De offerande des Lofs (1e druk) The Sacrifice of Praise

10. Het loon der belijdenis

10. The Wages for Confessing a Good Confession

106

Een iegelijk dan, die mij belijden zal voor de menschen, dien zal Ik ook belijden voor mijnen Vader, die in de hemelen is.

Matth. 10 : 32.


Aan de trouwe belijdenis van 's Heeren naam is een loon verbonden, dat groot is in de hemelen.

Van een loon, dat bij de wederkomst van Christus aan zijne geloovigen zal worden uitgereikt, spreekt de Heilige Schrift geduriglijk. Het wordt geschonken als vergoeding voor hetgeen de discipelen van Jezus hier op aarde om zijnentwil verloochend, geleden of ook aan goede werken van barmhartigheid en liefde volbracht hebben. En de Schrift aarzelt niet, om door de voorspiegeling van zulk een loon de geloovigen tot trouwe volharding in hunne belijdenis aan te sporen. Zij maakt er zich niet bezorgd over, dat zij daardoor een valsch beginsel zal indragen in de practijk der godzaligheid, dat zij er aanleiding toe geven zal, om de deugd te beoefenen om het geluk en God te dienen ter wille van de hemelsche zaligheid.

Want schoon herhaaldelijk van loon sprekende, 107 is zij van allen loondienst afkeerig. Het loon, dat den trouwen strijders wacht, is niet verplicht, is geen hun van nature toekomend recht, is geen schuldige betaling voor geleverden arbeid. Zulk een loon kent de Schrift niet en snijdt zij door de verhouding, waarin zij den mensch als schepsel tot zijn Schepper plaatst, bij den wortel af. Wie alles gedaan heeft, wat hem bevolen was, is nog maar een onnutte dienstknecht. De mensch is en heeft van zichzelven niets, en kan daarom ook Gode, van wien hij volstrekt afhankelijk is, niets toebrengen. Hij kan niets geven, omdat hij alles ontvangen moet. Hij is geen partij tegenover God, die eigene, onvervreemdbare rechten heeft, en in den vorm van een contract loon voor den te leveren arbeid bedingen kan.

Maar God heeft zijnerzijds vrijwillig zich verbonden, om allen, die wandelen in zijne wegen, rijkelijk te kronen met gaven van zijne gunst. Daartoe verplichtte Hij zich in het eerste verbond, als Hij in de gehoorzaamheid aan zijn gebod den weg baande, tot het eeuwige leven en de hemelsche zaligheid. Loon in den zin van vergelding voor verrichten dienst was dit niet, want welke evenredigheid bestaat er tusschen de zeer gemakkelijke en op zichzelf verplichte onderhouding van 's Heeren gebod en de onverplichte gave van het eeuwige, zalige leven in de gemeenschap, met God?

En evenzoo verplicht Hij zich in het verbond 108 der genade, om aan een iegelijk, die in Christus gelooft, het eeuwige leven te schenken. Maar hier is er voor loon in eigenlijken zin nog veel minder plaats. Want gelooven is niet anders dan aannemen van de gave der genade, welke in Christus verschenen is, en daarom even weinig verdienstelijk als het grijpen van het reddingskoord door den schipbreukeling, die op het punt staat om te komen en in de diepte weg te zinken. Maar God is zoo goed, om aan het geloof, niet om zijns zelfs, maar om Christus' wil de vergeving der zonden en de eeuwige zaligheid te verbinden, en door de heerlijkheid, die de geloovigen wacht, hen aan te vuren tot den strijd.

Zoo is het dan beide waar, dat eenerzijds het bezit van alle weldaden des verbonds vóór alle werk zeker gesteld en alleen aan het geloof gebonden wordt, en dat anderzijds met zooveel ernst op goede werken wordt aangedrongen, alsof al die weldaden eerst in dezen weg te verkrijgen waren. De geloovigen zijn uitverkoren van eeuwigheid en moeten toch zich benaarstigen, om hunne roeping en verkiezing vast te maken. Zij zijn door het geloof het eeuwige leven deelachtig en zullen dit toch eenmaal als loon voor hunne zelfverloochening uit de hand des Vaders ontvangen. Zij zijn ranken aan den wijnstok, die zonder Christus niets kunnen doen, en toch worden zij vermaand, om in Hem, in zijn woord, in zijne liefde te 109 blijven. Zij zijn Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, en toch hebben zij in dezelve te wandelen. Zij zijn heilig en moeten toch zich heiligen van dag tot dag. Zij hebben het vleesch gekruisigd met, zijne begeerlijkheden en worden toch geroepen om hunne leden te dooden, die op aarde zijn. Zij zijn van hunne zaligheid zeker, want Gods verkiezing is onveranderlijk, zijne roeping onberouwelijk, zijn verbond onwankelbaar, zijne belofte ja en amen; en toch worden zij voortdurend aangespoord, om huns zelfs zaligheid uit te werken met vreeze en beving, om getrouw te zijn tot den dood en te volharden tot den einde toe.

De Heilige Schrift bevordert geen lijdelijk maar een werkdadig Christendom. Zij wil, dat de geloovigen altijd meer worden, wat ze zijn; dat zij zich verwerven, wat zij erfden; dat zij hoe langer hoe meer tot hun bezit maken, wat in Christus hun eigendom is. Daarom kan datzelfde, wat eene onverdiende, vrije gave is, ook als een loon worden voorgesteld. Het kan een loon heeten, omdat het geloof en de volharding in dat geloof, de eenige weg is, waarlangs de geloovigen ten volle de weldaden deelachtig kunnen worden, welke uit louter genade in Christus hun geschonken zijn. Zonder heiligmaking zal niemand God zien.

Onder dat loon wordt nu eens de hemelsche zaligheid zelve verstaan, en dan weer de 110 verschillende graden van heerlijkheid, die aan de geloovigen naar gelang van hunne werken geschonken zullen worden. Zooals het op aarde is, zal het zijn in den hemel. Er is verscheidenheid in de eenheid. Eene andere is de heerlijkheid der zon, en eene andere is de heerlijkheid der maan, en eene andere is de heerlijkheid der sterren; want de eene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster. In het Vaderhuis, dat alle kinderen Gods opneemt, zijn vele woningen. Naar mate der getrouwheid ontvangen de gemeenten van den Koning der kerk een eigen sieraad en kroon. Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgene door het lichaam geschiedt, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.

Dan wordt de scheiding tusschen menschen en menschen voltooid. Bij de eerste komst van Christus, ja reeds bij zijne allereerste aankondiging in de belofte, ving deze crisis, dit oordeel in de wereld aan. Christus is gekomen tot eene opstanding en tot een val voor velen. Hij kwam niet, om vrede te brengen op de aarde maar het zwaard, en om den mensch tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen hare moeder, en de schoondochter tegen hare schoonmoeder. Hij dwingt allen, om te kiezen vóór of tegen Hem. Zijn woord is een oordeelaar van de gedachten en overleggingen des harten. Zijn evangelie is eene 111 reuk des levens ten leven of eene reuk des doods ten doode. En die scheiding beëindigt Hij in den dag zijner toekomst, als alles voor zijn rechterstoel openbaar worden zal. Want de Vader heeft al het oordeel den Zoon gegeven, omdat Hij des menschen Zoon is.

Elks lot wordt dan daardoor bepaald, of. Christus hem voor den zijne erkent en hem belijden zal voor zijnen Vader, die in de hemelen is. Van zijne openbare belijdenis hangt onze vrijspraak, onze zaligheid af.

Christus heeft zich onzer niet geschaamd bij zijne vleeschwording. Hij had er wel redenen toe gehad. Want Hij was zelf de eengeborene des Vaders, het afschijnsel zijner heerlijkheid, het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, die hetgeen roof achtte Gode evengelijk te zijn. En wij waren met schuld beladen, van het hoofd tot de voeten onrein, en der verderfenis onderworpen. Maar toch schaamde Hij zich niet, ons zijne broeders te noemen. Hij schaamde zich onzer niet, noch voor God, noch voor de heilige engelen. Hij nam ons vleesch en bloed aan, ging in in onze natuur en werd ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde. En zelfs God schaamde zich niet, in Christus onze God genaamd te worden.

Zoo zal Hij zich onzer dan ook niet schamen in den dag zijner toekomst. Wel komt Hij dan weer, niet als dienstknecht maar als Heer, niet 112 om te lijden maar omverheerlijkt te worden, niet tot een kruis maar met eene kroon. Maar toch zal Hij zich onzer niet schamen. Want die opgevaren is verre boven alle de hemelen, is dezelfde, die eenmaal nedergedaald is in de benedenste deelen der aarde. Hij die oordeelt, is de Zoon des menschen, die eenmaal kwam, om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Onze Rechter is onze Heiland, die de zijnen nimmer vergeet en nooit verlaat. Wie mij belijden zal voor de menschen, zoo getuigt Hij, dien zal Ik ook belijden Voor mijnen Vader, die in de hemelen is.

Openlijk, ten aanschouwen der gansche wereld, ten aanhooren van alle schepselen, zal Hij voor zijne trouwe belijders uitkomen. Hoe veracht zij hier op aarde mogen geweest zijn, Christus zal hun naam op zijne lippen nemen en het uitspreken, voor aller oor, dat zij de zijnen zijn, die Hij kocht met zijn bloed en die geen macht ter wereld of ter hel Hem zal kunnen ontrooven.

En zooals Christus zegt, zoo zal het zijn. Zijne uitspraak zal van kracht zijn in de gansche schepping. Zijne belijdenis zal gelden voor alle creaturen. Niemand zal er aanmerking op kunnen maken. Niemand zal er tegen durven opkomen. Zijn oordeel zal boven alle critiek verheven zijn en hoog boven aller menschen en duivelen oordeel staan. De hemel en de aarde en de hel en alle schepselen zullen er eeuwig in berusten. 113

En wat meer dan dit alles zegt — de Vader zal rusten in dit werk van zijn Zoon. Zooals God na de schepping alles zag, wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed, zoo zal Hij ook aan het einde der dagen met Goddelijk welbehagen nederzien op het groote werk der verlossing, dat door Christus tot stand is gebracht. Als de gemeente zonder vlek en rimpel Hem voorgesteld en het koninkrijk voltooid Hem zal worden overgegeven, dan zal de Vader al de verlosten des Zoons tot zijne kinderen aannemen, in zijne gemeenschap doen deelen en van zijne aanschouwing doen genieten.

De openbare belijdenis van de geloovigen door Christus voor zijnen Vader, die in de hemelen is, zal de waarborg hunner eeuwige zaligheid en heerlijkheid zijn. 114


Whosoever therefore shall confess me before men, him will I confess before my Father which is in heaven.

Matt. 10: 32.

A reward is promised to those who confess the Lord's name, a reward that is great in heaven. Scripture speaks repeatedly of a reward that shall be given to believers when Christ returns from heaven. It is granted as compensation for what the disciples was denied, suffered, or the good works of love and mercy they performed for the sake of Christ. Scripture does not hesitate, by reflecting on these wages, to urge believers to persevere in their confession. Scripture is not concerned that hereby a false principle is brought into practical godliness, that will give occasion to serve God for happiness and heavenly salvation.

Scripture speaks repeatedly of wages, but is averse of all service for wages. Payment that awaits the faithful servant, is no obligation, is no right by nature, is not paying a debt for work that is done. Scripture knows nothing about that kind of wages, and by the relationship in which she places the creature to its Creator, she cuts it off by the roots. He who does everything that is commanded, is still an unprofitable servant. Man is, and has nothing of himself, and therefore can give nothing to God on Whom he depends. He can give nothing, because he must receive everything. He is no party over against God, who has inalienable rights, and in the form of a contract can ask wages for work that he does.

God from His side has freely promised, that all who walk in His ways He will richly crown with gifts of His favour. To that He obligated Himself in the first covenant, when He opened the way to eternal life and heaven's salvation, to all those who obey His commandments. These are no wages as payment for work that is done, for what comparison is there between the relative easy and in itself obligated keeping of the Lord's commandments and the free gift of eternal life in communion with God?

He also obligates Himself in the covenant of grace, to grant eternal life to all who believe in Christ. But for wages is here in the true sense of the word, even less a place. For believing is nothing but accepting the gift of grace, which appeared in Christ, and merits no more than taking hold of the rope by one who is in danger of drowning. But God is so good to grant faith, not for its own sake, but for Christ's sake, forgiveness of sins and eternal salvation, and by glory awaiting the believer, encourages them to persevere.

So both are true, on the one hand all benefits of the covenant are secured before any work, and is bound only to faith, and on the other hand we are seriously urged to do good works, as if that is the way in which these benefits

are received. Believers are elect from eternity and must make their calling and election sure. By faith they are

44 partakers of life eternal and yet at one time for denying self, shall receive wages from the Father's hand. They are branches of the Vine and without Christ they can do nothing, yet they are admonished to abide in Him, in His Word, in His love. They are God's workmanship, created in Christ Jesus unto good works, which God ordained, yet they must walk in them. They are holy, and yet, must sanctify themselves from day to day. They crucified the flesh with its lusts, and yet, are called upon to mortify their members that are here on earth. They are certain of their salvation, for God's election cannot be changed, His calling is without repentance, His covenant immovable, His promises Yea and Amen. Yet they are continuously urged to work out their own salvation with fear and trembling, to be faithful unto death and to persevere unto the end.

Holy Scripture promotes no passive, but a working, active Christianity. Scripture wants the believer to increase; that they obtain what they inherited; that more and more they make it their possession, what in Christ they own. That is how what is seen as an unmerited gift, can be introduced as wages. It can be called wages, because faith and persevering faith is the only way whereby believers may become full partakers of the benefits, which Christ, by pure grace gives them. Without sanctification no one shall see the Lord.

By those wages we can understand heavenly salvation itself, but also the different degrees of glory, which shall be given to believers according to their works. As it is on earth, so shall it be in heaven. There is diversity in unity. Another is the glory of the sun, and another the glory of the moon, and another is the glory of the stars; for the one star differs in glory from another star. In the house of the Father, where all God's children go, are many mansions. According to their faithfulness, the congregations receive their own crown from the King of the Church. For we must all be revealed before the judgment seat of Christ, and everyone shall receive according to what he has done, be it good or evil.

Then the separation between man and man will be complete. With Christ's first coming, yes, with the very first announcement of the promise of His coming, this crisis, this judgment began in the world. Christ came to the rise and fall of many. He did not come to bring peace on the earth, but the sword, to make a man rise up against his father, and the daughter against her mother, and the daughter in law against her mother in law. He compels everybody to choose for Him or against Him. His Word is judge of the thoughts of the heart. His gospel is a savour of life, or a savour of death unto death. That separation shall come to an end at the day of His coming, when everything shall be revealed before the judgment seat. For the Father gave all judgment to the Son, for He is the Son of man.

The lot of every person is then determined, whether Christ will acknowledge him for His own and confess him before His Father, in heaven. Our salvation depends wholly upon His public confession.

Christ was not ashamed of us at His incarnation. He had many reasons to be ashamed of us. For He was the firstborn of the Father, the brightness of His glory, and the express image of His person, Who thought it not robbery to be equal with the Father. And we were loaded with sins, unclean from the head to the feet, and subject to condemnation. Yet, He was not ashamed to call us His brethren, not before God, neither before the holy angels. He took our flesh and blood, our nature, and became like one of us, sin excepted. Even God was not ashamed to be called our God in Christ.

And so He shall not be ashamed of us in the day of His coming. When He comes again it wiill not be as servant, but as Lord, not to suffer, but to be glorified, not to a cross but to a crown. But He shall not be ashamed of us. For He Who ascended far above the heavens, is the same Who descended in the lower parts of the earth. He that judges, is the Son of man, Who came at one time, to seek and save that which was lost, Hallelujah! Our Judge is our Saviour, Who never forgets nor leaves His own. He who shall confess Me before men, He testifies, Him I will also confess before My Father, Who is in heaven.

Openly, in view of the whole world, in the ears of all creatures, He shall speak for them. However despised they were here on earth, Christ shall take their name upon His lips, and speak in the ears of all, that they are His and no power on earth or in hell can take them from Him.

And as Christ says, so shall it be. His Word shall have power in all of creation. His confession is valid for all creatures. No one shall be able to criticize these Words. His judgment is above all criticism and shall be high above the judgment of men and devils. Heaven and earth, hell and all creatures shall never be able to change it.

More than this - the Father shall rest in this work of His Son. As God saw, after He created that what He made, see it was very good, so shall He with Divine good pleasure on the end of days, look down at the great work of redemption, that Christ accomplished. When the Church without spot or wrinkle is presented before Him and the finished Kingdom shall be given into His hands, than shall the Father take all those redeemed by the Son to be His children, they shall partake of His fellowship and rejoice in seeing His glorious face.

The public confession by Christ, of the believers, before His Father Who is in heaven, shall be warrant for their eternal blessedness and glory.

x
This website is using cookies. Accept