earth, includes all believers, is for all men, and has significance for the whole world. Christianity is the religion of the world, for all peoples and ages, destined and suited for every place and time. And most universal is that Church, which has expressed most purely in its confession this international and cosmopolitan character of the Christian religion.

The universality of the Christian religion is a direct reflection of the unity of God, which is taught therein. God is one, and therefore His words and works can never be in conflict, the one with the other. All things have their connection, their system in His Being, His will and counsel. They exist together in the Son, Who is the image of the invisible God, the firstborn of all creatures, through Whom and to Whom they were created. This Son is also the Christ; the way, the truth and the life, without Whom no one can come to the Father; the only name, given under heaven, whereby man must be saved; the Head of the congregation, in Whom dwells all the fullness of the Father, that He through Him, having made peace through the blood of the cross, should reconcile all things to Himself, be it things on earth or things in heaven.

Christianity is therefore an absolute religion, the only true religion. It will have no other religions of more or less the same value beside itself. By nature it is intolerant, like truth must at all times be intolerant of the lie. It is not even satisfied with being the first of all religions. It claims to be the real, full religion, which absorbs and fulfills all that is good in other religions. For Christ is not a man beside others, but the Son of men, Who by His resurrection declared to be the Son of God with power, according to the spirit of holiness, by the resurrection from the dead. He received from the Father a name above every name, and for that name every knee must bow and all tongues confess that He is Lord, to the glory of God the Father.

In this unity we find the catholicity of the Christian religion implied. While there is but one God, He is the Creator of all things. Because there is but one Mediator of God and man, He is the Saviour of the whole world.

And because there is but one Spirit, proceeding from the Father and the Son, He guides in all truth, is the only Teacher in the Church, the all sufficient Comforter of all believers.

Holy Scripture preaches this universality of Christianity in a clear and fair manner. The Father loved the world and therefore sent His only begotten son, that whosoever believeth in Him should not perish but have everlasting life. In the Son God reconciled the world unto Himself, not imputing their trespasses unto them. Christ Himself came to earth, not to condemn the world, but to save it. He is the light, the life, the Saviour of the world, reconciling not only our sins, but the sins of the whole world. In Him, all things in heaven and on earth are reconciled with God, and are gathered into one. The world that was made by the Son, is also destined for the Son as its heir. At one time all kingdoms shall be of our God and His Christ.

This great, glorious truth has many a time been denied and misjudged. There have been throughout the ages many Christians, we still have them with us, who see the significance of the gospel for the religious moral life, but restrict its influence for the natural life, and see no use for it in the family, for society and state, for science and art. Yes, many were of the opinion, that creation was an enemy of re-creation, that grace set nature aside, and therefore the best Christian was the man of world-flight, who confined himself to loneliness.

Exponents of unbelief made use of this and said that Christianity is an enemy of culture, and therefore not fitting for this day and age. It may have been of great use at one time, and at the present time it may be of use for depressed spirits; but for humanity in general, Christianity is outdated and vanishing. Civilization, science, the arts, trade, industry - they are the gods, which go before us and deliver us from bondage. But the gospel of Christ is finished; His kingdom is not of this world and has no message for today. Religion may be of some use for the inner room; in everyday life there is not any longer a place for it. Religion and politics do not mix. In the schools of science, the temples of art, in the counselling chambers of the nation the Almighty is not needed. Liberating the world from religion and divine things will be continued until the end.

There is a truth in this way of reasoning, that we may not deny. Jesus came indeed to earth, and assumed our natural life, but He took it upon Himself to deny it again on the cross. He was not married, exercised no trade in society and held no office in the state government. He was no man of science and no artist. All of His life was a sacrifice, which was completed when He gave Himself up to death. He came to die. Death was the purpose of His life. He Himself witnessed of this, when He said, he did not come to be served, but to serve and give his life a ransom for many.

He did not just do that for Himself, He required from His disciples to follow Him and walk in His steps. We must take up our cross, if not, we cannot be His disciples. He who will keep his life, shall lose it, but whosoever shall lose it for Christ's sake, will find it. If we love father and mother more than Christ, we are not worthy of Him, but he who leaves everything for His name's sake, shall receive a hundred fold, and inherit life eternal. In order to enter into the kingdom of heaven, the offending eye must be plucked out and the offending hand and foot cut off, for it is better to enter heaven without hands and feet, than to be cast into hell fire.

We may take nothing from this grave demand of the gospel of the cross. The gospel may be for man, it is in no respect to man's liking. To make it palatable for the spirit of the age, the ideas of the day, is robbing it of its power, and will be a disappointment, when we think this to be the way to make it accessible. For Christ was in no way a political leader, nor a reformer of society. His gospel is not suited to serve a social program; Scripture is no law book nor a manual for art or science; the proclamation of the Word is no preaching of human wisdom; the government of the Church is no display of power; the diaconate is no institution to solve the problem of poverty. Christ did not come, nor was His Word given for any of this. Christ is Saviour, that is His name and His work, nothing more, nothing less. His sacrifice is an atonement for sin. His gospel a glad message for salvation. His Church is a communion of saints. Christianity is religion, no philosophy.

But then, that is indeed what it is, fully and completely, the true, real, full religion. Restoration of the right relationship with God, and therefore to all creatures. Christ is Saviour, nothing else; but He is that so perfectly, that His gospel is the power of God unto salvation, for all who believe.

Therefore He rejects no one. The rich he sends away empty, but the poor He fills with goods. He speaks out a threefold 'Woe" over the Pharisees who think that their own righteousness is sufficient. But when on earth He invites publicans and sinners to come to Him, He heals the sick, He makes the lame to walk, He cleanses lepers, He opens the eyes of the blind, He raises the dead, He blesses little children, He proclaims the gospel of God's kingdom to the poor, and doing good and spreading blessing He traveled through the country side.

In all this He is human with humanity. Not like John the Baptist, who came eating and drinking, and was called a glutton and a winebibber. Jesus was at Cana's wedding, took invitations to eat and drink with people, forbade His disciples to fast, portrayed the coming of future salvation like a celebration, and promised His disciples the last night of his life on earth, that He would no more drink with them of the fruit of the vine until He would drink it with them in the kingdom of His Father.

He acknowledged and reverenced the ordinances of natural life in all areas, for He did not come to destroy the works of the Father, but those of the devil. He paid taxes, refused to arbitrate between two brothers who quarrelled about an inheritance, commanded that Caesar should receive that which is his, told the people to be subject to those who sit in Moses' seat, and forbade His disciples to make use of the sword even under most trying circumstances. He never encouraged to resist, words of love always came from His tips. Love your enemies; bless those that curse you; do well to those who hate you; and pray for those that persecute you.

Nature He loves with childlike joy. He enjoys its beauty and is refreshed when He sees its beauty. He has an open eye for the grass that grows out of the earth and the lilies of the field, for the birds of heaven and the fishes in the sea. Vine and figtree, mustard seed and the grain of wheat, grape and thorn, fig and thistle, field and flock, catching fish and business acumen served Him for examples and parables, when He taught about heavenly things. All of nature speaks Him of the Father which is in heaven and Who lets His sun rise over the good and the evil, and rains on the just and the unjust. And so little does He disparages all luxury, that when Mary anoints Him with precious ointment, He does not complain about any waste to His disciples, but accepts the costly token of honor with gratitude.

And last but not least - Jesus did indeed laid down natural life, for our sakes, but He took it again and rose from the dead. When in His flesh He bore our sins on the cross, and thus freed natural life from its guilt and curse, He made it again His possession, but now reborn, spiritualized, sanctified. Christ's bodily resurrection from the dead is sufficient evidence, that Christianity is no enemy of humanity or the natural, but it will only redeem it of all that is sinful and sanctify creation unto God.

That is the way Jesus' disciples have to go. if we would follow Jesus, we must leave everything, but we receive all of it back again, thirty, sixty and a hundred fold. "For if we have been planted in the likeness of his death, we shall be also in the likeness of his resurrection" (Rom. 6: 5). If we suffer with Him, we will also be glorified with Him, not first in heaven, but already here on earth. For the believer has eternal life and is renewed from day to day. From the cross to the crown, through death to life - that is the way, for both Jesus and His disciples.

That is why through death, everything returns to them in the resurrection. Being dead and raised with Christ, from now on they live the time of the flesh by faith in the Son of God, Who loved them and gave Himself for them. Although crucified to the world, they remain in the world, but are kept by the Father from the evil one. They remain in the calling wherewith they are called. The Jew who is converted to the Lord, has no need to put on the foreskin, while the Greek who comes to faith, does not have to be circumcised. The servant remains a servant, even though he is the lord's freeman. He who was free remains free, although he is Christ's servant. The unbelieving man is sanctified by the believing wife, and the unbelieving wife is sanctified by the husband.

All natural ordinances remain; they are not cast down but recreated by the Spirit. For the kingdom of heaven is not food and drink, but righteousness, peace and joy in the Holy Ghost. "For every creature of God is good, and nothing to be refused, if it be received with thanksgiving. For it is sanctified by the word of God and prayer" (1 Tim. 4: 4). Believers have only to think of, 'Whatsoever things are true, whatsoever things are honest, whatsoever things are just, whatsoever things are pure, whatsoever things are lovely, whatsoever things are of good report" (Phi]. 4: 8). It remains that everything is theirs, for they are Christ's and Christ is God's.

That is why godliness is profitable for all things, not only for the life to come, but also for the present life. When we look for the kingdom of God and its righteousness, all the other things are given us. The best Christian is the best citizen. With his confession he is not outside or above natural life. He takes his confession with him into the world, and everywhere he plants the banner of the cross. The gospel of Christ is a joyous message for all creatures, for mind and heart, for body and soul, for family and society, for science and the arts. For it delivers from guilt and redeems from death. It is a power of God unto salvation, for everyone who believes.

x
This website is using cookies. Accept