De offerande des Lofs (1e druk) The Sacrifice of Praise

7. De plicht ter belijdenis

7. The Duty to Confess

79

Want gij zijt duur gekocht; zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en geest, welke Godes zijn.

1 Cor. 6 : 20.


Belijden heeft wel in het hart zijn wortel en oorsprong, maar is toch zelf naar zijn aard en karakter een zaak van den mond, een werk van de lippen.

Er zijn echter velen van meening, dat bij het belijden het laatste bijkomstig en een willekeurig toevoegsel, in elk geval een overtollig goed werk is. En zij weten deze meening met schoone redenen te versieren: bij het persoonlijk geloof in Christus en voor de zaligheid der ziel komt het op het hart, maar niet op uitwendig lippenwerk aan. Zwijgend belijden en in stilte getuigen heeft meer waarde en draagt rijker vrucht dan het spreken van groote woorden en het bezigen van vrome termen. Jezus heeft zelf gezegd: niet een iegelijk, die tot mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil mijns Vaders, die in de hemelen is. Beter is 80 het, in de binnenkamer voor God te belijden, dan om in het openbaar met de waarheid te koop te loopen en de parelen voor de zwijnen te werpen. Het koninkrijk der hemelen is immers ook n iet van deze wereld, het komt niet met uitwendig gelaat, het woont binnen in ons. De mensch ziet aan, wat voor oogen is, maar de Heere ziet het harte aan.

Tegenover de groote onwaarheid en leugen, welke er heerscht in het belijden met den mond, is deze herinnering aan de noodzakelijkheid van de bekeering des harten volkomen op hare plaats. Er is eene schrikkelijke huichelarij in het werk der lippen ingeslopen. Er is eene ten onrechte zoogenoemde rechtzinnigheid, welke in het uitwendig en verstandelijk aannemen der leer den grond der rechtvaardiging voor Gods aangezicht zoekt. Werkheiligheid is zonde, maar niet minder kwaad is de leerheiligheid, welke bovendien in hoogheid des harten doet neerzien op de schare, die de wet niet kent, en in werken der barmhartigheid en der liefde ten eenenmale onvruchtbaar is. Daarom is het tegenover alle valsche orthodoxie altijd weer roeping en plicht, om op het hart den nadruk te leggen en tot oprechtheid voor des Heeren aangezicht op te wekken. Want valsche lippen zijn den Heere een gruwel, maar die trouwelijk handelen, zijn zijn welgevallen. Hij schept geen welbehagen in een volk, dat Hem met den mond 81 genaakt en met de lippen eert, maar het hart verre van Hem houdt. Hij vraagt vaneen iegelijk mensch in de eerste plaats het hart, omdat daar uit de uitgangen des levens zijn. Christen te wezen, bestaat niet daarin, dat men groote woorden spreke, maar dat men met God groote daden doe.

Doch dit alles neemt in het minst niet weg, dat de Heilige Schrift aan het getuigenis der lippen zeer groote waarde hecht en op de belijdenis des monds gansch bijzonder gesteld is. Er is geen boek dat even onbeschroomd als de Schrift alle huichelarij ontmaskert, en tegelijk zoo hoog de beteekenis van het woord en de kracht der getuigenis schat.

Spreken is niet meer of minder dan eene wezenlijke eigenschap Gods, zijn eeuwig, onveranderlijk werk. Sprekende, genereert de Vader eeuwiglijk uit zijn wezen den Zoon, die het Woord is, het gesprokene en tevens zelf sprekende Woord, dat in den beginne bij God en zelf God was, Sprekende in en door dat Woord, brengt God alle dingen uit het niet te voorschijn, onderhoudt en regeert, herschept en vernieuwt Hij ze. Zijn spreken is doen, zijn woord is kracht. Hij spreekt en het is, Hij gebiedt en het staat. Hij roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren.

Ook in dit opzicht is de mensch geschapen naar Gods beeld. Hij ontving van zijn Schepper niet alleen verstand en hart, maar ook tong en taal, en is daarom geroepen niet alleen tot denken 82 en gevoelen, maar ook tot spreken en getuigen. Zijn spreken moet een loven zijn, een verkondigen van de groote werken Gods. Zoo loven Hem de engelen, als zij, staande voor den troon, de een tot den ander zeggen: heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen, de gansche aarde is van zijne heerlijkheid vol! Zoo prijzen Hem de gezaligden, als zij zingen het gezang van Mozes, den dienstknecht Gods, en het gezang des Lams, zeggende: groot en wonderlijk zijn uwe werken, Heere, Gij almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn uwe wegen, Gij Koning der heiligen; wie zoude U niet vreezen, Heere, en uwen naam niet verheerlijken? Ja, telkenmale worden in de Heilige Schrift alle schepselen opgeroepen, om den naam des Heeren te loven. Looft den Heere, alle zijne heirscharen, gij zijne dienaars, die zijn welbehagen doet! Looft den Heere, alle zijne werken, aan alle plaatsen zijner heerschappij! Loof den Heere, mijne ziele!

Te midden van al die sprekende en lovende schepselen mag de mensch niet zwijgen, die het woord tot uiting zijner gedachte ontving. Hij kan ook niet zwijgen. Zijn zwijgen zelfs wordt voor toestemmen gerekend. Neutraliteit is voor den mond even goed als voor het hart onmogelijk. Wie Christus niet belijdt, verloochent Hem. Het zwijgen gaat welhaast in twijfel, ongeloof, vijandschap over. De tong is een vuur, eene wereld der ongerechtigheid; zij besmet het geheele lichaam, ontsteekt het rad 83 onzer geboorte en wordt ontstoken van de hel; zij is ontembaar, een onbedwingelijk kwaad, vol van doodelijk venijn. Als wij door haar God en den Vader niet loven, dan vervloeken wij door haar de menschen, die naar de gelijkenis Gods zijn gemaakt.

Daarom is het er God bij de herschepping ook om te doen, dat de mensch weer spreke en love en zijne deugden verkondige. God verlost de tong niet minder dan het hart, de taal evengoed als de gedachte. Hij maakt den mensch weer vrij naar ziel en lichaam beide, en maakt ook zijne tong weer los en opent zijne lippen. Hij vervult den mond met gelach en de lippen met gejuich. Gedachte en woord behooren ook bijeen en kunnen niet gescheiden worden; het woord is de voldragen, de tot vrijheid en zelfstandigheid gekomen gedachte. De gedachten in het binnenste van den mensch zijn als het ware de takken, en de woorden zijn daarvan de bloesems en vruchten, welke door mond en lippen heen uitspruiten en tot rijpheid komen. En ook van deze vrucht der lippen, bestaande in offeranden des lofs, is God de Schepper en Formeerder.

Dies bidden ook de vromen des Ouden Testaments: Heere, open mijne lippen, zoo zal mijn mond uwen lof verkondigen. Laat mijn mond vervuld worden met uwen lof, den ganschen dag met uwe heerlijkheid. Als God zijnen Geest uitzendt, wordt Mozes' bede verhoord, dat al het volk Gods 84 profeten mochten zijn. Dan beginnen zonen en dochteren, jongelingen en ouden van dagen, dienstknechten en dienstmaagden te profeteeren, en een iegelijk in zijne taal de groote werken Gods te verkondigen. Dan is zwijgen onmogelijk. De mond loopt over van wat het hart vervult: van U, Heere, zal mijn lof zijn in eene groote gemeente. Ik zal U met mijn gansche hart loven. Ik zal den naam des Heeren, des Allerhoogsten, psalmzingen; Ik zal al zijne wonderen vertellen. Ik zal Hem loven onder de volken, Ik zal den Heere loven ten allen tijde; zijn lof zal geduriglijk in mijnen mond zijn. Ik zal Hem loven in eeuwigheid.

Zoozeer is God op deze vrucht der lippen gesteld, dat Hij tegenover degenen, die Hem smaden en lasteren, zelfs uit den mond van kinderen en zuigelingen zich lof bereidt en sterkte grondvest. Als de discipelen zwijgen, zullen de steenen haast roepen. God eischt den ganschen mensch opvoor zijn dienst. Hij wil, dat de mensch Hem liefhebben zal met verstand en hart, met mond en tong en alle krachten. En als de mensch vanwege de zonde Hem zijne eere onthoudt, dan is Hij het zelf; die door Christus uit de wereld eene gemeente vergadert, welke de deugden verkondigt Desgenen, die haar uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht. Het is God zelf, die zijn volk daartoe roept en verplicht, bekwaam en gewillig maakt. Hij drijft er hen toe aan door zijn Geest, 85 want deze leidt hen in de waarheid, doet hen Jezus als den Heere belijden, getuigt in hen van hun kindschap en doet hen luide roepen: Abba, Vader. Omdat zij duur zijn gekocht, voor, den prijs van het bloed des Zoons, zijn zij geroepen, om God te verheerlijken in hun lichaam en geest, welke Godes zijn.

Deze plicht der belijdenis van 's Heeren naam rust op iederen geloovige. In het belijden met den mond komt uit, of wij het meenen, of het ons heilige ernst is, of de liefde Gods ons gaat boven de vriendschap der wereld. Het is de proef op de som, de ijk op het geloof, de kroon op het werk Gods in ons. In het belijden keert door de opening der lippen tot God weer, wat Hij uit genade door zijnen Geest aan geloof en liefde in onze harten gewrocht heeft. Het is geen harde plicht, geen zwaar gebod, maar een liefdedienst die nooit verdriet, een zalig voorrecht, een hooge eere. Er bestaat voor een menschenkind geen heerlijker werk, dan om God te mogen belijden en zijnen lof te verkondigen.

Zulk een voorrecht is het belijden voor den enkelen geloovige, en dat is het eveneens voorde gemeente in haar geheel. Zij gelooft, daarom spreekt zij. Zij belijdt door de eeuwen heen. Zij geeft tegenover vriend en vijand rekenschap van de hope, die in haar is. Haar getuigenis is als eene stemme veler wateren. Zij spreekt haar geloof uit in hare 86 samenkomsten en godsdienstige handelingen, in hare gebeden en zangen, in hare werken van barmhartigheid en gaven der liefde. 'Zij belijdt altijd en overal. Zij is en kan niet anders zijn dan eene belijdende gemeente.

Hoogst eenzijdig is het, bij de belijdenis der gemeente uitsluitend of ook zelfs in de eerste plaats aan de geschreven uitdrukking van haar geloof te denken. Zeker heeft de kerk daaraan langzamerhand om der dwalingen en der ketterijen wil behoefte gekregen. En ook als de gemeente daarmede optreedt in het midden der wereld, legt zij een heerlijk getuigenis af van haar geloof.

Geheel zonder grond is aan de gemeente van Christus dit recht, om haar geloof in geschrifte uit te spreken en voor de zuivere handhaving ervan te waken, van verschillende zijden ontzegd. Want zij doet met zulk eene geschreven belijdenis aan het woord Gods niet te kort, doch ontvouwt slechts den inhoud van dat woord naar de mate des geloofs en der kennis, welke haar in een gegeven tijd is geschonken. Zij tast er het gezag der Schrift niet mede aan, maar tracht dit er juist door te handhaven, en is er op hare hoede mede, dat de Schrift worde prijs gegeven aan de willekeur van den enkele. Zij bindt er de gewetens niet door, maar maakt deze vrij van de telkens opkomende dwalingen der menschen en streeft er naar, om alle gedachten gevangen te leiden tot de 87 gehoorzaamheid van Christus. Zij snijdt er de ontwikkeling niet mede af, maar poogt deze te houden en te leiden in het rechte spoor, in het spoor der opbouwing en niet der nederwerping. De belijdenis der kerk staat niet naast, veel minder boven, maar diep beneden de Heilige Schrift. Deze is en blijft de eenige, volmaakte, genoegzame regel des geloofs en des levens.

Ook al zou eene kerk haar geloof niet schriftelijk vaststellen, zij zou toch altijd, zoolang en voorzoover zij eene kerk is, eene belijdenis hebben. Maar als zij haar geloof beschrijft, verkrijgt zij daardoor het voordeel, dat de waarheid, in zoloverre zij die heeft erkend, ongeschonden wordt overgeleverd van geslacht tot geslacht en te beter tegen alle bestrijders gehandhaafd kan worden. Aan de belijdenis der kerk komt eene groote opvoedkundige waarde toe. De enkele groeit bij het opwassen in haar in en neemt ze straks vrij en zelfstandig over. Gelijk een kind op ieder terrein langzamerhand ingaat tot den arbeid der voorgeslachten, zoo leeft het ook van jaar tot jaar in de geestelijke erfenis der vaderen in.

Niemand begint van voren af aan. Ieder staat op de schouders dergenen, die vóór hem geweest zijn. Elk mensch teert van de schatten, welke ouders en voorouders voor hem bijeenvergaderd hebben. Alleen komt tot ons allen de eisch, om wat wij van de vaderen geërfd hebben, zelven met 88 inspanning van alle krachten te verwerven en tot ons eigendom te maken. Zoo aanvaardt ook het kind de belijdenis der kerk, opdat deze straks vrij en zelfstandig de uitdrukking worde van zijn persoonlijk geloof.

Maar daarom ook, hoe hoog de geschreven belijdenis sta, zij mag nooit worden losgemaakt van het persoonlijk geloof, en ook nimmer worden losgerukt uit den samenhang met al de getuigenissen en daden, waarmede de gemeente zich onderscheidt van en zich stelt tegenover de wereld. Zij is geen document, dat om zijne eerwaardige oudheid ons bindt. Zij draagt geen gezag, dat door het grijs verleden ons opgelegd wordt. Maar zij wordt, evenals alle andere handelingen, van oogenblik tot oogenblik door het geloof der gemeente gedragen en bezield en gaat alzoo mede van geslacht tot geslacht. Zij is heden ten dage nog onze belijdenis, niet omdat zij door de vaderen opgesteld en van hen aan ons is overgeleverd, maar omdat zij, gelijk voor hen in vorige eeuwen, zoo ook thans voor ons nog is de zuiverste uitdrukking van ons geloof, de duidelijkste uiteenzetting van de waarheid Gods, de schoonste uitstalling van de schatten des heils, welke door God in Christus ons geschonken zijn.

Van der jeugd aan tot de belijdenis der kerk opgevoed, belijden wij thans daarin ons eigen geloof.


For ye are bought with a price: therefore glorify God in your body, and in your spirit which are God's.

1 Cor. 6 20.

The root and origin of the confession are from the heart, but confessing itself is a matter of the mouth, a work of the lips. However, many think that the latter is an addition, in any case, a good work that is superfluous. And they are happy to defend their meaning, for, as they say, concerning our personal faith in Christ and the salvation of the soul, the heart is important, not what we say. Silently confessing and witnessing in the quiet is of more value and bears richer fruit than speaking great words and the use of pious terms. Jesus Himself said, "Not everyone that saith unto me, Lord, Lord! shall enter into the kingdom of heaven, but he that doeth the will of my Father, which is in heaven" (Matt. 7: 21). It is better to confess God in the inner room, than to do so in public, and cast your pearls before swine. For the kingdom of heaven is not of this world, it does not come with observation, it is within us. Man looks at the outside, but the Lord looks at the heart.

Over against the great lie which often dominates confessing with the mouth, the reminder of the necessity of a converted heart is wholly in its place. The confession of the mouth is often rife with hypocrisy. There is a so- called orthodoxy, which seeks to be justified before the Lord, by an outward and intellectual acceptance of the doctrine. We will not be saved by works, but neither by doctrine, which also looks down at the multitude, that does not know the law, and is unfruitful in the works of mercy and charity. That is why it is our duty and calling, over against a false orthodoxy, to emphasize uprightness before the face of the Lord. For "Lying lips are an abomination to the Lord: but they that deal truly are his delight" (Prov. 12: 22). The lord is not pleased in a people that honors Him with their lips, but their heart is far from Him. The Lord requires the heart of men in the first place, for from it are the issues of life. It is not for the Christian to speak great words, but to do great things for and with the Lord.

But this does not mean that Holy Scripture does not attach great value to the witness of the lips and the confession of the mouth. There is no book that exposes all hypocrisy like Scripture, and at the same time speaks so highly of the significance of the word and the power of testimony.

Speaking is nothing less than one of God's essential attributes, His eternal, unchangeable work. Speaking, the Father generates from eternity from His Being, the Son, Who is the Word, the spoken and at the same time the speaking Word, which was in the beginning with God, which was God. Speaking in and through that Word, the Lord creates all things from nothing, and at the same time He maintains, rules, recreates and renews them. His

Word is action, His Word is power. He speaks and it is, He commands and it stands fast. He calls things, that are not, as though they were.

In this respect also, man is created after the image of God. He received from His Creator not only mind and heart, but also the tongue and language, and is therefore called upon, not only to think and feel, but also to speak and witness. His speaking must be praise, a proclamation of God's mighty works. That is how the angels praise Him, when they, standing before the throne, call out, the one to the other: holy, holy, holy is the Lord God of hosts, all the earth is filled with His glory! That is how the saved praise Him when they sing 'the song of Moses, the servant of God and the song of the Lamb, saying, "Great and marvelous are thy works, Lord God Almighty; just and true are thy ways thou King of saints. Who shall not fear thee, 0 Lord, and glorify thy name?" (Rev. 15: 3, 4). Yes, repeatedly God's creatures are by Scripture called upon to praise the name of the Lord. "Bless the Lord all ye his hosts; ye ministers of his, that do his pleasure! Bless the Lord, all his works in all places of his dominion! Bless the Lord, 0 my soul" (Ps. 103: 21, 22).

Men, who received the word to utter his thoughts, may not be silent in the midst of those praising and God glorifying creatures. He cannot be silent. Even his silence is counted for consent. Neutrality for the heart, as for the mouth, is impossible. Not to confess Christ, is to deny Him. Silence will shortly turn into doubt, unbelief and enmity 'The tongue is a fire, a world of iniquity; it defiles the whole body, and setteth on fire the course of nature; and is set on fire of hell. It is an unruly evil, full of deadly poison. Therewith bless we God even the Father, and therewith curse we men, which are made after the similitude of God" (James 3).

That is why in re-creation, the Lord will have men speak and proclaim His virtues. God redeems the tongue not less than the heart, language as well as thought. Men's soul and body are both liberated, and his tongue is loosened to speak. He fills the mouth with laughing and the lips with singing. Thought and word belong together and cannot be separated. The word is the finished thought that has become independent and free. The thoughts within men are as it were the branches, and the words are the blossoms, which through the lips and mouth come to fruition. Also of these fruits of the lips, consisting of the sacrifices of praise, God is the Creator.

That is why the godly in the Old Testament pray: Lord, open my lips, so shall my mouth proclaim thy praises. Let my mouth be filled with Thy praise, all the day with Thy glory. When the lord sends forth His Spirit, Moses' prayer, that all the people may be prophets, is heard. Then sons and daughters, old people and servants begin to prophecy, each in his own tongue proclaims the mighty works of God. At such a time silence is impossible, the mouth runs over with the things of the heart. I have not concealed thy loving kindness and thy truth from the great congregation. I shall praise thee with all my heart. I shall sing psalms to thy praise, 0, most high; I shall tell of all thy wonders. I shall praise Him among the nations, I shall praise Him at all times; His praise shall be in my mouth continually. I shall praise Him evermore.

The Lord values the fruit of the lips so much, that over against enemies that dishonor His name, He ordains strength from the mouth of sucklings and babes, Ps. 8: 2. When the disciples are silent, the stones almost call out. The Lord demands all of our lives for His service. He wants men to love Him with heart and mind, with mouth and tongue and all their strength. When men because of sin withholds honor from the Lord, it is He Himself Who through Christ gathers a Church, which proclaims the virtues of Him, Who called her from darkness into His marvellous light. It is God Himself Who obliges and calls, enables and makes His people willing. He urges them by His Spirit, for the Spirit leads them into all truth, makes them confess Jesus as Lord, testifies in them of their adoption to children and makes them call out: Abba Father. Because they are bought for a price, the blood of the Son of God, they are called to glorify God with body and soul which are God's.

It is the duty of every believer to confess the name of the Lord. In confessing with the mouth it becomes clear whether we are serious about it, whether the service of the Lord means more to us than the friendship of the world. It is the crown upon God's work in us. In confessing by the mouth, returns again to God, what through grace and love He worked in our hearts. It is no hard duty, no command difficult to follow up, but a service of love, a blessed privilege, a great honor. For the children of man there is nothing more glorious, than to be able to confess God and proclaim His praises.

It is the privilege of the individual believer, but also of the congregation as a whole. God's people believe and therefore they speak. The congregation confesses all through the ages. To enemy and friend she gives a reason for the hope that is within her. Her witness is as the voice of many waters. She speaks about her faith in assemblies and other religious duties, her prayers and songs, in her works of mercy and gifts of love. She is, and cannot be anything but a confessing congregation.

When the Church makes confession of her faith, it would be very one-sided to think only of the written expression of that faith. It is certain that because of errors, written confessions are needed. Even when the Church comes to the world with its written confessions, that too is a glorious witness of her faith.

The right of the congregation to confess its faith in writing, in order to be able to maintain its purity, has been denied from several sides, and we think altogether without basis. For with a written confession she does not curtail the Word of God in any way, but only develops the content of the Word, after the measure of faith and knowledge, that was given her at certain times. The authority of the Word is not at all affected, but an attempt is made to maintain the truth, that Scripture shall not be given into the hands of some who would use it to please self. With her written confessions she does not bind the consciences, but makes them free from the repeatedly returning errors of men, and strives to lead every thought captive to the obedience of Christ. Development is not cut off, but an attempt is made to keep and lead in the right track, a way that builds up and does not destroy. The Church places the confession not beside, much less above Scripture. Scripture is, and remains the only, perfect, sufficient rule of faith and life.

Is a Church without a written confession, she would always, as long and in as far she is Church, have a confession. But when she describes her faith, she has the advantage, that the truth, in as far as by her acknowledged, can be delivered from generation to generation and better maintained against all error and heresy. The confession of the Church has great educational value. The individual, growing up in the Church, takes these in, freely and independently. Like a child in all areas gradually entering into the labours of former generations, so it identifies itself from year to year with the spiritual inheritance of the fathers.

No one begins anew. We all stand on the shoulders of those that went before. Everyone lives off the treasures gathered by the forefathers. Only to us comes the demand, with great effort to make into our own possession, whatever we inherited from the fathers. That is how the child accepts the confession of the Church, in order that this confession may become the free and independent expression of its personal faith.

But therefore, no matter how important the written confession may be, it may never be separated from the cohesion with all the testimonies and acts, wherewith the congregation is distinct from the world and places itself against the world. It is not a document that binds us because of its age. it bears no authority laid upon us by the distant past. But she is, with all other acts, from moment to moment inspired by the faith of the congregation, and accompanies her from generation to generation. At the present it is still our confession, not because it was framed by the Fathers and by them delivered to us, but because, like it was for them in another age the most pure expression of God's truth, so for us it is the most beautiful demonstration of the treasures of salvation, which are given us by God in Christ.

Brought up from our earliest days with the confession of the Church, we now confess therein our own faith.

x
This website is using cookies. Accept