De offerande des Lofs (1e druk) The Sacrifice of Praise

8. De tegenstand der belijdenis

8. Resisting the Confession

89

Maar ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mensch.

Gal. 1 : 11.


Belijden gaat in tegen vleesch en bloed, tegen wereld en satan.

Van nature staat ieder mensch vijandig tegen de verkondiging van Jezus als den Christus over. Den oppervlakkige kan het vreemd toeschijnen, dat het evangelie ten allen tijde zoo sterken tegenstand heeft ontmoet. Het is toch eene blijde boodschap voor alle creaturen; het spreekt van niets dan genade en vrede en zaligheid; het eischt niets en geeft alles. En toch vindt het overal verzet en vijandschap; den Joden is het eene ergernis enden Grieken eene dwaasheid. Voor den mensch moge het zijn, maar naar den mensch is het niet. Het is niet zoo, als het zijn zoude, wanneer menschen het hadden uitgedacht; het is van Goddelijken oorsprong en daarom niet in overeenstemming met de gedachten en wenschen, met de lusten en neigingen van den mensch. Verstand en hart, 90 begeerte en wil, ziel en lichaam komen tegen het evangelie van Christus op. En in dat verzet wordt de mensch van buiten af door heel de wereld, door het gansche rijk der duisternis gesteund.

Er is zeker verschil in de omstandigheden. Veel minder ernstig is de tegenstand in dagen van vrede en rust, dan in tijden, wanneer de gemeente door de wereld verdrukt en vervolgd wordt. Er behoort meer moed toe, om voor Christus uit te komen, in eene goddelooze omgeving van zondaars en spotters, dan in een kring van verwanten en vrienden, die saam de waarheid belijden. En er is sterker geloofskracht toe noodig, om zich het kruis van Christus niet te schamen, in een kring van aanzienlijken en geleerden, dan te midden van eenvoudige lieden op een afgelegen dorp.

Maar in beginsel is de tegenstand toch overal dezelfde. Want vleesch en wereld en satan zijn allerwege gelijk, en de grootste en sterkste vijand, die tegen de belijdenis van Christus zich verzet, woont in ons eigen hart. De vormen, waarin de vijandschap optreedt, mogen uiteenloopen, altijd en overal is aan de belijdenis van 's Heeren naam een verloochenen van ons zelven, een dragen van het kruis verbonden. Smaad en verachting worden het deel van een ieder, die, in welken kring dan ook, met de wereld breekt en Jezus gaat volgen.

Zelfs als het geloof in het hart is gewerkt en tot belijden dringt, hoeveel is er dan nog, dat 91 telkens weer de lippen gesloten en van het vrijmoedig uitkomen voor Jezus' naam terughoudt!

Ziet het maar in Petrus, die in de ure des gevaars zijn Meester verloochent en, later nog in Antiochië uit vrees voor de broeders uit de besnijdenis aan geveinsdheid zich schuldig maakt. En Petrus was toch de voornaamste der apostelen, die om zijne heerlijke en vrijmoedige belijdenis van Jezus' Messiasschap den naam van Rots ontving, en die door zulke vurige liefde aan zijn Heiland zich verbonden gevoelde, dat hij met Jezus in den dood wilde gaan en de mogelijkheid eener verloochening verre van zich wierp. Als hij vallen kon en gevallen is, wie zal dan staande blijven? En voor wien is de waarschuwing overbodig, dat hij, die meent te staan, toezie dat hij niet valle?

De geschiedenis der Christelijke kerk houdt vele schoone voorbeelden van standvastig martelaarschap ons voor oogen, maar zij weet ook te verhalen van duizenden bij duizenden, die in de ure der verzoeking het geloof verloochenden of langs slinksche wegen aan de belijdenis zich onttrokken. Als verdrukking of vervolging komt om des woords wille, wordt terstond geërgerd degene, die het woord eerst wel hoorde en met vreugde ontving, maar die geen wortel heeft in zichzelven en slechts is voor eenen tijd.

Er zijn zoovele gevaren, waaraan de geloovige blootgesteld is; zoovele klippen, waarop hij dreigt 92 te stranden. Begeerlijkheid der oogen, begeerlijkheid des vleesches en grootschheid des levens; vreeze voor het verlies van naam en eere, van goed en bloed, spannen zich beurtelings of te zamen in, om den discipel van Jezus af te rukken van de vastigheid des geloofs. En onder al deze beproevingen en verzoekingen oefent de zoogenaamde valsche schaamte misschien nog de meeste kracht. Want ook als de verdrukking en vervolging voorbij is, werkt zij voort en doet hare duizenden en tienduizenden vallen. In lage en in hooge kringen, onder armen en rijken, te midden van geringen en aanzienlijken stelt de valsche schaamte aan de belijdenis van 's Heeren naam hare zware hindernissen in den weg.

Daar is iets diep vernederends in, dat wij ons eigenlijk in den grond van ons hart voor Jezus schamen. Want Hij was een mensch, die het land doorging, goeddoende en zegenende; die zachtmoedig was en nederig van harte; en die wel gestorven is aan een kruis, maar ook, zijne wederpartijders rechters zijnde, gansch onschuldig tot dezen smadelijken dood werd veroordeeld. Er moet iets bij ons niet in orde zijn, wij moeten zedelijk krank zijn, als wij voor zulk een mensch ons schamen en zijn naam niet op onze lippen durven nemen.

Schaamte is in het algemeen een onaangenaam gevoel, dat zich bij ons met een zekeren toestand of handeling verbindt, als daardoor anderer achting 93 voor ons verminderd wordt. Zij kan iets goeds zijn. Als Adam na zijne overtreding van Gods gebod zich schaamt, bewijst hij daarmede, dat hij zijne daad als een kwaad gevoelt en besef heeft van zijn val. Schaamte is volstrekt niet altijd eene vrucht des geloofs, maar komt ook voor bij den natuurlijken mensch en strekt ten bewijze, dat de mensch door de zonde geen dier en geen duivel geworden is, maar dat hij mensch gebleven is en nog een gevoel van zijne waardigheid en eere heeft overgehouden.

Doch naast deze ware en goede, bestaat er ook eene valsche, verkeerde schaamte. Zij komt dan bij ons voor, als wij ons verlegen gevoelen over iets, dat in zichzelf goed is, maar toch in de schatting van anderen ons kan doen dalen. Zoo schamen wij ons menigmaal over de goede indrukken, welke de prediking des evangelies in ons achterlaat; over de beschuldigingen van ons geweten; over het berouw, dat na eene zondige daad in ons opkomt; over de weekhartigheid en aandoenlijkheid, die zich in sommige omstandigheden van ons meester maakt. Wij zijn bevreesd, dat anderen, dit bemerkende, er ons om verachten en bespotten zullen; dat zij ons zwak, flauw, kinderachtig zullen vinden; dat wij er onzen naam van moedige, krachtige menschen door verliezen zullen.

Deze valsche schaamte nu is het, welke ons menigmaal ook ten opzichte van het evangelie des kruises overvalt. Wij schamen ons over de 94 gemeente, welke uit niet vele wijzen en machtigen en edelen bestaat. Wij schamen ons over den Bijbel, die zoo vreemd en zoo wonderlijk is en door de mannen van beschaving en wetenschap verworpen en bestreden wordt. Wij schamen ons over Christus, die beweerde de eeniggeboren Zoon van God, de Gezalfde des Vaders te zijn. Wij schamen ons over zijn kruis, dat den Joden eene ergernis en den Grieken eene dwaasheid was. Wij schamen ons over heel de bijzondere openbaring Gods, welke ons aan onszelven ontdekt en in onze geestelijke armoede tentoonstelt.

En wij maken ons bezorgd, dat wij, ons aan de zijde van Christus scharende, onzen naam en onze eere als mensch bij onszelven en bij anderen geheel verliezen zullen en een voorwerp zullen worden van verachting en spot, van smaad en verdrukking. Wij vreezen, dat door de belijdenis van Christus onze waardigheid, onze persoonlijkheid, ons mensch-zijn benadeeld zal worden en schade zal lijden.

Zelfs aan de valsche schaamte ligt dus nog een donker besef ten grondslag, dat wij eenmaal naar Gods beeld geschapen zijn en een zekeren stand en eere hebben op te houden. De achting van zichzelf en van anderen is ten slotte aan niemand onverschillig, omdat hij in zijn diepsten val nog mensch blijft en den naam van mensch, dat is van Gods beeld en gelijkenis, blijft dragen. 95

Maar dit besef werkt onder invloed der zonde thans in averechtsche richting. Want het is wel zoo, dat wij, aan Christus ter zaliging ons overgevende, in achting bij onszelven en bij anderen dalen en heel onzen naam en onze eere bij menschen verliezen. Maar die achting berust op een waan, en die waan en die eere zijn op eene inbeelding gebouwd. Immers houden wij onszelven van nature voor rijk en verrijkt en geens dings gebrek hebbende. Doch als wij het evangelie omhelzen, zien wij in, dat wij arm en blind en naakt zijn en alles behoevende.

En zoo ook is onze eere bij menschen voor het grootste gedeelte aan onkunde en vertoon te danken. De kunst in den omgang met menschen bestaat daarin, dat wij ons eigenlijke, ware wezen verbergen en hen een oordeel over onzen persoon laten vormen naar ons uitwendig, aangeleerd gedrag. God is waarachtig, maar alle mensch is leugenachtig; hij spreekt niet altijd onwaarheid, maar hij is onwaar; hij is leugenachtig in zijn bestaan zelf. Zijn en schijn, wezen en openbaring, innerlijk en uiterlijk zijn bij hem in tegenspraak. Terwijl de mond soms overvloeit van liefde en het gelaat niets dan vriendschap toont, komen uit het hart des menschen voort booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringen. De heilige, die den mensch innerlijk kende en tot op den bodem zijns harten 96 doorzag, zou van hem in ontzetting wegvluchten. En onvergelijkelijk groot is de liefde van Christus geweest, die wist wat in den mensch was en desniettemin hem opzocht en zich voor hem overgaf in den dood.

Zoo leven wij eigenlijk bij ons zelven en bij anderen in een waan en eene inbeelding. Wij geven, goed beschouwd, als wij gelooven in Christus, niets wezenlijks prijs, want we hebben niets wezenlijks. Wij geven alleen den waan prijs, dat wij leven, dat wij rijk en verrijkt zijn, dat wij geens dings gebrek hebben. De schrikkelijkste ellende der zonde bestaat nog niet daarin, dat wij blind zijn, maar zij is hierin gelegen, dat wij, blind zijnde, nochtans meenen, dat wij zien. Zonde is schuld en smet en schande, maar zij is ook nog dwaasheid en onverstand.

En die waan wordt bij ons door het woord des Heeren verstoord. Die inbeelding moeten wij afleggen, als wij door Christus behouden willen worden. Want Christen te worden — dat is eigen en anderer oordeel voor niets te achten, het oordeel Gods over zichzelf te aanvaarden en alleen op zijne genade te hopen. De belijdenis van Christus sluit in, dat wij onszelven en alles verliezen, onzen naam en onze eere, ons goed en ons bloed, onze ziel en ons leven. En het is juist daartegen, dat de valsche schaamte zich verzet. De zucht tot zelfbehoud, in schijn, dringt en drijft den mensch, 97 om met inspanning van al zijne kracht het evangelie te weerstaan.

Het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God; het onderwerpt zich der wet Gods niet, het kan ook niet. De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. En hij verstaat ook niet, dat zelfverlies de eenige weg is tot waarachtig zelfbehoud.


But I certify you, brethren,

that the gospel which was preached of

me is not after man.

Gal. 1: 11.

Confessing is against flesh and blood, against the world and Satan. By nature, each man is an enemy of the preaching of the cross of Jesus Christ. It may seem strange to the shallow minded person, that there has always been so much resistance against the gospel. For it is a joyful message for all creatures; it speaks of nothing but grace, peace and salvation; it demands nothing, but gives everything. Yet, it finds enmity and resistance all over; it is an offense to the Jew and foolishness to the Greek. It may be for man, it is not after man. It is of Divine origin and therefore not in accordance with the thoughts and desires of men. Mind and heart, desire and will, soul and body are against the gospel of Christ. In their resistance men are supported by the world and the whole kingdom of darkness.

There certainly is a difference in circumstances. In days of peace and quiet, it is less serious, then when the congregation is oppressed and persecuted by the world. We need more courage to confess Christ, in an ungodly environment of sinners and mockers, than in the circle of relatives and friends, who together confess the truth. It needs a more courageous faith, not to be ashamed of the cross of Christ, when surrounded by the great and learned, than in the midst of common people in a distant village.

But in principle the resistance is the same all over. For flesh, the world and Satan are always the same, and the greatest and strongest enemy that resists the confession of Christ, lives in our own heart. The forms in which the enemy operates may be different, but confessing the name of Christ always demands that we deny self and bear His cross. Whoever, from which circle he may come, when he will follow Jesus, must submit to insult an contempt.

Even when faith is worked in the heart, and urges to confessing, there still be can so much that keeps the lips closed, and keeps us from boldly confessing the name of Jesus!

Look at Peter, who in a hour of danger denies his Master, and later in Antioch from fear for the brethren of the circumcision turns into a hypocrite. Yet, Peter was first among the apostles, who for his glorious and courageous confession that Jesus was Messiah, received the name of Rock. He felt so close to Jesus, had such fervent love for the Master, that he would die for the Lord, and did not think it possible he would ever deny his Lord. When

Peter could fall and did fall, who shall remain standing? And who does not need the warning: let him that thinketh he standeth, take heed lest he fall.

There are many examples in the history of the Christian Church, where we read of steadfast martyrs, but we also read of the thousands, who denied the faith in the hour of temptation. When oppression and persecution come for the sake of the Word, those, who at first heard the Word with joy, but had no root in themselves, are instantly offended, and are but for a time.

There are so many dangers to which the believer is exposed, so many rocks at which he can suffer shipwreck. The desire of the eyes, the lust of the flesh, the pride of life, fear to lose name and honor, good and blood, work together to draw Christ's disciple away from the certainty of faith. Among all these temptations, a so-called sense of false shame could be the most severe of all. For even when oppressions and persecutions are past, it continues to slay its thousands and ten thousands. Among the low and mighty, this sense of false shame kept many from confessing the name of the Lord.

There is something very humiliating in the thought, that basically, in our hearts, we are ashamed to confess Jesus. For He was a man going through the country, doing good and blessing men; Who was meek and lowly of heart; Who being innocent, died on the cross, being condemned by those who were His enemies. There must be something out of order with us, we must be spiritually sick, when we are ashamed for such a Man, and are afraid to take His name on our lips.

Shame in general is an unpleasant feeling, which connects itself with some act in us, as if the esteem from others for us becomes less. It can be something positive. When Adam after he sinned is ashamed because he trespassed the commandment, he gives evidence that he sees his act as evil and is aware that he fell. To be ashamed is not always a fruit of faith, it is also known by the natural man, and is evidence that men did not become animal or devil when he fell. He is still man, and a feeling of dignity and honour remains with him.

But beside much that is true and good, there is also a false sense of shame. It occurs when we feel embarrassed about something, which is good in itself, but can lower us in the esteem of others. We are often ashamed for the good impressions that are left from the preaching of the gospel; about the accusations of our conscience; about the sorrow that we feel after a sin committed; about emotions to which we are subject at certain times. We are afraid that others knowing about this, will despise us, and make fun of us; that we will lose the name of being courageous and strong people. It is this sense of false shame, which often surprises us with respect to the gospel of the cross. We are ashamed of the congregation, which consists not of many nobles, not many wise. We are ashamed of the Bible, which is so different and is contested by men of science and culture. We are ashamed of Christ, Who claimed to be God's only Son, the anointed of the Father. We are ashamed of His cross, which was an offense to the Jew, and foolishness to the Greek. We are ashamed of God's special revelation, which discovers us to ourselves, and shows us in our spiritual poverty.

We are also afraid when taking the side of Christ, we will lose our name and honour as men and become subject to insult and mockery, libel and oppression. We fear, that by confessing Christ, our dignity, our personality, our being human will suffer harm.

Even a sense of false shame has the dark underground, that at one time we were created in God's image and must uphold a certain honour and status. No one is indifferent to the esteem of self and of others, because in his deepest fall, man remains man, that is, he still retains the image and likeness of God.

But under the influence of sin this sense works the wrong way. For it is true indeed when we give ourselves to Christ for our salvation, the esteem of ourselves and that of others will lessen and we will lose our name and honour by men. But such esteem is nothing but delusion, and such honour and delusion are but imagined. For by nature we see ourselves as rich and enriched, having need of nothing. But when we embrace the gospel, we see that we are poor and blind and naked.

That is how the honour of men is for the greatest part nothing but ignorance and show. The art of associating with man consists in hiding our real being, so they form a judgment about our person, according to our outward, acquired behaviour. God is true, but all men are liars. Man just does not happen to speak lies, but he lives a lie; he is untrue in his very existence. Appearance and substance, being and revelation, inward and outward do contrast each other. While at times the mouth flows over with love and the countenance shows nothing but friendship, from the heart of men proceed evil surmisings, murders, fornication, adultery, theft, false witness, slanders. A saint, who knew the inner man and could see the bottom of the heart, would flee from him, horror stricken. And unforgettable is the love of Christ, Who knew man, but in spite of this looked for him and gave Himself over into death for him.

That is how we live for ourselves and others in a delusion and imagination. Well considered, we abandon

nothing, when we believe in Christ, for we have nothing. We only abandon the delusion that we are rich and

39 enriched, that we have need of nothing. The greatest misery of sin is not that we are blind, but being blind we think that we see. Sin is guilt and shame and stain, but it also is foolishness and lack of wisdom.

That delusion is disturbed in us by the Word of the Lord. If we would be saved by Christ we must do away with that delusion. For to become a Christian is to esteem the judgment of others for nothing, accepting the judgment of God upon ourselves and hope in His grace. To confess Christ includes, that we lose ourselves and all that is ours, our name and our honour, our good and blood, our soul and our life. It is exactly this that is resisted by a sense of false shame. The desire to apparent self preservation, urges and drives men to resist the gospel with all his strength.

"Because the carnal mind is enmity against God: for it is not subject to the law of God, neither indeed can be." (Rom. 8: 7). The natural man does not understand the things of God's Spirit, and he does not understand, that denial of self is the only way to true self-preservation.

x
This website is using cookies. Accept