De offerande des Lofs (1e druk) The Sacrifice of Praise

9. De kracht ter belijdenis

9. The Power to Confess

98

Daarom maak ik bekend, dat niemand, die door den Geest Gods spreekt, Jezus eene vervloeking noemt; en niemand kan zeggen, Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest.

1 Cor. 12 : 3.


Wat onmogelijk is bij de menschen, is echter mogelijk bij God. Uit Hem is al onze bekwaamheid. Alle oprecht belijden komt op uit het geloof des harten, dat eene gave Gods is, eene vrucht van de werking des Heiligen Geestes.

Al had Cristus ook alles volbracht, he t zou vruchteloos zijn geweest, indien Hij na zijne hemelvaart niet den Heiligen Geest had gezonden, die in alle waarheid leidt. Want de gansche wereld staat van zichzelve tegen Christus over en heeft de duisternis liever dan het licht. Maar de Heilige Geest is gekomen, om van Christus te getuigen in het midden der wereld. Hij is de eenige, maar ook de almachtige getuige van Christus. Allen smaden Christus, maar de Heilige Geest verheerlijkt Hem. Allen veroordeelen Christus, maar de Heilige Geest rechtvaardigt Hem. Allen verwerpen Christus, maar 99 de Heilige Geest neemt het voor Hem, op en bepleit zijne zaak bij de gewetens der menschen. Allen noemen Christus eene vervloeking, maar de Heilige Geest zegt, dat Hij de Heere is, tot heerlijkheid Gods des Vaders.

Hij getuigt van Christus in het woord, dat Hij door profeten en apostelen te boek stellen deed. Hij getuigt van Christus in de wereld, welke Hij overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Hij getuigt van Christus in de gemeente, die Hem belijdt als haar Heer en haar God. Hij getuigt van Christus in het hart van ieder geloovige, die zich daardoor een kind Gods weet en Abba Vader roept. En tegen dat getuigenis des Geestes is ten slotte niemand en niets bestand. Zoodra Hij met het woord zijne almachtige werking paart, wordt het hardste hart verbroken, de stramste knie gebogen, de stoutste mond gestopt. Voor zijn getuigenis hebben al onze gedachten en overleggingen niets te beteekenen: zij spatten als een zeepbel uiteen. Niemand, die door den Geest Gods spreekt, noemt Jezus eene vervloeking, en elk, die dien Geest ontving, belijdt Hem als zijn Heiland en Heere.

Maar ook dan, als het geloof, in het hart is geplant, blijft tegenover de velerlei verzoeking tot ontrouw altijd weer de werking des Geestes van noode, die het geloof tot belijdenis met woord en daad doet overgaan. Want het is God, die in ons, niet alleen het willen werkt, maar ook het werken naar zijn 100welbehagen. Van Hem is beide de kracht des geloofs en de vrijmoedigheid der belijdenis.

Daarom bad David, dat God zijnen Heiligen Geest niet van hem nemen en met een vrijmoedigen geest hem ondersteunen mocht. Toen Petrus en Johannes eenmaal stonden voor den hoogen raad, en daarna losgelaten zijnde, hun wedervaren aan de broederen verhaalden, hieven allen eendrachtig hunne stem op tot God, zeggende: nu Heere, zie op de dreigingen der tegenstanders en geef Uwen dienstknechten met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken. En toen het gebed geëindigd was, werd de plaats, waar zij zich bevonden, bewogen en zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest en spraken Gods woord met vrijmoedigheid. Zelfs een Paulus verzocht de voorbede der gemeente, dat hem het woord gegeven wierd in de opening zijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het evangelie bekend te maken.

Voor den dienaar des woords in de eerste plaats, maar voorts voor elken geloovige is deze vrijmoedigheid tot spreken en getuigen onmisbaar. Zij bestaat in de onversaagdheid, om in vast geloofsvertrouwen open en vrij voor elk en een iegelijk aan de waarheid Gods in Christus getuigenis te geven. Zij is gegrond in het zalig bewustzijn van de wegneming der schuld, in de vrijmoedigheid, om toe te gaan tot den troon der genade en in den gebede alles van Hem te begeeren. En zij wordt in ons 101 versterkt door de vele voorbeelden van kloeke en standvastige belijdenis, van welke schrift en geschiedenis ons verhaalt.

Daar is allereerst het voorbeeld van Christus. Hij was in zichzelf het woord, de waarheid, de volkomene openbaring Gods. En Hij kwam in eene wereld, die in het booze lag en aan de leugen dienstbaar was. Zijne verschijning alleen, zonder meer, was een protest, dat den haat en de vijandschap der wereld opwekken moest. Zij kon Jezus niet dulden. Zijn bestaan was haar oordeel. En daarom spande zij alles in, om dezen rechtvaardige van de aarde te verdelgen. Maar Jezus bleef zijn Vader getrouw en werd Hem gehoorzaam tot den dood des kruises toe. Alle verzoeking weerstond Hij, alle vijandschap verdroeg Hij, voor den Joodschen raad hield Hij zijn Goddelijk Zoonschap staande, en onder Pontius Pilatus legde Hij de goede belijdenis af. Zoo betoonde Hij zich te zijn de waarachtige en getrouwe getuige, de apostel en hoogepriester onzer belijdenis, die ons een voorbeeld heeft nagelaten, opdat wij zijne voetstappen zouden navolgen.

Daar zijn voorts de vele duizenden der engelen, tot wier gemeenschap de geloovigen gekomen zijn in Christus Jezus. Ook zij sporen aan tot volharding in den strijd. Want zij begeleidden Christus op al zijne wegen en klommen op en daalden neder op den Zoon des menschen al de dagen zijner aardsche 102 omwandeling. Zij volgen. de gemeente op haar' gang door de wereld en worden ten dienste uitgezonden van degenen, die de zaligheid beërven zullen. Zij zijn begeerig om in te zien in de verborgenheden des heils en verblijden zich over iederen zondaar, die zich bekeert. Zij worden ons in het allervolmaaktste gebed om hunne volvaardige gehoorzaamheid ten voorbeeld gesteld en moeten door ons bekend gemaakt worden met de veelvuldige wijsheid Gods.

Daar is al verder de groote wolke van getuigen, die om ons ligt, de gansche triumfeerende kerk, wier leden niet als ooggetuigen onzen kamp gadeslaan maar toch als geloofsgetuigen door hun voorbeeld ons bemoedigen en tot navolging wekken. Zij hebben voor een deel bespottingen en geeselen geproefd en ook banden en gevangenis. Maar zij hebben de goede belijdenis zich niet geschaamd en volhard tot den einde toe. En dagelijks wordt hun aantal vermeerderd. Eene schare, die niemand tellen kan, vormen thans reeds de geesten der volmaakte rechtvaardigen, die in de hemelen zijn opgenomen en onze voorgangers en voorbeelden zijn in de trouwe belijdenis van Christus.

Daar is eindelijk ook de strijdende kerk op aarde, die bij het vasthouden van de onwankelbare belijdenis der hope ons steunt. Er is wel naar waarheid gezegd, dat ieder Christen zoo vast gelooven moet, dat hij, ook al vallen allen rondom 103 hem af, nochtans onwrikbaar pal blijft staan. Maar de mensch is toch in den regel voor zulk eene eenzaamheid niet bestemd en bestand. God kan wel zooveel genade schenken, dat wij, schoon van allen verlaten, met vroolijken moed ons pad blijven loopen. Maar gewoonlijk houdt Hij ons toch staande in en door de gemeenschap der heiligen. Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben en de leden allen niet dezelfde werking hebben, alzoo zijn wij velen één lichaam in Christus, maar elkeen zijn wij malkanders leden. En als zoodanig hebben alle geloovigen gemeenschap aan den Heere Christus en alle zijne schatten en gaven en moet elk zich schuldig weten, om zijne gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te leggen.

Zoo zijn de belijders van Christus toch nimmer alleen. Soms in eene bepaalde plaats en op een gegeven tijd kunnen zij zich eenzaam en verlaten gevoelen. Maar ook dan blijkt nog menigmaal, dat duizenden met hen de knieën voor Baal niet bogen. En als zij uit de benauwdheid hunner ziel zich oprichten en om zich zien over de gansche aarde en door de, eeuwen heen, zijn zij leden eener gemeen, schap, die van den beginne tot het einde der wereld door den Zone Gods uit het gansche menschelijk geslacht in eenigheid des waren geloofs vergaderd, beschermd en onderhouden wordt. De gemeente van Christus is de kern der menschheid, het zout 104 der aarde, het licht der wereld. Wie van haar een levend lidmaat is, telt de besten en grootsten en edelsten van ons geslacht, profeten en apostelen en kerkvaders en martelaars en hervormers, onder zijne broeders en zusters. En aan hun spitse staat de getrouwe Getuige, de Eerstgeborene uit de dooden, de Overste van de koningen der aarde.

Allerminst bestaat er in ons vaderland reden, om ons moedeloos terug te trekken en in de eenzaamheid op te sluiten. Want de Christenen zijn nergens en nooit eene secte, al worden zij ook overal tegengesproken, maar zij zijn dit allerminst in Nederland, welks volksbestaan uit de Hervorming geboren is. Het Christelijke is hier te lande echt nationaal; en de belijders der Gereformeerde religie zijn geen vreemdelingen of bijwoners, maar burgers en huisgenooten, kinderen van die vaderen, die op dwaling en gewetensdwang met hun goed en bloed de waarheid en de vrijheid bevochten hebben.

Indien wij, al deze dingen bedenken, hoedanigen behooren wij dan niet te zijn in trouwe belijdenis en heiligen wandel! Er behoort de kracht des geloofs toe, om tegen den stroom op te roeien en te verdragen, dat alle menschen kwalijk van ons spreken, al is het ook liegende en om des evangelies wil. Er gaat een betooverende invloed van de massa op den enkele uit. Het gevaar is in iederen kring zoo groot, om zich te onderwerpen 105 aan het getal en zich, te schikken naar de meerderheid.

Maar daartegenover kunnen de geloovigen zich bemoedigen met de gedachte, dat zij al te zamen gekomen zijn tot den berg Zion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelsche Jeruzalem en de vele duizenden der engelen, tot de algemeene vergadering, en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen, en tot den Middelaar des Nieuwen Testaments.

Zoo hebben wij dan niets te vreezen, want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn.


Wherefore I give you to understand,

that no man speaking by the Spirit of God

calleth Jesus accursed: and that no man can say that Jesus is the Lord, but by the Holy Ghost.

1 Cor. 12: 3.

What is impossible with man, is possible with God. Our sufficiency is from Him. An upright confession comes from the heart, which is God's gift, and fruit of the working of the Holy Spirit. Had Christ finished everything, it would have been without fruit, had He not sent His Holy Spirit Who leads into all truth, after He ascended into heaven. For all the world stands over against Christ and loves darkness rather than light. But the Holy Spirit came to witness of Christ in the midst of the world. He is the only, but at the same time the Almighty witness of Christ. All others scorn Him, but the Holy Spirit glorifies Him. All others condemn Christ, but the Holy Spirit justifies Him. AIl others reject Christ, but the Holy Spirit takes His side and pleads His cause in man's conscience. All others call Christ accursed, but the Holy Spirit says, that He is Lord, to the glory of God the Father.

He witnesses of Christ in the Word, and by prophets and apostles He wrote that down in a book. He witnesses of Christ in a world, which He reproves of sin, of righteousness, and of judgment. He witnesses of Christ in the congregation, who confesses Him as her Lord and her God. He witnesses of Christ in the heart of every believer, who thereby knows himself to be a child of God and calls, "Abba Father". Nothing, and no one is able to stand up against that witness of the Spirit. As soon as He couples His Almighty power with the word, the hardest heart is broken, the most daring mouth is stopped. All our thoughts and considerations mean nothing. No one, speaking by the Holy Ghost calls Christ accursed, and everyone who receives the Spirit confesses Him as his Saviour and Lord.

But then, when faith is planted in the heart, the working of the Spirit, which makes faith change into word and deed, is needed in all the many temptations. For it is God, Who not only works in us to will, but also to work after His good pleasure. From Him is the strength to believe and the courage to confess.

That is why David prayed, that God would not take His Spirit from him, but renew a right spirit within him. When Peter and John stood before the high council, and being let go, they told their experiences to the brethren, and said, "Now Lord behold their threatenings, and grant unto thy servants, that with all boldness they may speak thy word" (Acts 4: 29). When they finished praying the place was shaken, and they were all filled with the

Holy Ghost and spake the Word with boldness. Even Paul requested the congregation to pray for him, that the word should be given him in the opening of his mouth with boldness, to make known the mystery of the gospel.

This boldness to speak and testify is in the first place indispensable for the preacher and furthermore for all believers. It is a fearless testimony to each and all, of God's truth in Christ. It is based on the blessed awareness that our guilt has been taken away, boldness to come before the throne of grace, and to make known all our desires before Him. It is strengthened in us by the many examples of courageous and steadfast confessions that we find in Scripture and history.

There is first of all the example of Christ. In Himself He was the Word, the Truth, the complete Revelation of God. He came to a world that lay in sin and served the lie. Only His appearance, without more, was a protest that must awake the hate and enmity of the world. The world could not suffer Jesus. His existence was their condemnation. That is why the world attempted the utmost to destroy Jesus. But Jesus remained faithful to the Father and obeyed Him unto the death of the cross. He resisted all temptation, He endured all enmity, before the Jewish council He held up His Divine Sonship, and under Pontius Pilate He confessed a good confession. That is how He showed Himself to be the true and faithful witness, the apostle and High priest of our confession, Who left us an example, that we should follow in His steps.

There is furthermore an innumerable company of angels, to whose fellowship believers came in Christ Jesus. They too encourage us to persevere. For they accompanied Christ in all His ways and ascended and descended on the Son of man all the days that He walked here on the earth.

They followed the congregation on its way throughout the world, and are sent out to minister to those who shall inherit salvation. They are desirous to look into the mysteries of salvation and rejoice in every sinner that repents. In the Lord's prayer they are set for our examples for their perfect obedience, and must through us be made known with the manifold wisdom of God.

There is also the great cloud of witnesses around us, A the Church triumphant, who by their example encourage us to follow them. Some of them were afflicted, suffered bands and prison. But they were not ashamed to confess a good confession and persevered unto the end. And their number is multiplied daily. A multitude that no one can number form the spirits of just men made perfect, taken up in heaven, who are our leaders and examples of a true confession of the Lord Jesus.

There is finally the church militant on earth, that is our support by holding on to the immovable confession of

hope. It has been said, and truly so, that although many around us fall away, the Christian's faith must be so steadfast, that he remains immovable. But in general, man is not destined for such loneliness. The Lord will grant grace, that although forsaken by others, we will run our race rejoicing. But as a rule He keeps us standing in and through the communion of the saints. So we being many, are one body in Christ, and every one members one of another. As such all believers have communion with the Lord Christ, of all His treasures and gifts, and we all must use our gifts willingly and joyfully for the other members.

So the confessors of Christ are never alone. They may at certain times and in certain places feel lonely and forsaken. But even then it appears that there are the seven thousand that with them did not bow the knee for Baal. And when their souls are oppressed and they look at all the earth, throughout the ages, they are members of a fellowship, who from the beginning of the world unto the end thereof are gathered, protected and kept from all generations, in the unity of faith, by the Son of God. The congregation of Christ is the core of humanity, the salt of the earth, the light of the world. Whoever is a living member of that Church, counts the best and most noble of our race, prophets and apostles, Church fathers, martyrs and reformers, among his brothers and sisters. And more than all is the faithful Witness, the Firstborn from the dead, and the Prince of the kings of the earth.

There is no reason in our fatherland, to be discouraged and withdraw from the world. For Christians are never and nowhere a sect, even though they are contradicted, at least they are not like that in Holland, for this nation was born out of the Reformation. Christianity here is truly national (early 20th Century, Tr.), and the confessors of the Reformed religion are no strangers and foreigners, but citizens, children of the fathers, who fought with good and blood for the truth.

When we think of all these things, we must be truly faithful in confessing and holy conversation! A strong faith is needed to bear up when people spake evil of us for the sake of the gospel, although they speak lies. The influence of the masses is like a charm cast on the individual. The danger is always great to submit to the majority.

On the other hand, believers may be encouraged by the thought that together they came to Zion, the city of the living God, the heavenly Jerusalem, to the general assembly of the first born, who are written in heaven, and to God, the Judge of all, and the spirits of men made perfect, and to the Mediator of the New Covenant.

So we have nothing to be afraid of, for those that are with us, are more than those that are with them.

x
This website is using cookies. Accept