Bilderdijk als denker en dichter

XI.

Huisgezin, Staat en Maatschappij

169 Gelijk bij God, bij de wereld, bij den mensch, bij alle zijne vatbaarheden en werkzaamheden, zoo ging Bilderdijk ook bij de instellingen van huisgezin, staat en maatschappij, van de eenheid uit, die door den drang en de kracht der liefde zich uitbreidt en ontvouwt. In zijne verhandeling over het Natuurrecht nam hij, gelijk wij vroeger reeds opmerkten, niet terstond in zijne eigene beginselen positie, maar legde hij, naar zijn eigen zeggen 1, een lager standpunt ten grond, wijl het niet altijd noodig is, tot het hoogste en uiterste beginsel eener zaak op te klimmen. Als er werkelijk natuurrecht, recht in de natuur gegrond, zal bestaan, kan het ook bij een staat van oorlog, waarin de menschen gedacht worden oorspronkelijk verkeerd te hebben, niet door onderlinge willekeurige overeenkomst ontstaan zijn, maar moet het in de natuur des menschen, in zijne wezenlijke behoeften, gegrond wezen. Iedere maatschappij is eene coexistentie van leden, en onderstelt existentie en subsistentie, bestaan en bestaansmiddelen. Wijl ieder der leden op deze laatste, op bestaan en bestaansmiddelen. recht heeft en dit recht in zichzelf oneindig is, ontstaat er, wanneer wij de zaak in het afgetrokkene beschouwen, noodwendig een conflict, en verkeeren de menschen van huis uit in een staat van oorlog. Zelfs is er dan aan zulk een toestand geen einde te maken en in dit conflict geen beslissing te brengen, anders dan door geweld of door toeval. Er komt langs dezen weg geen recht, geen natuurrecht tot stand.

Maar zulk eene beschouwing, alsof de menschen oorspronkelijk 170 als gelijken naast elkaar op aarde bestonden, is een hersenschim en een loutere abstractie. Alles leert ons, dat zoodanig iets nooit plaats heeft gehad of kon hebben. Alle zedelijk besef brengt ons tot een eerste menschenpaar terug, man en vrouw, uit wier onderlinge verbintenis kinderen voortkwamen, en die de eerste grondstam des menschdoms zijn. Deze twee werden door hunnen aart tot eenstemmigheid en geen oorlog gebracht, en hun verscheidenheid van maaksel, lichaams- en geestkracht en bestemming, stelden hen vanzelven in eene onderlinge betrekking, waarin zeer verschillende afzonderlijke neigingen, bekwaamheden en driften de naauwst mogelijke vereeniging en vereenzelviging zoodanig inrichteden, dat hunne coexistentie geen conflict, maar loutere harmonie met zich bracht. En de voortbrenging der kinderen kon in of door deze ook wederom geen conflict doen ontstaan. Als het mannelijk gezag in den echt, is het vaderlijk gezag in het huisgezin heilig en nooit betwist geworden, eer de afdwaling van den natuurstaat valsche leerstelsels van recht en plicht voort deed komen, die 't onheil des menschdoms maken. De vaderlijke, in hare wederkeerigheid hoogst ongelijke betrekking kan niet miskend, en 't gevoel van die niet verdoofd worden. Dit gezag van man en vader, dat dus van den oorsprong af gegeven was, handhaaft dan in het gezin den vrede en de samenstemming, en houdt alle ongelijk en geweldpleging werkeloos.

Kinker heeft op deze redeneering van Bilderdijk in het slot van zijne verhandeling over het Natuurrecht, eene scherpe critiek geoefend, omdat hij haar in strijd achtte met het beginsel, dat Bilderdijk in het eerste en voornaamste deel van diezelfde verhandeling aangenomen had. Eerst toch was Bilderdijk uitgegaan van de onderstelling, dat alle menschen van nature gelijk waren en gelijke, oneindige rechten hadden; thans zegt hij, dat er nooit eene gelijkheid onder de menschen heeft bestaan, dat het gezag van man en vader oorspronkelijk is. In het eerste deel van zijne verhandeling betoogde Bilderdijk, dat behoefte de grondslag is van rechten en plichten, en thans leidt hij deze af uit het gezag, uit de door God gewilde betrekkingen van den mensch als lid van een familie en van een maatschappij. Eerst was een blind gevoel van behoefte, nu is eene dwingende maatschappij de bron van het recht. Het een is met het ander, volgens Kinker, in 171 lijnrechten strijd. De laatste redeneering hangt niet alleen niet samen met, maar vloekt ook geweldig tegen die, welke hij eerst gehouden had; het natuurrecht wordt voor een positief recht ingeruild 2.

Inderdaad schijnt het slot van de verhandeling over het Natuurrecht met het voorafgaande deel in tegenspraak te zijn, en, wat nog lastiger is, Bilderdijk stelt zelf geen poging in het werk, om die, hetzij werkelijke hetzij vermeende, tegenspraak op te lossen. Behoefte en gezag staan als rechtsgronden naast elkaar. Toch kunnen de algemeene beginselen, waarvan Bilderdijk uitgaat, eenig licht verspreiden over de verhouding, welke hij tusschen deze twee rechtsgronden aannam. En dan staat het vast dat Bilderdijk altijd en in al zijne werken een heftig tegenstander van de oorspronkelijke gelijkheid aller menschen is geweest. Indien hij deze in zijne verhandeling over het Natuurrecht als uitgangspunt van redeneering heeft aangenomen, dan kan dat, gelijk vroeger werd betoogd, slechts docendi causa zijn geweest; in zoover nam hij slechts een bellum omnium contra omnes aan, als deze na den val in den verdorven mensch is gegrond; dit was een feit, hetwelk Bilderdijk aanvaardde, maar niet een beginsel, waaruit recht en plicht in den weg van een verdrag werden opgebouwd. Zelfs al neemt men eene oorspronkelijke gelijkheid van alle menschen en een oorspronkelijken oorlog van allen tegen allen aan, dan nog is de verdragstheorie niet in staat, om uit dien chaos een kosmos te scheppen, want een verdrag blijft altijd eene onverplichte daad, een daad alzoo van willekeur en dus niet geschikt, om den grondslag van rechten en plichten te vormen. Neen, als er een natuurrecht zal zijn, dan moet men achter zulk een verdrag tot de natuur des menschen, en wel tot zijne oorspronkelijke, door God geschapen, en thans in den toestand der zonde nog eenigszins gehandhaafde natuur des menschen teruggaan, tot zijn wezenlijke, ingeschapen, met die natuur gegeven behoefte, bepaaldelijk tot de behoefte aan niededeeling, gezelligheid, uitbreiding, dat is tot de liefde, welke niet alleen een boven ons staand gebod Gods, maar ook in onze natuur, als eene onuitroeibare behoefte gegrond is.

Dit is zonder twijfel de intieme gedachte van Bilderdijk, welke 172 Kinker, afgaande op en zich vastklemmende aan eenige inderdaad minder gelukkige en voor misverstand vatbare uitdrukkingen, niet begrepen heeft. Wanneer de eerste rechtsgrond, de behoefte der menschelijke natuur, alzoo verstaan wordt, verdwijnt ook de tegenspraak, welke de tweede rechtsgrond, het gezag, daar mede vormen zou. Maar dan moet ook goed worden ingezien, wat Bilderdijk onder gezag verstaat. Dit wordt uit twee plaatsen in de bovengenoemde verhandeling duidelijk. Op bladzijde 93 betoogt hij, dat de theorie van de oorspronkelijke gelijkheid der menschen en van een door hen gesloten verdrag evenmin het gezag als het recht en den plicht onder de menschen verklaart. Wij lezen daar letterlijk: „Uit deze twee onderstellingen (n.l. het oorspronkelijk bestaan der menschen onafhankelijk van elkander, en hunne gelijkheid) vloeit een ten eenenmale verkeerd en onbestaanbaar begrip van het gezag, als afkomstig uit een verdrag van individuën ter oprichting van een gemeen bestuur. Eene allerbespottelijkste petitio principii, die zichzelve beschaamt; en daar men nogthands wel toe komen moet, als men eerst de menschen in gelijkheid en onaf hanklijkheid van elkaâr op de aarde gesteld heeft! Maar God is toch wijzer geweest, dan deze fraaie wijsheid Hem maken wil. Zoo al iets dergelijks als een zulke samenkomst tot oprichting van een gemeen overgezag plaats gehad had, dan nog ware het gezag, als zoodanig, daaruit niet ontstaan, maar het was dan eene nabootsing van 't natuurlijk gezag, 't geen in 's menschen aart en in de betrekking van en tot man en vader ligt. Deze betrekkingen en de beseffen van 't gene zij meêbrengen, zijn eenvoudig, gelijk de geheele Natuur, en, met die te verdoven, zal en moet men noodwendig eindigen met alle zedelijkheid in den mensch uit te roeien, de Burgerstaten om te keeren, en de volstrekte dwinglandij in te voeren, die ooit, ja nog nooit bestaan heeft, tot God zich in 't einde eens over ons menschen erbarme, en wat menschenvond is, door Zijne oneindige en altijd versmade waarheid, vernietige."

Deze woorden zeggen reeds genoeg, maar, indien noodig, worden ze bevestigd en verduidelijkt door hetgeen enkele bladzijden te voren reeds te lezen staat 3. Daar heeft Bilderdijk betoogd, dat ook alle verdrag onder de menschen in het algemeen zijn 173 grond heeft in het groote beginsel, dat wij in een ander genieten, en eens anders welzijn of belang als het onze, of zelfs boven het onze willen, dat is dus weer in de liefde.

En dan gaat hij aldus voort: „Eene aanmerking zal wellicht hierbij noodig zijn, opdat wij geene aanleiding tot verkeerde opvattingen geven, die den tegenwoordigen Tijdgeest mochten begunstigen. Wij onderstellen in deze verklaring het bestierd worden door een ander, als een kwaad, omdat het in den tegenwoordigen toestand als zoodanig en in tegenstelling vanzelf bestier, dat men vrijheid noemt, dus wordt aangemerkt. Maar inderdaad is die onderstelling valsch en een dwaling des verstands. Het bestuur is slechts een middel, en in zichzelf geen goed of kwaad dan voor zoo verre alle oefening, alle dadelijkheid, of exsertie van kracht, een goed is. Indien wij de zaak uit een hooger oogpunt beschouwen, zoo is er slechts één algemeen bestier, en dit buiten ons; en het is alleen ons gevoel van instemming met dit bestier, waardoor wij 't als uit ons voortkomende aanmerken."

Volgens Bilderdijk staat, blijkens deze uitspraken, de rechtsgrond van het gezag volstrekt niet tegenover dien der behoefte. Want het gezag heeft zeker zijn oorsprong in God, evenals het recht, de zedewet, de godsdienst, de kunst en alle dingen, maar het is daarom niet van buiten opgelegd, het staat niet als eene vreemde macht buiten en tegen ons over, het is niet met onze eigen natuur in strijd. Indien dit het geval ware, zou het gezag geen gezag, maar geweld, willekeur, tirannie zijn. Juist omdat het gezag is, omdat het zedelijk tot gehoorzaamheid verplicht, heeft het secundair zijn grond ook in onze eigen natuur, het stemt met onze natuur, met haar innerlijkste behoeften overeen, het wortelt evenals het recht en de plicht in het innerlijk zijn van den mensch, dat is, recht en plicht, gezag en vrijheid spruiten voort uit, zijn ondergeschikt aan de liefde. Bij de verdragstheorie komt er daarom geen wezenlijk recht, geen echte plicht maar ook geen waar gezag tot stand. Het gezag, dat men op die wijze verkrijgt, is slechts eene nabootsing van het natuurlijk gezag, dat is van dat gezag, hetwelk in de natuur des menschen gegrond is en het oorspronkelijkst in de betrekking van en tot man en vader opgesloten ligt. Als Bilderdijk in het slot zijner 174 verhandeling tot deze betrekkingen als rechtsgrond teruggaat, dan verandert hij niet van standpunt, maar dan neemt hij dezelfde positie in, welke hij vroeger bij den rechtsgrond der behoefte aanvaardde. De liefde, niet de abstracte, die een begrip des verstands is, maar de werkelijke liefde, die in God is, die door God in den boezem van al het geschapene gelegd is, die ook in het menschelijk hart, in weerwil van zijne verdorvenheid, als behoefte aan gezelligheid, als sociabilitas bewaard is gebleven, en aan de societas het aanzijn gaf, deze liefde is het, waarin alle recht en plicht, alle gezag en vrijheid wortelt. Zij is de band van al het geschapene, het cement van alle maatschappij. Daarom staat het gezag ook niet tegenover de vrijheid; op zichzelf is het maar een middel, doch het is een middel, daarom zoo heilig en heerlijk, wijl het aan de liefde dienstbaar is en ter handhaving en ten waarborg van de vrijheid strekt.

In het licht dezer beginselen komt ook de leer van Bilderdijk over huisgezin, staat en maatschappij tot haar recht. De gelijkheidsleer, die het onderscheid tusschen man en vrouw uitwischt, vindt in hem een principiëel en onvermoeid tegenstander:

„De kunnen zijn gelijk". Dat vonnis is gesproken.
De nieuwe Wijsheid die thans voorlicht, bracht dit uit,
En heel Europa knielt voor 't heerlijk raadsbesluit.
Neen, 't is de Schepper niet, die één in zijn gewrochten,
Aan 't talloos schepslenheir zijne éénheid kon verknochten,
Die alles voor zijn stand, zijne orde, en plaatsing schiep,
In 't roepen 't aanzijn gaf en nimmer tweewerf riep:
Neen, 't is die God niet, die u voortbracht, stervelingen!
Een Geest is't, zwak als wij, van wien wij 't licht ontfingen.
Dees vormde 't menschdom bij miljoenen uit het slijk,
En wiep ze door elkaâr, eens Kadmus oogst gelijk;
En liet aan 't wuft Geval, een godheid meer verheven,
Om elk uit dezen hoop een eigen lot te geven. —
Zie daar Gelijkheidsleer; haar grondslag; en heur aart! —
Neen, geen gelijk bestaat, waar God zich God verklaart. 4

Het onderscheid tusschen man en vrouw is door God als den God der eenheid en der orde gewild, maar het is daarom ook in de natuur van beiden gegrond. Het is een onderscheid in maaksel, lichaams-, geestkracht en bestemming, in neigingen, bekwaamheden en driften 5, maar alle daartoe te herleiden, dat 175 aan den man het ontzag, aan de vrouw de schoonheid toebetrouwd werd:

Geen kunnen zijn gelijk. Hij vormde u tot gebieden,
Verheven Rijksmonarch, wiens opslag tijgers vlieden
En de Abissynsche leeuw met eerbied gadeslaat!
Hij prentte u d' afdruk van zijn Godheid in 't gelaat!
En gaf uw arm de kracht om stier en hengst te dwingen,
Te worstlen met Natuur, en de aard uw brood te ontwringen;
En zachte aanminnigheid was 't aandeel van de Vrouw,
Wier arm uw rust, uw heil, uw hemel wezen zou.
't Ontzag was 't uwe, 't schoon haar eigendom 6.

De man is daarom de koning van het heelal, de vrouw zijn edelste onderdaan 7. Het vaderschap sluit bij den man alle gezag in en is uiteraard genoegzaam, om alle ongelijk en geweldpleging werkeloos te houden en uit te sluiten 8. Dit gezag van den man wordt door Bilderdijk zoo sterk op den voorgrond geplaatst, dat de vrouw daarbij diep in de schaduw komt te staan. Hij beschouwt ze dikwerf eenzijdig, als alleen om en voor den man geschapen, en kent haar dan geen andere rechten toe, dan die der zachte aanminnigheid, der onweerstaanbare schoonheid. In zijn Echtgeluk 9 stelt hij aan zijne gade den eisch, dat ze met hare teederheid zijne zwakheden te hulp kome, zijn wrevel drage, in plaats van tegenspreken tot een traan de toevlucht neme, zijne smarten, uit wat oorsprong ook, ontzie, zwijge en eerbied hebbe voor de vlekken van zijne inborst, zijne liefde nooit versmade, voor de grilligheden van haar echtgenoot eigen wil leere vernederen, zijne luimen zich tot hare wetten stelle, hare meening nimmer tegenover die van haar gemaal staande houde, in één woord:

Stel in uw, in zijne minne,

Al uw glorie, al uw loon.

Beter aan zijn voet, slavinne,
Dan verheven Koninginne

Op des aardrijks boogsten throon.

In de biographieën van Bilderdijk geniet dit gedicht vooral de eer om ons zijne gedachten over de vrouw te doen kennen. Maar men mag niet vergeten, dat dit vers in de eerste plaats een persoonlijk karakter draagt. Het houdt eischen in, die 176 Bilderdijk niet in het algemeen aan de vrouw, maar die hij bepaald als man aan zijne echtgenoote stelde. Bilderdijk kende zichzelven, was zich bewust van zijne grilligheden en luimen, van zijne somberheid en stilzwijgendheid, van zijne bitterheid en wrevel, van zijn ontevreden en veeleischenden aard. Meer dan in eenig ander heeft hij in dit gedicht zijn eigen karakter laten zien. Hij wist, dat hij dikwerf onder zorgen en angsten gebukt ging, die hij niet verklaren kon, dat hij, met zichzelf ontevreden, alles zich tot een last vond en leed en klaagde zonder reden, dat hij in zulk een vlaag zijn hart ontledigde door een hard of hevig woord. En hij wist ook, dat verdediging en tegenspraak van den kant zijner vrouw het onheil nog vergrootte, dat hij in zijn wrevel, die uit alles gift kan zuigen, die in alles terging vindt, voor geen overtuiging vatbaar was. Goed gelezen, is dit zijn gedicht veel meer eene bede om mededoogen aan zijne echtgenoote, dan een eisch in het algemeen aan de vrouw gesteld.

Daarbij komt, dat ditzelfde vers ons Bilderdijk ook nog van eene andere zijde doet kennen. Hij stelde zijn geluk niet in rijkdom, in weidschen stand, in een leven vrij van zorg en leed, maar in de zaligheid van den echt. Zijne vrouw was het leven van zijn leven, boven woorden en gedachten werd zij door zijn hart geliefd, haar geluk was al zijn trachten, voor haar wilde hij zwoegen dag aan dag; en voor haar teederheid, voor haar zacht gemoed, voor haar liefdevol hart, voor haar vertrouwen en trouw wist hij, dat hij bezwijken moest; daarvoor was hij niet bestand, dan legde hij zijn wrevel en bitterheid af, en in de zaligheid der oprechtste liefde vloeide zijn hart met dat zijner gade weer tot een onverdeeld bestaan samen.

En eindelijk, dit gedicht staat betrekkelijk op zichzelve. Daarnaast staan tientallen van dichtstukken, door Bilderdijk aan zijne gade gewijd, waarin niets van dergelijke eischen voorkomt, maar waarin alles ademt van de reinste, teederste, innigste liefde. Vrij mag men den lof zingen van de edele Catharina Wilhelmina Schweickhardt; aan haar danken wij het, dat Bilderdijks rijke hart den schat van liefde heeft kunnen ontvouwen, waarvoor het vatbaar was; zij heeft hem gelukkig gemaakt, zoo, dat hij het in de meer dan dertig jaren, die hij met haar vereenigd was, niet heeft kunnen uitzeggen; en bovenal Bilderdijk zou zoo rijk, 177 zoo diep en zoo heerlijk niet over de vrouw en over het huwelijk hebben kunnen zingen, indien zij de zaligheid daarvan hem niet bij ervaring had doen kennen. Maar men doe deze edele vrouw de beleediging niet aan, dat men haar lof bezinge ten koste van haar man, dat men haar verheffe, om Bilderdijk te vernederen. Zulk een smaad zou Bilderdijks trouwe gade diep gegriefd hebben; zij was op den lof van menschen niet gesteld; één lof was haar boven alles dierbaar, die van haar eigen man. En dien heeft zij ontvangen, van het begin tot het einde van haar huwelijksleven en ontvangt zij nog in de werken van haar echtgenoot.

Catharina Wilhelinina Schweickhardt heeft Bilderdijk liefgehad met al de liefde van hare reine, edele ziel; zij had alles, haar leven, zelfs haar liefde voor hem over. Maar Bilderdijk heeft ook zijne gade liefgehad met eene aanhankelijkheid, met eene trouw, die in het leven der groote mannen zonder voorbeeld, in elk geval eene hooge uitzondering is. Als men al de gedichten doorleest, waarin Bilderdijk zijne vrouw bezingt, is er maar plaats voor één indruk: welk eene diepe, het gansche zielsbestaan en heel het leven in beslag nemende, rijke en reine, trouwe en vaste, heilige en zalige liefde! Zij is de uitverkorene en aangebedene van zijne ziel, het leven van zijn leven, de weerhelft van zijn hart, de troosteres in zijn leed, de zalfster zijner smarten, de roem en het voorbeeld aller vrouwen. Met de jaren klimt zijne liefde, want liefde en godsdienst worden niet oud; zijne genegenheid verkoelt nooit; al buigt zijn schedel ten grave, hetzelfde zielsgevoel blaakt hem nog, dat bij den eersten liefdelonk hem doorstroomde. En dag aan dag dankt hij God voor de grootste gave, op aarde in deze vrouw hem geschonken. Geen hemel haalt bij zijn huwelijksband; hij is eenig en duurt tot in eeuwigheid. Kort voor haar dood in 1829 eindigde hij een haar gewijd gedicht nog met deze verzen:

Dierbre, neem dees flaauwe klanken

Uit een vollen boezem aan.

God voor U te mogen danken

Maakt een deel van mijn bestaan.

Neen, geen deel, maar heel mijn leven

Is voor u Hem dank te geven,

Voor uw liefde, voor uw trouw.

Wat toch geeft het leven waarde? 178

Niet het gansch bezit der aarde,

Maar het Godsgeschenk, de vrouw! 10

Men mag dus niet zeggen, dat Bilderdijk de vrouw laag heeft gesteld. En al zouden de mannen dat beweren, Catharina Wilhelmina Schweickhardt zegt het niet en de vrouwen evenmin, die het onder de emancipatieleuze nog niet verleerd hebben, dat eene liefde, zoo diep en innig, zoo trouw en duurzaam als Bilderdijk voor zijne gade gevoelde, de zaligheid der vrouw uitmaakt.

Maar juist omdat Bilderdijk dit wist, geloofde hij ook het woord der Schrift, dat de man het hoofd is der vrouw. Ook hier wilde bij van eene gelijkheid, die de verscheidenheid uitwischte en daardoor ook de eenheid en samenstemming verbrak, niets weten. De vrouw, zoo roept hij den man toe,

Bidt, in uw arm gekneld, in u haar Schepper aan;
Ontfangt uw wil, uw wet, met eerbied, met genoegen;
En stort zich uit in 't hart, dat u de borst doet zwoegen.
Kent, kent ze een wareld, kent ze een zoetheid, één genot,
Dan 't lezen in uw oog, haar wetboek, en haar God? 11

Deze ordening is voor Bilderdijk geen abstracte theorie, maar de grondslag van het huwelijk, de bron van het echtgeluk. Hij handhaaft ze niet als eene leer, maar wil ze toegepast hebben in het leven en houdt ze aan zijn eigen dochter bij haar huwelijk voor:

Breng dan nu, ik durf het eischen, en ik sta ze willig af,
Al uw liefde en teêrheid over aan den man dien God u gaf!
Leer hem achten, eer bewijzen, onderwerping, hulde, trouw!
Al uw eerzucht zij verslonden in den eernaam van zijn vrouw!
Hang het hart aan zijne wenken, aan zijn wenschen, zijnen zin!
Schat u zalig in zijn liefde; beider heil berust hierin.
Heilig in uw hart dees lessen van het stervend Vaderhart:
Haar vervulling zal vertroosten in een onverdiende smart;
Zal in somberheid verkwikken; smaak verleenen aan de vreugd;
Zonder dit, mijn waarde Dochter, is voor 't Vrouwlijk hart geen deugd:
Zonder dit, geen heil op aarde, zelfs in 't allerstreelendst lot;
Zonder dit, in 't prangend lijden, zelfs geen toevlucht meer bij God.
Hij, dien God u heeft geschonken tot beschermer, heul, en hoofd
Moet u 't beeld zijn van de Godheid, die der Echtkoets heil belooft.
Vader, was ik om mijn kindren; Ega, zijt gij om dien man:
Wees hetgeen gij zijt volkomen, en verwacht Gods zegen dan! 179
Laat geen wareld u verleiden, dat gij in den Echtknoop zoekt
Wat de Hemel heeft veroordeeld, wat Zijn recht en wijsheid vloekt!
Voor een Vrouw bestaat geen wareld dan in slaap- en kinderzaal:
Geen genoegen, geen voldoening, dan in 't oog van haar Gemaal;
Maar dat heil, mijn waarde Dochter, treedt de Hemelvreugd op zij';
Is het naast aan dat der Engelen; en geen wareld haalt er bij. 12

Doch ook hier vormen de plichten de keerzijde der rechten. De gelijkheid bestrijdende, wil Bilderdijk juist de innigste eenheid en gemeenschap in het huwelijk bevestigen en versterken. Hij is er daarom ook niet op tegen, dat de vrouw met haar man in zijn geestesarbeid meeleve en zelve hare gaven ontwikkele maar roem en bewondering zij het doel van haar streven niet! Moeder en gade te zijn is hare bestemming; het overige zij ont spanning en genot 13. Dan neemt de vrouw de plaats in, die haar toekomt, en ontvangt zij de hoogste eere. Want geen wereld kon het ijdel niet vervullen, dat bij zijn schepping overbleef in Adams hart,

Maar de Almacht kent het, geeft, voorkomt zijns gunstlings beden,
En toen zijn weêrhelft wierd, werd Eden 't eerst tot Eden. 14

Ééne Eva gaat heel de aard in rang en aanspraak voor 15. Zij was het kunstgewrocht der Godheid, voor wier oogen Gods Engelen, als voor God vernietigd nederbogen en sluiers zochten, om dien gloed te wederstaan, die uitstroomde uit haar schoon 16. En voor Adam was zij een deel zijns-zelfs, met hem één vreugdgevoel, één smart, zijn ziel, zijn levensadem, van uit zijn borst genomen, om met een nieuw gevoel die borst weer in te stroomen. En hij voelde het, Gemaal is meer dan Wareldvorst 17. In dien zelfden geest zong Bilderdijk zijn aanstaanden schoonzoon toe:

Voelt gij 't, daar zij in uw armen uit haars Vaders armen vliedt,
Wat ge u oplegt? wat de Hemel van u vordert? van u wacht?
Wat zijn schim u nog zal vergen uit des grafkuils donkren nacht?
Zult gij haar vergoeding schenken voor de Vaderlijke pijn?
Zal ze als Vrouw u alles wezen, en zult gij haar alles zijn?
Meer dan Vader? meer dan alles wat een Vader wezen kan?
Alwat in den naam bevat is, d' ondoorgrondbren naam van Man? 18

Als het huwelijk op die wijze in de ordening Gods gegrond 180 is en wortelt in de onderscheiden natuur van man en vrouw, dan is het ook geen geld- of staatscontract 19, maar eene zalige, heilige, Godgeheiligde verbintenis, die de kronen der koningen, den gloed van het purper, de schittering van het goud, de vreugdemalen der weelde verre terug doet wijken, die het stof verengelt, de aarde verhemelt, die niet de handen slechts, maar de harten samensluit. En ook dat is nog te weinig gezegd. Geen harten, hetzelfde hart neemt beider boezem in,

Eén saamgesmolten hart vervult u, Echtelingen,
En door geweld noch dood van één of los te wringen,
Maar neen, ook dit zegt niets. Men klinkt geen twee tot één;
Men maakt door 't smeltend vuur het wezen niet gemeen.
't Wordt samenmengsel, 't wordt verbinding in zijn deelen;
Slechts schijnbaar is 't geheel, bij 't innig soortverschelen.
Neen, dat is de Echt niet, waar het een het andre wijkt,
En mengling van gevoel eenzelvigheid gelijkt;
Waar worstling, en bedwang, en wederzijdsch verdrukken,
Den wil door wil verkeert, den wil voor wil doet bukken.
Het echte huwlijksjuk kent strijd noch evenaar;
Maar één, éénzelfde ziel vervult het minnend paar.
Om deze eenheid is het huwelijk monogamisch, een band die in de eeuwigheid voortduurt, een spiegel Gods, een beeld van Zijn wezen 20, grondslag van staat en maatschappij:

Vergaan zij, die u haten,

O Keten, goudener dan 't fijnst gezuiverd goud,
Verband der maatschappij, en, menschdom, uw behoud!
Aan u hangt volk en staat; de toekomst die 'tverzwelgen
Van 't rijpe heden boet door nieuw ontsproten telgen,
En 't vluchtig oogenblik op dees verganklijke aard
Tot eeuwigheden vormt, steeds uit zichzelf herbaard. 21

De Burgerstaat is dan ook niet anders, volgens Bilderdijk, dan een voortduring bij uitbreiding, of wel een herstel, van de samenleving onder het vaderlijk gezag, dat of door een algemeenen vader geoefend of, waar deze ontbreekt, ondersteld wordt. Het recht van zulk een gezag in den staat bestaat, hiermede in overeenstemming, daarin, dat het de uit haar aard vrije daden der leden van het huisgezin ten gemeenen nutte des huisgezins (waaronder de huisvader zelf mede begrepen is) bestiere en doe aanwenden. 181 Vanzelf was Bilderdijk daarom hartstochtelijk voorstander van den monarchalen regeeringsvorm. Wel achtte hij ook eene aristocratie, dat is eene regeering van beambten, mogelijk, maar dan was het toch nog, alsof zulk een vader waarde om en werkte door hen, wien bij de verschillende waarnemingen van het bestuur toebetrouwd had 22. Het gezag, waarvan de vorst de drager is, is niet gesproten uit eene dwarrelende menigte, maar daalt af van 's Hoogsten troon en is met Zijn beeld en afdruk vereenigd:

Wat is de band, die 't wettig kroost verbindt? —

De vader uit wiens hartebloed zij sproten. —

Wat is de kracht, de klem van 't Staatsbewind? —

De vuist die 't snoer onwrikbaar houdt besloten. —

Wat is de kracht der maatschappij? — 't Gezag,

Waarvoor zij buigt, als regel van haar richting,

En 't zielsgevoel dat niets versmooren mag,

Van Hooger macht als oorsprong der verplichting.

o Eenheid, beeld en spiegel van dien God

Die 't al beheerscht, des braven hart zoo heilig:

Waar rust bij woont, waarachtig heilgenot!

In u zijn Staat en huisgezinnen veilig.

God wrocht wat is, eenstemmig en volmaakt;

De Hel alleen verbreekt die heilige orde.

En rukt uitéén en brijzelt, lost, en slaakt

Den hemelband die 't schoon Heelal omgordde. 23

In de volksregeering zag Bilderdijk eene misgeboorte van het menschelijk onverstand, een bron van alwat onmenschelijk is, de moeder van den godslasterlijken en hersenschimmigen afgod der volksmajesteit 24. Het diepste beginsel van deze democratie ligt in de autolatrie, in de zelfverheffing van den mensch, in zijn streven, om zijn eigen God en wetgever te zijn. Maar nu is de razernij nog niet daarbij gebleven, dat men den mensch als mensch, den mensch in het algemeen, vergoodde; de dolheid moest nog verder gevoerd worden, en ieder afzonderlijk maakte zich tot zijn eigen God. Daaruit werd nu weer het verfoeilijke en alles verwoestende nieuwe beginsel van gelijkheid geboren, van volksgezag, hetgeen ieder uit zijn eigen boezem haalt, en de godslasterlijke toepassing van het eenmaal eerbiedwaardige woord 182 van Majesteit op dat duizendkoppige en honderdduizendklaauwige wangedrocht, dat men volk noemt 25. De gruwelleer van waangelijkheid, volksgezag en vrijen wil bestreed hij heel zijn leven door en zou hij naar zijn eigen Belijdenis in 1820, rusteloos bestrijden tot zijn laatsten druppel bloed 26.

En niet alleen zag Bilderdijk in deze volkssouvereiniteit een opstand tegen God, verzet tegen Zijne wetten en ordeningen, maar hij was er ook ten volle van overtuigd, dat de vrijheid, welke men in dien weg zocht, in haar wezen bandeloosheid was en vroeger of later in anarchie of tirannie moest omslaan. De vrijheid op dit standpunt is niets dan een heilloos tooverwoord 27. Hare verkondigers zijn

Lafaarts, die van vrijheid schreeuwen, maar geboren voor het juk;
Van verdragen, maar vermoordend wie voor hun geweld niet bukk';
Van elk aangeboren rechten, maar schoffeerende alle recht. 28

Onze ouden wisten ook wel van eigendom en eigeijzin, van eigenmin en eigenbaat, maar wij hebben thans meer en spreken van eigenwet en eigenwil, van eigenwaarde, eigendeugd en eigenkracht, ja eigen dit en eigen dat, een heerlijk schoone kraam, die in eigen domheid samenloopt 29. En bij eigenwil behoort geweld, en dus Armyn bij Barneveld 30. De vrijheid voleindt zich in onlijdelijken dwang en lage slavernij 31.

Voor het gezag in den staat koos Bilderdijk partij, allereerst uit beginsel, omdat hij er eene ordening Gods in zag, maar dan voorts ook juist in 't belang van de ware vrijheid, den vrede en de rust des volks. Hij wilde geen Vorst, die door eene constitutie aan zijn volk gebonden was en omringd werd door ministers, wier slaaf hij was, terwijl zij dienaren des volks waren 32; maar zulk een Vorst was naar zijn hart, die in zijn geweten aan Gods wet zich verbonden gevoelde en daarom zijn volk vaderlijk en liefderijk regeerde. Gezalfden in Gods naam, zoo sprak hij de Koningen aan,

beteugelt elk vermetelen

Die de onberaden vuist naar Uwen scepter strekt.

Duldt nooit, dat vloekbare aterlingen 183

Dien Lucifer gelijk, zich in uw zetels dringen,

Als sprong Uw rijksgezag uit hunnen boezem voort.

Neen, de Almacht stelde u hun tot Vaders,

Bemint, verzorgt uw volk met Vaderlijk gemoed:

U is hun heil betrouwd, geen schendige euveldaders

Wier hart in heerschzucht brandt met Satans helschen gloed.

Zwaait, zwaait uw scepter vrij, en laat hem niet verbreken:

God is uw Oppervorst, wien ge op uw throon vervangt;

Zijn wet moet in uw hart, in 't vrij geweten spreken,

Dat aan geen onderdaan, geen blaam of lofspraak hangt. 33

Voor het machtsmisbruik van den Vorst had Bilderdijk dus wel een open oog; maar hij had de revolutie en hare gruwelen beleefd, was getuige geweest van de dwaasheden, waartoe de leuze van vrijheid, gelijkheid en broederschap de volken verleid had, en had ook om deze reden in het volk hoegenaamd geen vertrouwen meer 34. In afhankelijkheid 35 stelde hij alle geluk, in individueele vrijheid het grootste jammer voor den mensch en voor alle schepsel. Kinderen, vrouwen en volken moeten niet wijs gemaakt worden, dat zij rechten hebben, anders dan die hun werkelijk verleend worden. Dit moet als een geheim zijn tusschen den vorst en zijn verstand, voor den grooten hoop verborgen, zoo veel het dat immer kan zijn 36.

De rechten van den mensch, de rechten van den borger!
Zeer wel; maar zwijg ervan, gij die hun welvaart mint:
Druk, vestig ze in het hart van Voogd en Staatsverzorger,
Maar niet in 't zwak gemoed van Volksgemeente of kind.
De onnoozlen warren drift en grilligheên met rechten,
Ze ontwringen zich 't bedwang dat ieder noodig heeft,
En 't wordt, niet de ordening der Almacht slechts bevechten
Maar 't stoot den grondslag om waardoor men bloeit en leeft.

Leer de onvervreemdbaarheid der rechten van 't Geweten
De DuivIendwinglandij die 't hart verderft, weêrstaan,
En 't binden van de ziel in Godgewijde keten!
De plicht-alleen maakt recht, aan dezen moet voldaan.
Dit was de wederstand aan 't zielendwingend Spanje;
Dees opstand was van God, en heilig in zijn bron
't Was aller Vorsten Vorst verbonden met Oranje,
En werd door 't zwaard gevoerd van God en Gideon. 37

In de rechten van het geweten is er dus wel terdege een 184 grens voor de macht van den vorst; als deze worden aangetast, is wederstand geoorloofd. In de verhandeling over het Natuurrecht komt eene uitspraak voor, die nog opmerkelijker is. In den burgerstaat kan men sommige rechten afstaan aan het gezag, bijv. den rechtsdwang aan den gemeenen rechter, opdat deze dien uitoefene ten behoeve van den gerechtigde of beleedigde. Het bestaande gezag heeft nu, even als de vader in het gezin, den plicht, om de vrije daden der leden van het huisgezin ten gemeenen nutte te bestieren en te doen aanwenden. Doch, zoo eindigt Bilderdijk dit gedeelte van zijn betoog, het is door zich zelfs klaar, dat het bestaande gezag dan ook in staat moet zijn, die verdediging of dat herstel te verleenen, dat de beleedigde of verongelijkte vorderen mag: en dat in gevallen, waar dat geen plaats kan hebben, de afstand waarvan wij hier spreken, niet gerekend kan worden geschied te zijn 38.

Deze uitspraken toonen, dat Bilderdijk niet zoo absolutistisch was als hij gewoonlijk scheen te zijn. Maar ze zijn niet verder door hem uitgewerkt. In zijn tijd achtte hij het veel meer roeping, om tegen het andere gevaar, dat der volkssouvereiniteit, de waarschuwende stem te verheffen. De rechten van het volk werden naar zijne overtuiging genoegzaam gewaarborgd, wanneer zij op de eene of andere wijze — maar op welke wijze, zegt Biderdijk niet — aan Voogd of Staatsverzorger in het hart werden geprent, en voorts den Vorst een Raad van ervaren mannen werd toegevoegd, die hem bezwaren en wenschen deed verstaan:

Neen 'k ben geen menschenslaaf. 'k Eer de Almacht in mijn Koning;
Geen masker, beeld of schim, geen ijdle schijnvertooning; —
Geen speeltuig van een Volks- of Filosofengril; —
Geen beuklaar voor een rot dat onderdrukken wil:
Geen buihond, wien, die 't zoekt, mag leiden bij de keten; —
Maar heerscher onder God, verbonden door 't geweten,
Die bijraad vordren mag, bezwaar en wensch verstaan,
Maar handlen, vrij als God, en niemand onderdaan.
Een Vader, wiens belang, wiens eerzucht en verlangen,
Met heel zijn talrijk kroost onscheidbaar samenhangen,
Die Vaderlijk verzorgt en Vaderlijk gebiedt,
En wien 't erkentlijk kroost met kindrenhart ontziet! 39

Het ideaal voor een volk bestaat daarin, dat het onder zijn 185 Koning een gerust en stil leven moge leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid:

Wat is het recht des volks? — Gerust te mogen leven

In schuts van Vorst en Wet naar't voorschrift van Gods Woord,

Aan huis en standsberoep vereischte zorg te geven,

In vlijt en vlijtgenot door geene macht gestoord.

Niet van een woesten hoop van schreeuwers af te hangen

Geslingerd naar den wind van opgeworpen waan,

Die 't eindloos zwarer juk op hals en schouders prangen

Dan Vorsten-willekeur ooit noodzaakt te ondergaan.

Niet van hetgeen 't niet kent door zijns gelijk beschikken,

Maar op de hand gerust wie God het staatsroer gaf,

Zich in een stoorlooze echt met gade en kroost verkwikken,

In kinderlijk ontzag voor God en Koningsstaf. 40

Er is niets gemakkelijker, dan over deze ouderwetsche theorieën zonder nader onderzoek het vonnis te vellen. Ze zijn inderdaad ook zoo onpractisch, dat niemand eraan denkt, om ze thans onveranderd over te nemen en de toepassing daarvan aan te bevelen. Maar wie de donkere schaduwzijde opmerkt, welke aan het parlementaire stelsel met zijn eindelooze debatten en heftige twisten, met zijn politieke partijen en kiezerscorpsen, met zijne kabalen en omkooperijen, met zijne onware leuzen en bedriegelijke programma's verbonden is, kan Bilderdijk verstaan en in zijn gedachtenkring inkomen. En in elk geval, zijne theorieën hadden volstrekt haar oorsprong niet in gebrek aan belangstelling in het heil en de welvaart des volks. Juist omdat deze hem lief waren, wilde hij het volk niet mengen in zaken, waar het geen verstand van had. Hij ijverde voor den patriarchalen regeeringsvorm, om het volk onafhankelijk te maken van allerlei eerzuchtige politieke demagogen. Afhankelijkheid van den Vorst scheen hem een waarborg toe van de vrijheid des volks.

In dat volk zelf met heel zijn bedrijvig leven stelde Bilderdijk het levendigst belang. Van een man, die zeide, dat het volk in zijne spraak altijd tegenover de geleerden gelijk had 41, die onze taal kende als geen ander en in die taal de ziel des volks zelve beluisterde, is niet anders te verwachten. Hij was in zijne levensopvatting door en door nationaal, kende en roemde het Hollandsche leven en schilderde het in zijn taal met groote warmte en 186 innigheid. Zijn Buitenleven strekt daarvoor ten bewijze, want wel is het eene vertaling van Delille's Homme des Champs, maar Bilderdijk heeft het Hollandsch gemaakt 42. In de onderscheiden staten der menschen zag hij een heilzaam onderscheid; rijken en armen kunnen in geluk en in nood elkander niet missen 43; bezit en eigendom hebben hun grond in de behoefte des menschen, en dragen niet alleen een lichamelijk, maar ook een geestelijk karakter; de verdediging van ons goed hangt met die van ons lichaam en van onze vrijheid saam 44. Het heer- en knechtschap is uit eene onderwerping voortgekomen, die een voorafgegaan diep verval en uitersten van jammer onderstelt; de slavernij behoort niet tot de oorspronkelijke natuur van den mensch, maar zij is in onzen vervallen toestand wettig en in veel opzichten heilzaam, gelijk de historie onloochenbaar leert 45. Van de groote steden was Bilderdijk geen vriend, hij gaf aan het landleven met zijne eenvoudige zeden de voorkeur 46, en landbouw werd door hem boven den handel gesteld 47.

In zijn Buitenleven stelt hij in heel het bedrijvig leven van den landman belang; landbouw en veeteelt, jacht en visscherij, ontginning en droogmaking, aardlagen en delfstoffen, planten en dieren tot de kleinste insecten toe, alles trekt zijne aandacht. Van een dorpspredikant en schoolmeester geeft hij eene mooie beschrijving 48, en de schooljeugd met haar spelen 49, het volk met zijne feesten 50 wordt door hem niet vergeten. Zelfs het tooneel droeg Bilderdijk een goed hart toe, mits het anders ingericht werd als in Griekenland, zuiver spel en vertooning bleef en er zich toe bepaalde, om door vrees of medelijden onze hartstochten te roeren 51.

Armoede wekte zijn medelijden. Hij had, buiten en door zijn schuld, er zelf dikwerf kennis mede gemaakt. Weldadigheid was in zijn oog een kostelijke deugd; zij moet van den kant der rijken de afgunst weerstaan en den nijd ontwapenen. Wel mag 187 ze niet beoefend worden, om dank of loon te verwerven, maar hij leeft toch slechts ten halve, die niet voor anderen leeft. Het is plicht en genot beide, in onzen medemensch te ademen, te lijden, te genieten; zichzelf weldadig uit te breiden, en in anderen uit te vlieten, dat maakt ons Gode gelijk, die het heelal niet weldaden doorstroomt 52.

Maar bij deze deugd der weldadigheid bleef Bilderdijk niet staan. Juist zijne opvatting van de patriarchale taak der overheid leidde hem tot de overtuiging, dat het gouvernement maatregelen nemen moest tot ondersteuning van misdeelden door het lot. Kollewijn heeft op dit sociaal element in Bilderdijks gedachtenwereld terecht de aandacht gevestigd 53. In zijn gedicht Oude Vrijsters neemt hij het voor de vrouwen op, die niet in de gelegenheid zijn gesteld, om in het huwelijk te treden; spreekt hij met verachting van den verworpen stoet van grijze jongelingen, die den echt als kluisters schuwt en Gods bevel vertreedt, en eindigt hij met de verzen:

En gij, wien de armoe dwong tot koud en echtloos leven,

Roep over de aarde wraak, die 't geen zij teelt niet voedt.

't Ontbreken aan den plicht moog de Almacht u vergeven,

Maar wee die de oorzaak zijn, dat gij hem schenden moet. 54

Hij spotte daarom met die valsche philanthropie, welke de armen eenvoudig naar Frederiksoord wilde zenden, om er van verlost te zijn 55, en achtte het een eersten plicht van het gouvernement, om voor de middelen van bestaan te zorgen, in dier voege dat ieder jongeling van 18 à 20 jaren trouwen kan en zijn huisgezin voorstaan, en voorts om werkverschaffing op groote schaal in landbouw, zeevaart, visscherij, fabrieken, indien er bij den aanleg te kort komt, krachtdadig te steunen. Practisch zijn deze voorstellen niet, maar ze bewijzen toch de juistheid van Kollewijns opmerking, dat het absolutisme, hetwelk Bilderdijk voorstond, hem de oogen niet sluiten deed voor de belangen van het volk. En ook met het oog op die scherpe tegenstelling tusschen rijkdom en armoede, overdaad en gebrek verlangde hij vol heimwee naar den dag, waarin vrede, eenvoud en oprechtheid op de aarde wederkeeren zou 56.




1 Verhandelingen bl. 86.

2 Bij Van der Wijck, Mr. Johannes Kinker bl. 157v.

3 Verhandelingen bl. 85.

4 Dichtw. VII 133.

5 Verhandelingen bl. 81.

6 Dichtw. VII 133.

7 Dichtw. VII 134.

8 Verhandelingen bl. 90.

9 Dichtw. XII 28-37.

10 Dichtw. XI 519.

11 Dichtw. VII 134, 135.

12 Dichtw. XI 39.

13 Dichtw. XIV 173.

14 Dichtw. VII 126.

15 Dichtw. V 132.

16 Dichtw. II 363. VII 185.

17 Dichtw. V 131, 132.

18 Dichtw. XI 39.

19 Dichtw. XIII 200. VII 132.

20 Dichtw. VII 126, 129, 141. XI 170.

21 Dichtw. VII 181.

22 Verhandelingen bl. 91.

23 Dichtw. XIV 181.

24 Verhandelingen bl. 91.

25 Verhandelingen bl. 171.

26 Dichtw. XII 207, 208.

27 Dichtw. IX 365. XIII 298.

28 Dichtw. IX 260.

29 Dichtw. XIII 372.

30 Dichtw. IX 336.

31 Dichtw. XIII 396, 406.

32 Dichtw. XIII 363.

33 Dichtw. IX 364.

34 Dichtw. XIII 252.

35 Dichtw. XIII 301.

36 Bij Jonckbloet t.a.p. bl. 40.

37 Dichtw. IX 346.

38 Verhandelingen bl. 91.

39 Dichtw. XII 226. XIV 182.

40 Dichtw. XIV 172, 113.

41 Brieven III 70.

42 Da Costa, De Mensch en de Dichter bl. 154.

43 Dichtw. VI 288.

44 Verhandelingen bl. 33, 69, 87.

45 Verhandelingen bl. 91.

46 Dichtw. VI 290, 357v.

47 Bij Kollewijn II 137. Verg. Dichtw. VIII 261, 304. VI 245. XIII 188, 210, 316. XIV 153, 154.

48 Dichtw. VI 291-294.

49 Dichtw. VI 294.

50 Dichtw. VI 296.

51 Dichtw. VI 276. VII 18. Dichtw. XV 140v. Brieven I 194. III 95, 307. Taal- en Dichtk. Versch. I 184, 195.

52 Dichtw. VI 288. V 410. XIV 50, 378, 411.

53 Kollewijn II 136,137.

54 Dichtw. XIII 375.

55 Dichtw. XIV 111.

56 Dichtw. XIV 152-154.






Please send all questions and comments to Dmytro (Dima) Bintsarovskyi:
dbintsarovskyi@tukampen.nl

x
This website is using cookies. Accept