Bilderdijk als denker en dichter

XII.

Geschiedbeschouwing

188 De beginselen, waarvan Bilderdijk uitging, leidden hem ten slotte ook tot eene gansch andere beschouwing van de geschiedenis, dan die in zijn tijd de heerschende was. Bij het rationalisme met zijn codex van onveranderlijke, natuurlijke waarheden in godsdienst, zedelijkheid en recht kon de historie met haar rijke afwisseling en onophoudelijke verandering niet tot haar recht komen. Eigenlijk is heel de historie niets anders dan een afval van de oorspronkelijke natuur; en het rationalisme was zoozeer van de waarheid zijner eigene grondstellingen overtuigd, dat het al het valsche, dat daartegenover stond, niet anders dan door willekeur en bedrog verklaren kon; het miste allen historischen zin. Rousseau zag in de geschiedenis met al hare beschaving slechts eene degeneratie van het menschelijk geslacht, en wilde haar geheel van nieuws aan laten beginnen. En Lessing, ofschoon in zijne Opvoeding van het menschelijk geslacht diepere gedachten ontwikkelend, stelde toch de toevallige historiewaarheden en de noodwendige redewaarheden, het Christendom en de religie van Jezus scherp en dualistisch naast elkaar.

Het spreekt vanzelf, dat Bilderdijk zich in zulk eene beschouwing, die alle hoogere leiding en diepere beteekenis der historie miskende, niet vinden kon. En even begrijpelijk is het, dat hij geen behagen kon scheppen in het optimisme van Leibniz, in de opvatting der geschiedenis als eene paedagogie der menschheid tot zedelijke volmaaktheid (Kant) of tot humaniteit (Herder). Noch de utilistische, noch de aesthetische natuur- en geschiedbeschouwing had de instemming van zijn hart. Monistisch, uit één enkelvoudig principe, was noch de natuur noch de geschiedenis te verklaren. Veeleer waren 189 beide, en inzonderheid de laatste, het tooneel eener machtige worsteling tusschen twee lijnrecht tegenover elkaar staande beginselen. Evenals bij Augustinus, is bij Bilderdijk de historie een tragisch conflict tusschen het Godsrijk en de wereldrijken, waarin de persoon van Christus de centrale plaats inneemt, alle Gode vijandelijke macht zich onderwerpt en den eindelijken triumf van het Godsrijk met al zijne heerlijkheid tot stand brengt.

De geschiedbeschouwing van Bilderdijk draagt daarom een religieus-ethisch karakter. Evenals de natuur, is de geschiedenis Gods werk. Zij draagt ten opschrift: de Heere regeert, en kenteekent de Voorzienigheid op de blinkendste wijze 1. Uitdrukkelijk betuigde Bilderdijk, gelijk boven reeds werd opgemerkt, zijne instemming met het woord van Pascal, dat een recht inzicht van 's menschen val en verderf alles klaar maakt en niets, buiten dit inzicht, dan bloote verwarring en raadsel is, en hij liet nooit na, zijn jonge lieden bij alle gelegenheden dit te doen opmerken 2. Des menschen val in Adam, en daarmede in verband des menschen herstel in Christus was voor hem de hoofdinhoud der wereldgeschiedenis, de oplossing harer raadselen, het licht in de anders chaotische menigvuldigheid der gebeurtenissen. De geschiedenis bestaat dus niet in ecrie onsamenhangende, toevallige reeks van feiten, maar deze worden alle saamgehouden en verbonden door eene gedachte. Er loopt van het begin tot het einde ééne draad door. Er is plan en gang, wording en ontwikkeling in. Ook de geschiedenis vertoont het kenmerk van de eenheid in de uitbreiding, de menschheid hangt niet alleen in de breedte, maar ook in de lengte saam. In den ontzachbren dag der dagen worden alle geslachten saamvergaderd, als parels, aan een snoer geregen 3.

De religieus-ethische geschiedbeschouwing leidt Bilderdijk dus niet tot eene miskenning van de wet van oorzaken en gevolgen, maar juist integendeel tot de overtuiging, dat alles in natuur en geschiedenis met elkander in organisch verband staat. Geschiedenis is niet maar eene aposteriorische opsomming van gebeurtenissen, doch eene wijsgeerige ontleding der feiten als resultaten van zeer samengestelde, algemeene en bijzondere oorzaken. Wie alleen de feiten kent, zonder haar oorsprong, is den naam van geschiedkundige niet waard, evenals hij geen natuurkundige is, die de 190 planten niet in haar zaden kent. Historie-kennis is dus cognitio per causas, kennis uit de oorzaken; en de historische critiek mag niet alleen gegrond worden op de kennis van algemeen menschelijke rechten en plichten, maar ook op die van bijzondere volkstoestanden en staatsinrichtingen, die met den geest huns tijds samenhangen. Zóó alleen verkrijgt men een getrouw beeld van het volk in zijn doorgaand karakter, met al de trekken zijner eigenaardige nationaliteit 4.

Aan deze gedachte gaf Bilderdijk uiting in de bekende verzen in zijn Afscheid:

Wat verschijne,

Wat verdwijne,

't Hangt niet aan een los geval.

In 't voorleden

Ligt het heden;

In het nu, wat worden zal. 5

en breeder nog in zijn Vooruitzicht van het jaar 1826:

Neen, zien we, als menschen voor en om ons! zien wij 't naderen
Des winters, eer hij nijpt, aan 't dorren van de bladeren,
Den zoniergloed vooruit aan 't lengen van den dag
En reeglen we op dien voet ons menschelijk gedrag!
Wat sluiten we oog en hart voor Godspraak, licht, en reden?
De dag die gistren was, bevruchtte 't werklijk heden,
Dat, van de toekomst zwaar, het morgen baren zal.
Niets wordt dan 't geen bestaat; ontwikkeling slechts is 't al.
In d' eikel ligt de boom, in 't zaad de plant verborgen;
Verborgen, ja, voor 't Nu, ontdekt in 't óntplooid morgen;
En, in de kern te zien wat ze inhoudt, dit-alleen
Is Wijsheid; en zij ziet door volgende eeuwen heen. 6

De kern der geschiedenis ligt nu voor Bilderdijk in de heerschappij des Heilands op aarde 7. Met den persoon van Christus, die beveelt het Evangelie te prediken aan alle creaturen, en belooft met zijne gemeente te zullen zijn tot de voleinding der eeuwen, is er eene nieuwe aera aangebroken in de geschiedenis der menschheid, en treedt er niet alleen kerkelijk, maar ook staatkundig eene andere periode in. Christus is het, die na zijne hemelvaart als monarch over de gansche wereld heerscht, en alle 191 macht bezit in hemel en op aarde. Niet onmogelijk is het, dat Christus tegen het einde der dagen deze heerschappij, gelijk de Chiliasten meenen en ook de oude kerk gaarne geloofde, zelf persoonlijk, onmiddellijk en rechtstreeks op aarde komt uitoefenen. Maar hoe dit zij, er is zeker eene middellijke heerschappij des Heilands op aarde en deze is voorbeeld en schets van de onmiddellijke, of treedt in de plaats dezer laatste.

Uit dit oogpunt moet heel de geschiedenis der menschheid bezien worden. „Men beoefent de geschiedenis niet als Christen, wanneer men er menschelijke staatkunde of bloote volksomwentelingen in opmerkt. De weg van Gods Voorzienigheid met het menschdom, inzonderheid met Zijn kerk, moet het voorwerp zijn waar men de aandacht onafgekeerd op gevestigd houdt. Men verdeelt de historie in kerklijke en wareldlijke; maar die verdeeling is willekeurig, en de kerkelijke geschiedenis is daarin niet anders dan de geschiedenis van dat lichaam, dat zich de Christenkerk noemt, maar evenzeer wareldlijk beschouwd en behandeld als alle andere gedeeltelijke geschiedenissen. De geschiedenis der kerk is en moet nog iets anders zijn, en inderdaad naar het ontwerp der Goddelijke Voorzienigheid de wareldlijke omsluiten en in zich samensmelten" 8. Geschiedenis is toch niet eene opsomming van allerlei gebeurtenissen, maar er is eenheid, verband, gang in, en deze is niet te ontdekken, dan wanneer men ze uit een bepaald standpunt beziet. In de historie is daarom te zoeken de doorgaande geschiedenis der Christenkerk, in verband met de voorspellingen. In de gebeurtenissen moet men de voorspellingen zoeken, de voorschaduwingen en toebereidselen van het Koninkrijk van Christus 9.

Nadat Christus zijne kerk op aarde gesticht had, heeft zij zich, ondanks alle verdrukking en vervolging, uitgebreid over heel het Romeinsche rijk. Maar dit rijk werd verscheurd en valt in het Westen. Dit had tengevolge, dat de kerk in het Westen zelfstandiger en onafhankelijk werd, dat zij het rijk-zelve herstelde en in gezag won boven het wereldlijke; door haar opperhoofd voerde zij zelfs de algemeene heerschappij in het Westen. Deze algemeene heerschappij der kerk in het Westen verdient nu onze bijzondere aandacht. Men mag er eene middellijke aardsche 192 regeering van Christus in zien, wel miskend, misbruikt en verbeurd, evenals zijne verschijning in 't vleesch miskend en verbeurd werd bij de Joden. Maar het was toch eene heerschappij van Christus. De vorsten gaven geen Paus als mensch, als paap, als vorst, hun gezag en hun goed, maar als bekleedende den hoofdzetel in Christus' rijk, als Zijn stedehouder op aarde. Zij gaven het Christus, onderwierpen zich aan Hem, en erkenden zich zijne onderworpene onderdanen. En hoe gelukkig ware Europa geweest en geworden, ware die monarchie, die voor 't uiterlijke en een tijd lang zich dus voordeed, gebleven!

Maar dit heeft niet zoo mogen zijn. De groote fout heeft toen bestaan in het herstel der Romeinsche monarchie. De eerste Christenen meenden zeer terecht, dat deze monarchie met Christus' rijk onbestaanbaar was. Maar later zag men dit voorbij, herstelde het Romeinsche rijk, vernieuwde den Keizerlijken naam en wilde deze met het rijk van Christug vereenigen. God gaf toen zijne kerk over aan invloeden, die haar verwoesten moesten. Tusschen kerkelijke en wereldlijke macht ontstond een conflict, dat eeuwen duurde. De staten kregen tweeërlei heerschers, die tegen elkander worstelden, en beschouwden den godsdienst als een vreemdeling in den staat; en de geestelijke macht nam beginselen aan en oefende daden, die met het Christendom onbestaanbaar waren en de geheele kerk verpestten.

Deze toestand werd nog verergerd door de invloeden, die van buiten zich deden gelden. In de Christenwereld was er al vroeger een geest van studie en beschaving des verstands opgekomen, die, als Europa aan zichzelve ware overgelaten gebleven, zijne eigen richting zou genomen hebben en heilzaam geweest zou zijn. Maar er greep een noodlottige invloed van buiten plaats. Het Christendom werd in het Oosten door het opgekomen Islamisme onderdrukt of uitgeroeid. Mohammedanen, en Grieken, die geen godsdienst hadden, brachten toen Europa de letteren en wetenschappen aan 10. 193 Daardoor werd de godsdienst en godsvrucht in de Christenlanden ondermijnd, drong een gruwzaam zedebederf en gedrochtlijke ongodisterij in de kerk binnen en maakte zich zelfs van het middelpunt en den hoofdzetel der kerk meester 11. De paus stelde zijn gezag wel tegenover den keizer, maar leidde dit ten onrechte van Christus af, want het blijkt, dat dit ex post facto uitgedacht werd en een bloote glimp was. Want anders had men de geheele hoedanigheid van den keizer moeten verwerpen en afschaffen, zoo wel als het sprookje van de twee zwaarden. Maar nu liet men Christus in den hemel en stelde zich in perpetuum willekeurig opperregeerder der kerk, en voegde daar zelfs de beschikking over hemel, hel en vagevuur bij 12.

Daardoor werd hervorming der kerk noodzakelijk. De Roomsche kerk nam tegenover de Reformatie eene verkeerde houding aan. Zij zag het gevaar niet in, veronachtzaamde Luther te winnen en gaf door velerlei nieuwigheden, dwaasheden en onzinnigheden vat op zich. Ze leed daardoor eene geweldige af breuk, maar bleef hare aanspraak op de heerschappij handhaven. Zoo zijn er thans twee kerken, de Roomsche en de Protestantsche (want op onderverdeelingen komt het niet aan), die elkander over en weer verdoemen en voor anti-christelijk uitschelden, maar van wederzijde gelijk en ongelijk hebben 13.

Want ook de Hervorming ging niet vrij uit. In zoover zij de kerk geestelijk en zedelijk, in leer en leven en eeredienst hervormen wilde, had zij zonder twijfel recht van bestaan, en van de zijde van Rome op erkenning en tegemoetkoming aanspraak. Maar toen dit niet gebeurde en Rome op den verkeerden weg voortschreed, toen moesten de Hervormers een beginsel aannemen, om de verkeerdheden in de Roomsche kerk te bestrijden, dat eindelijk geheel het Christendom moest afbreken, gelijk de tijd ook geleerd heeft. Ook zij dachten niet aan Christus' algemeene macht in hemel en op aarde. Het Chiliasme, dat deze algemeene macht als toekomstig beschouwde en dus erkende, werd 194 door hen even zoo wel als door de Roomsche kerk veroordeeld. Ja slimmer, zelfs in het geestelijk bestuur liet men de vorsten zich het oppergezag over de kerk aanmatigen. Hendrik de VIIIe maakte zich paus in Engeland; de Duitsche vorsten maakten zich bisschoppen, en de Hervormers wettigden dit 14.

De groote fout der Hervorming is voor Bilderdijk hierin gelegen, dat men dadelijk, in plaats van lijdelijk wilde zijn, en vandaar de zuurdeesem, die in de Protestantsche kerk gebleven is en volstrekt uitgisten moet 15. De Doopsgezinden, die het rijk van Christus lijdelijk wilden afwachten en van de anti-christelijke deelneming wilden vrijhouden, hadden in abstracto gelijk, maar zij onderscheidden de teekenen der tijden niet, die het gedrag van waarachtige Christenen moeten voorlichten 16. De morgenstond, die de Hervorming toonde, heeft dáárdoor tot geen waren dag, tot geen vollen zonneschijn kunnen doorbreken, dat menschlijke combinatiën haar wilden besturen. Vandaar zoo vele verdeeldheden, scheuringen en wezendlijke versterking van de Roomsche bedorven kerk, die er in omvang bij verliezende, inderdaad in kracht en vastheid bij gewonnen heeft. Het is God, die het doen moet, door individueele werking in de harten, maar vereenigingen van menschen door menschen zijn altijd mislukt; God-zelf moet zijne kerk bouwen 17.

Ook op de personen der Hervorming had Bilderdijk vele aanmerkingen. Calvijn werd het gunstigst door hem beoordeeld en de grootste en beste theoloog genoemd. Maar Luther, ofschoon somtijds al wat men wenschen kan, was zichzelven zeer ongelijk. Wellicht, of liever zeker, vorderde de tijd waarin hij optrad een man, juist van zijne gebreken, nu bedaard, nederig, doorzichtig, dan weer woest, dom doordrijvend, trotsch en verwaand, en wat hij van zijn disputeeren met den duivel meldt, houd ik juist, zegt Bilderdijk, voor geen bloote inbeelding. De invloed van Melanchton en Zwingli heeft kwaad gedaan, doch ook dit kwaad had zijn goede zijde 18. Het Presbyterianisme is uit blinde geestdrift van den dollen en koppigen Knox c.s. ontstaan, en te vuur en te zwaard doorgedreven, en het hing ab initio samen 195 met de dolle democratie en vorstenhaat 19. Onbegrijpelijk is het, als men de personen der Hervormers in Duitschland beschouwt, en daarbij de Vorsten, hun begunstigers en beschermers, en hoe en uit wat beginselen en met welke gansch niet geestelijke inzichten die handelden, hoe eene gezuiverde kerk heeft kunnen gevestigd worden; en in 't resultaat kan men de hand Gods niet miskennen. Gezag, onafhanklijkheid, willekeur was bij die Heertjens het groote doel, en waar zelfs oprechte pieteit plaats had, werd die door staatzuchtige motieven verduisterd en daarmede vermengd 20.

Soortgelijk was Bilderdijks oordeel over de hervorming hier te lande en over den opstand tegen Spanje. Zijn ideaal lag eigenlijk verder terug, in de grafelijke regeering met haar leenstelsel en ridderwezen. Daarom wenschte hij later, in den bekenden versregel: Spring twee getallen voort, zoo zijt gij wel genaamd, dat Stadhouder Willem V den naam van Graaf Willem VII mocht dragen, om daarmede te kennen te geven, dat hij van de onzalige bekrompenheid van een bloot stadhouderlijk en ondergeschikt gezag bevrijd was 21. De aanranding van de souvereiniteit door de Hoeksche en later door de staatsgezinde partij stond hem evenzeer als de opstand van een volk tegen zijn wettigen heer ten sterkste tegen de borst. In Filips II zag Bilderdijk daarom geen meineedigen koning noch dwingeland, maar een vorst, die ter goeder trouw en ten beste van een verdeeld en weerspannig volk handelde. Alva was in zijne oogen een krijgsman, wel hardvochtig, maar handelend uit beginsel van plicht en voorbeeldig in zijn krijgstucht en zorg voor goede orde en justitie. En Willem van Oranje gold hem wel als een groot en verstandig man, maar niet zonder groote gebreken. Toch keurde Bilderdijk in beginsel den opstand tegen Spanje, althans in Willem, niet af, omdat deze niet maar Filips' leenman, doch als rijksvorst en prins zijns gelijke was 22. Het recht en de beteekenis van den opstand was voor hem inzonderheid hierin gelegen, dat het Prins Willem I om het zuivere Christendom te doen was en dat hij de grondlegger der ware gezuiverde kerk bij ons werd. Als deze Prins eenmaal verklaarde, tot ons behoud een verbond, niet met aardsche vorsten, 196 maar met den Koning der koningen, voor ons land en volk gemaakt te hebben, dan mogen wij dit niet als een ijdele woordenpraal aanmerken. Daar is inderdaad sedert dien tijd eene bijzondere betrekking van ons vaderland tot God, welke zich in duizend gevallen van bezoekingen en van reddingen getoond heeft. God mag de God van Nederland heeten; meer dan eens heeft Hij ten onzen behoud van die mirakelen gedaan, die men alleen in een land van Zijn welbehagen stellen kan 23. In ons vaderland heeft men de wapenen voor de kerk opgevat en erkende men zich in de kerk te zijn en te strijden. Het is de kerk geweest, die hier te lande den staat gevormd heeft en hem bleef uitmaken 24.

Toch was er ook in ons vaderland geen recht denkbeeld van Christus' macht in hemel en op aarde. Welhaast gedroegen zich de Staten als boven de kerk. En eindelijk kwam het zoover, dat, terwijl de staatsregenten tot nog toe een deel der kerk hadden uitgemaakt en dit het radicaal van het politiek gezag was geweest, de kerk thans van den staat afgescheiden en daarmede aan Onchristenen, Joden en alwat buiten haar is, onderworpen werd 25. In de scheiding van kerk en staat zag Bilderdijk een goddeloos beginsel, en hij achtte ze hier te lande te gruwelijker, omdat onze staat aan de kerk hangt, door de kerk en als bloote omkleeding der kerk gesticht is 26. Hij koesterde deze overtuiging zeker ook al in 1795, toen hij weigerde den eed af te leggen op de verklaring van de onvervreemdbare rechten van den mensch en den burger. Maar later werd ze door de gebeurtenissen versterkt en nog veel krasser dan vroeger uitgesproken. Langen tijd toch hoopte Bilderdijk nog op een herstel van den ouden toestand. In Napoleon zag hij den zoon, maar eerde hij ook den bedwinger der revolutie, den temmer van 't geweld, die aan het monster des schrikbewinds den laatsten doodsteek gaf en met eenen wenk de maatschappelijke orde herstelde 27. In Lodewijk begroette hij met vreugde den redder van ons volksbestaan 28. Getrouwheid aan zijn troon scheen hem plicht toe van vaderlandsliefde 29. Onder de dankbare vereering van Lodewijk vergeet zijn hart de liefde tot Oranje niet; de oprechte Batavier moge 197 gelukkig zijn onder Lodewijks bestier, zijn hart erkent geen vaderland, dan waar de onttoomde Leeuw de Oranje-standaarts plant, en Oranje zelf zal eens aan Lodewijk zijn dank brengen voor het heil, dat hij ons land heeft toegebracht 30. Als Napoleon gevallen is, krijgt zijn hope op het herstel van Hollands onafhankelijkheid vaster grond en heft hij in zijn Afscheid den profetischen zang aan:

Ja, zij zullen

Zich vervullen,

Deze tijden van geluk!

Dees ellenden

Gaan volenden;

En, verpletterd wordt het juk.

Holland leeft weêr,

Holland streeft weêr

Met zijn afgelegde vlag,

Door de boorden

Van het Noorden

Naar den ongeboren' dag.

Holland groeit weêr!

Holland bloeit weêr!

Hollands naam is weêr hersteld!
Holland, uit zijn stof verrezen,
Zal opnieuw ons Holland wezen;

Stervend heb ik 't u gemeld! 31

Maar toen Nederland, onder een koning uit het Oranjehuis, in de rij der natiën hersteld was, kwam Bilderdijk spoedig tot het inzicht, dat zijne speciale wenschen geen vervulling erlangden. De teleurstelling was te pijnlijker, naarmate zijne verwachting vuriger was geweest. De scheiding van kerk en staat bleef bestaan; Joden, Deïsten en Roomschen, Socinianen en Arminianen kregen met de zonen van Luther en Calvijn dezelfde rechten; de vorst werd aan eene constitutie gebonden en daardoor feitelijk van zijne souvereiniteit beroofd en van het volk afhankelijk gemaakt. In één woord, de tijd keerde niet weer,

Toen Neerland als één man voor 's Heilands throon gebogen,
Zich Jezus Leen erkende en eigendom en werk,
In onafscheidbare echt verbonden aan Zijn kerk;
Zich vrij vocht, door Zijn kerk van d' Afval vrij te vechten,
Voor haar de wapens voerde, en niet voor ijdle rechten,
In haar bescherming bloeide, en 't haar geëigend zwaard
Bij 't schild des heilgeloofs, zijn wetten gaf aan de aard! 32

En zoo was het niet alleen in Nederland gesteld; maar overal, 198 waar Bilderdijk den blik heenwendde, zag hij ongeloof en bijgeloof toenemen en de wereld rijp worden voor het gericht. De wording van de onchristelijke staten, dat is de signatuur dezer donkere tijden. „De macht, die der kerk vijandig was (de Romeinsche heerschappij, uit welke alle Staatsgezag werklijk afstamt, en waarvan alle tegenwoordige oppermacht werkelijk een afzetsel, deel en voortzetting is) heeft zich met Konstantijn in den tempel, in Christus' plaats gezet, en daar God vervangen, en regeert erin, beide wareldlijk en geestelijk en verlochent facto Hlem, die de eenige Heerscher in hemel en aarde moet zijn. Maar thands, na over de Christenheid lang gescheurd te zijn, hereenigt zij zich in het zoogenaamde Heilig Verbond, dat godslasterlijk Christus' naam aanneemt, en sticht er als een vijfde monarchie in, die de Almacht niet dulden kan, maar waarvan de poging als 't teeken en tijdstip van Christus' wederkomst is gesteld. Daniël 2 : 44" 33.

Dit Staatsgezag, dat dus eene voortzetting is van het Romeinsche rijk, waarvan in Frankrijk en Duitschland het hoofd gevonden wordt en de overige mogendheden uitvloeisels zijn, is het eigenlijke Antichristendom. Men bedriegt zich dus, als men het Antichristendom in den Paus of de Pauselijke kerk zoekt. De Pauselijke kerk is het beest niet, waarvan in de Openbaring van Johannes sprake is, maar de hoer, die op het beest zit en met den Antichrist vereenigd is, om Christus van zijne heerschappij uit te sluiten 34. Voor de gemeente des Heeren staat dus eene ontzettende vervolging te wachten, maar dan komt Christus weer en aanvaardt den scepter der wereldheerschappij 35. Bilderdijk was daarom vast overtuigd, dat de komst van Christus spoedig te wachten was. Al de wenschen van zijn hart smolten saam in de bede:

Kom, o Heiland, kom, o kom! 36

Soms bidt hij, dat God, indien 't Zijn wil is, hem dien dag nog beleven doe 37. En een ander maal verheft hij zich tot den toon der profetie:

Gij, Aarde, hoort, ja hoort mij spellen!

't Beslissend oogenblik breedt in verwoesting uit!

Der Eeuwen zwangre schoot, in barensnood aan 't zwellen, 199

Der Eeuwen zwangre schoot ontsluit!

De Vorst der Vrede daalt. Buigt neder

Gij Volken! Vorsten buigt en legt uw scepters af!

't Is Jezus, dien gij wacht, gij hebt uw Heiland weder,

o Aarde, o menschdom; ja knielt neder,

Hem is de roem, de kracht, met aarde- en hemelstaf. 38

Deze troostrijke verwachting, die in den laatsten tijd Bilderdijks hoofd en hart meer en meer vervulde, oefende op de teederheid en ruimte van zijn gemoed een weldadigen invloed. De invectieven tegen de Roomsche kerk stieten hem als een kind reeds tegen de borst 39. Hij keurde het af, dat de predikanten altijd absolute predikten tegen de Roomsche kerk en weet dit aan hun theologie, die niet louter Christendom is, maar polemisch Protestantisme, dat is Anticatholicisme 40. Ofschoon hij erkende, dat Rome vele dwalingen leerde, waaronder er zijn die ons moeten doen gruwen en die na Trente bepaald als tot haar wezen behoorende zijn aan te merken, gevoelde hij toch eene aandoening voor deze wieg des Christendoms, waarin zoo vele eeuwen het heiligend zielebrood bewaard is geweest 41. Den overgang tot Rome keurde hij echter beslist af 42 en zelf heeft hij er nooit aan gedacht; wat Bilderdijk op Rome tegen had, betrof niet enkele ondergeschikte punten, maar den grondslag der Roomsche kerk zelven, n.l. de leer van den vrijen wil, van de wederstandelijke genade, van de verdienstelijkheid der goede werken, van de aanroeping der heiligen, van de pauselijke onfeilbaarheid 43. Hij zag verwantschap tusschen ongeloof en bijgeloof, tusschen Arminianisme en Romanisme 44, en verwachtte, dat de afvallige 200 Protestantsche secten zich met de Roomsche kerk hereenigen zouden in een volslagen Antichristendom. Maar tegelijk dacht hij, dat dan de oprecht Roomsche Christenen van haar zouden uitgaan en met de geloovige Protestanten Christus-alleen en geen aardschen Stedehouder zouden erkennen 45. Bilderdijk maakte dus onderscheid tusschen de Roomsche kerk, die vooral sedert Trente aan vele gruwelijke dwalingen zich had overgegeven en meer en meer Jezuitisch werd, en de vele leden in die kerk, die hij gaarne als oprechte, vrome Christenen erkende. Ook voelde Bilderdijk sympathie voor enkele elementen in leer en cultus, welke in Rome bewaard gebleven waren en door de Hervorming ten onrechte waren verwijderd. Daartoe behoorden het gebed voor de gestorvenen, de biecht, het oliesel, de kloosters, en vooral ook het mysterie des avondmaals 46. Dat brood en wijn teekenen en zegelen waren van Christus' lichaam en bloed, daaraan had hij lang niet genoeg; hij wenschte een veel dieper en inniger verband en voelde daarom zich vanzelf eenigszins aangetrokken door de Roomsche transsubstantiatieleer 47. In zijne brochure Aan de Roomsch-Katholyken dezer dagen sprak hij dan ook de meening uit, dat, als de Katholieken de leer der onfeilbaarheid konden prijsgeven, er misschien in andere geschillen vereffening te verkrijgen ware 48.

Even ruim van hart was Bilderdijk jegens Christenen in andere kerken gezind. Naar zijne meening was het, tegenover den gemeenschappelijken vijand des ongeloofs, voor de geloovige Christenen in alle kerken roeping, om zich aaneen te sluiten en elkander te sterken. En tot die geloovige Christenen rekende hij allen, die aan de hoofdwaarheden des Christendoms, vooral de leer van de zonde en van de verzoening in Christus, trouw bleven. Met de Oudkatholieken was hij bijzonder ingenomen 49. In het Chiliasme, het Anabaptisme, het Mennonitisme, het Herrnhuttisme, erkende hij gewichtige bestanddeelen van waarheid. Zelfs onder de Arminianen, die overigens van wege hunne vrije wilsleer 201 en werkheiligheid hem niet behagen konden, nam hij dwalende broeders aan 50. De innige overtuiging en openbare prediking van Christus als God en Verlosser moet het criterium der ware kerk zijn. Laat men in bijzonderheden dwalen, dit fundament zal behouden alwie er op bouwt, maar wie dit aantast of vermengt, is antichristisch; en zoo doen zij, die met hun vrijen wil en eigen verdienste iets meenen te kunnen toebrengen en geen onnutte dienstknechten zijn willen. Waarlijk, zoo voegt Bilderdijk hier nog aan toe, het moet treffen, als de Apostelen eenvoudig den doop toedienen op de algemeene bekentenis dat Jezus is de Christus, terwijl wij zoo vele leerstukken daarbij schijnen te hebben. Ik zeg schijnen, want inderdaad zijn zij allen in dit ééne besloten, en het is alleen de vermenging der Heidenenfilosophie met het Christendom, die deze eenige en groote waarheid in de uitdrukking verduisterd heeft, en dus die verklaringen en waarschouwingen tegen toemengsels en misvattingen noodzakelijkmaakt 51.

Voor zichzelven stond Bilderdijk beslist op den grondslag der Gereformeerde belijdenis. Heerlijk vond hij de acta der Dordrechtsche Synode; die ze leest, moet voor waarheid verstompt zijn, of er door gewonnen worden 52. Maar hij vatte den band aan de confessie als een band der vrijheid op. Men verstaat, zegt hij, de vrijheid van het Evangelie niet. Men is aan de Formulieren, Belijdenissen, Catechismen etc. niet gebonden. Men gelooft niet rechtzinnig, omdat de Formulieren etc. dus spreken en leeren; maar omdat wij rechtzinnig gelooven, nemen wij 't geen met ons gelooven overeenkomt aan. Niemand gebiedt of verbiedt het dus of anders gelooven, maar dit dus of anders gelooven maakt mij deelhebber of uitgeslotene van de kerk, die dus gelooft. En die der kerk zijn gevoelen wil opdringen tegen de confessie, deze is de onverdraagzame, de dwinger, de intrusor, de schender der maatschappelijke rechten, de conscientie-gewelddoener. En dit waren de Arminianen in de 17e eeuw, en dit zijn de Neologen thans, verbrekers van alle Goddelijke en menschelijke rechten en vijanden van het menschelijk geslacht 53. In zijn adres Aan de Ware Hervormden in de Gemeenten van Holland van het jaar 1810 ried hij dan ook aan, dat zijne geloofsgenooten vaarwel zouden 202 zeggen aan eene gemeenschap, waar Jezus niet in het midden is, maar menschelijke dwaasheid het woord voert, en hij hield daarbij de Herstelde Luthersche kerk ten voorbeeld 54. In 1823 sprak hij wel in zijn gedicht Aan den Koning den wensch uit, dat, al moest deze als vorst aller recht beschermen en Christen en Deïst, Priester en Rabbijn hem even waard zijn, hij toch, als lid van Hollands kerk, zuiverheid van leer zou eischen in ieder, die als prediker in die kerk optrad, en de kerk bij hare rechten beschermen zou 55. Maar zijne verwachting is in dezen niet groot geweest. Want in November van datzelfde jaar schreef hij aan Capadose, dat het in de Nederlandsche kerk, gelijk die thans bestaat, niet te doen zou zijn, om de aanhangers van het Socinianisme en Deïsme eenvoudig als Onchristenen uit de kerk te sluiten. Zulk eene uitsluiting ware alleen te verkrijgen in den weg eener afzondering als die van Vijgeboom. Maar indien zulk eene afzondering slechts door een klein hoopjen geschiedt, geeft zij gelegenheid tot het opkomen van andere, hetzij kettersche, hetzij zedelooze bijeenkomsten en aanhangen, waar de tegenwoordige eeuw, bij de algemeene zwakheid van hersenen, zeer vatbaar voor is. Een nauwer verband met de Herstelde Luthersche kerk van Amsterdam zou, kon het te weeg gebracht worden, het beste middel zijn. Doch wat helpen overleggingen, zegt Bilderdijk ten slotte, 't is in de Goddelijke hand van onzen Heer en Koning, en die zal de zaak hare wending geven! 56

Bij deze laatste gedachte legt Bilderdijk zich steeds geruster neer. Van een voornemen, om zich af te scheiden, is er bij hem nooit eenig spoor te ontdekken. Het bovengenoemd adres uit het jaar 1810 werd eerst na zijn dood in het licht gegeven en de raad, daarin voorkomende, had noch op zijn eigen gedrag noch op dat zijner vrienden eenigen invloed. Zijne eigenlijke, overtuiging sprak hij veel duidelijker uit in een brief uit het jaar 1822, die na zijn dood het licht zag, en waarin de volgende woorden voorkomen: „Daar behoort eene zekere innerlijke roeping bij, om (met verlating van de bloote betrekking als leek) als Hervormer op te treden, en waarlijk ik gevoel mij den man niet, die zoodanig met buitengewone gaven van omhoog bevoorrecht zou zijn, maar een eenvoudig (schoon ijverig) Christen, die aan 203 zijnen akker inwendig rijkelijk te wieden heeft, dagelijksch om vermeerdering en versterking van geloof smeeken moet, en zijne zaligheid (als de Apostel zegt) met vreezen en beven moet uitwerken. Nooit was ik onderneemziek, maar volgde in geheel mijn levensloop de wenkende hand van God, en Zijne Voorzienigheid heeft mij altijd voor aardsche middelen gestrekt; hier houdt mijn hart op eene bijzondere wijze aan vast, en met dit gevoel kan ik alles te gemoet zien en zonder ontzetting. Vertrouwen wij, mijn lieve Vriend en Broeder in Christus, op Hem; enverdwijnt ook de zichtbare kerk in verkeerdheden, slapheid en ontaarding van leer en zeden, Hij leeft en regeert, en de poorten der Helle zullen Zijne Gemeente, die Hij kent, afgezonderd en verzegeld heeft, niet overweldigen. Ik durf het hier herhalen de teekenen der tijden waarschuwen ons met bedaardheid en in verzekerd uitzicht op het einde, den tegenwoordigen toestand aan te zien, zonder eigenwillig vooruit te loopen. Ieder toone zich een Christen, en spreke met vrijmoedigheid en zonder iets te ontzien, in zijn kring, openbaar en huislijk; maar in de kerk zelve zich verheffen of als kerkhoofd op te treden (ik herhaal het) hiertoe, geloof ik, is eene bijzondere roeping noodig. Men kan ook te veel en te voorbarig doen, en het gezwel wordt kwalijk geopend, eer het rijp is geworden" 57.

De vraag, of Christus zijne belijders dan ook niet in de kerk tot getrouwheid roept, stelt Bilderdijk zich niet. Lijdelijke berusting trok hem te meer aan, naarmate hij de wereld in deze bedeeling aan den afval prijsgegeven zag en zijn hoop op herstel uitsluitend vestigde op de spoedige wederkomst van Christus. Immers, „terwijl alles samenspant, om het geheele Joden- en Christendom te vernietigen, bereidt de Voorzienigheid in stilte den val van de tegenwoordige Staten, en tevens de terugbrenging des menschdoms tot Christus. Vandaar is 't, dat alle staten en alle deelen van hun bestuur en verband zichzelven en malkander onderling meer en meer verwoesten. Geen finantie, geen krijgssystema, geen constitutie, geen koophandel, niets met één woord, of het staat gereed in te storten 58. Aan den anderen kant is het 204 algemeene Mahometismus, waarvoor de afgoderij geweken is, de zelfverwoesting der Filozofie, de verspreiding van eenige Christelijke waarheden, en het instorten-zelf van alle bestaande oppermachten, eene vereeniging van middelen in Gods hand, om de vatbaarheid voor de algemeene aanneming van Christus' rijk (waar in der daad alles naar smacht) daar te stellen" 59.

Voor een blinden ijver, die zich een doel vormt en daarop afrent, was Bilderdijk daarom zeer bevreesd. Hij was bang voor plans van gemeenschappelijke daden, en evenzeer voor vereenigingen en voor openbare afscheuringen. De vereenigingen moeten geestelijk, innerlijk, volstrekt niet uiterlijk zijn, en de afscheidingen moeten van de andere zijde komen, en uitwerpingen, vervolgingen van de onzen zijn. Dit is de weg, die ons thans geleerd en voorspeld wordt. Langs dien weg is het Christendom gekomen. Afzondering heeft de kerk gevormd en haar doen overwinnen, alle samensmelting of vermenging van haar met het Onchristendom is haar verdelgend. En langs dienzelfden weg zal nu ook het volkomen Rijk des Zaligmakers op aarde gevestigd worden. Holland moet thans en in zijn verval het middelpunt van het ware Christendom worden; daartoe dient het verval, in welvaart niet slechts, maar ook in zijne kerk. Stel u onze kerk in haar bloei en stijve rechtzinnigheid voor, en in dien toestand de komst des Heeren; zoudt ge er gemoedsgesteltenis bij kunnen onderstellen, om Hem te erkennen? Vereischte dit geen verval vooraf van den bloei en van het zelf behagen aan dien bloei? Hoe men 't neme, bij een bloeiende kerk is des Heilands zichtbare aanvaarding der heerschappij niet te verwachten, maar alleen bij een vervallen en in haar verval tot Hem zuchtende en aan zichzelve ontvallen kerk, welke Hij alleen kent en weet te vergaderen, maar geen menschenbeleid of macht 60.

Bij de wederkomst van Christus verwachtte Bilderdijk eene bekeering van het volk van Israël. Hij was tegen de inlijving der Joden in de burgerschap der natiën, waaronder zij leven, omdat zij daardoor ophielden een bijzonder volk te zijn en zeggenschap ontvingen over de Christelijke belangen van staat en 205 kerk en maatschappij 61. Maar voor de Joden koesterde hij eene warme genegenheid, en hij geloofde vastelijk, dat zij eenmaal Jezus als den gezalfden Verlosser erkennen en eeren zouden, wiens verschijning zij nog steeds bleven verwachten 62. En evenzoo koesterde Bilderdijk de stille hoop, dat vele ongeloovigen en Heidenen, die nu Christus versmaadden of Hem niet kenden, toch later nog tot Zijne erkentenis gebracht zouden worden en de hemelsche zaligheid zouden beërven. Over het algemeen was hij zeer zacht in zijn oordeel. Wij weten niet, wat kinderen vatbaar zijn te ontvangen, en hoe zij meer door het geestelijke in hunne lijdelijkheid doorstroomd worden dan wij 63. Hij wenschte even ver af te zijn van het lichtzinnig zaligen van alles, zonder het eenige middel ter zaligheid, Christus' aanneming, als van het onbarmhartig verdoemen van alles, wat buiten onze gemeenschap van opgevatte begrippen gaat 64. Zalig die in den Heere lijdt en in Zijne hoop en verwachting sterft. Maar wanhopen wij aan niemand! Gelijk wij de eerste bewegingen van ons hart niet kennen of in onszelven niet gewaarworden; zoo is 't ongetwijfeld ook met velen ten aanzien van de werking der genade, en het imperceptibel oogenblik is beslissend. De moordenaar aan het kruis is een voorbeeld. Treden wij niet in Gods geheimenissen, noch bepalen wij het getal der velen, wien Jezus tot zaligheid is geworden! 65 De snelste overgang tusschen leven en dood is niet te snel voor de kracht Gods 66. Laat Heidenen heidenen, wier wijsheid en deugd hoogmoed en zelfafgoderij of beeldendienst of pantheïsmus was. God-alleen weet, wie en hoe vele Hij uit hen door een ingewikkelder of klarer of duidelijker erkentenis van den Heiland, en op welk eene wijze (al ware 't ook zonder apperceptie daarvan, evenals de kinderen, vóór de geboorte gestorven) begenadigd heeft. Maar wat er van zij, laten wij 't aan God over en dringen wij niet in Zijne ons verborgene wegen 67.

Voorts komt Bilderdijk er ten sterkste tegen op, om een gevoel van menschelijkheid aan Gods oordeel ten maatstaf te leggen en hetgeen duidelijk geopenbaard is te weerspreken 68. Hij hield de leer der eeuwige straffen vast en verwierp die van de wederoprichting 206 aller dingen 69. De zonde is de oorzaak der straf; als de zonde niet door de gemeenschap met Christus wordt weggenomen, kan zij nooit ophouden te werken 70. Maar hij vatte de verwerping toch op als eene negatieve daad, als „eene bloote aanschouwing van een voortduur des genen dat is" 71. En van eeuwige zaligheid of eeuwige straf hebben wij geen denkbeeld. Het woord zelf drukt het denkbeeld niet uit, dat wij er aan willen hechten 72. Ons denkbeeld van tijd bestaat in successie van eene verdeeling, die ons verstand maakt. Immers is hetgeen is, wezenlijk geen successief maar een eenstemmig zijn, altijd als in 't engst bekrompen stip van tijd, dat wij ons voorstellen. Wat vermenigvuldigt dan onze zwakke verbeelding door partieele beschouwing, hetgeen één en uit dien hoofde voor ons onbegrijpelijk is? Dit moet alles illusie zijn. Meer valt er niet van te zeggen, maar ook daarin is barmhartigheid, schoon ons aardsch begrip zich daar niets van voorstellen kan. Wat de Schrift zegt van het vlammende vuur en den worm die niet sterft, blijft onverzwakt staan, en de oneindige afstand tusschen de zalige gemeenschap niet God en het gewis dier gemeenschap wordt er niet door weggenomen. Doch God is wijs, en Zijne rechtvaardigheid is onwraakbaar, en geene Zijner eigenschappen bestaat afzonderlijk, maar zij zijn één in Hem. Laten wij de eeuwigheid niet samenknoopen uit onze oogenblikken, dagen of uren, want dat geeft eene valsche voorstelling. Voor ons is geen tegenwoordig, in de eeuwigheid alleen is tegenwoordig 73. „Ex post facto zullen wij God door een hooger inzicht rechtvaardigen, ook daar, waar de zaak voor geene rechtvaardigheid vatbaar is en Zijne barmhartigheid loven, ook in 't gene 't voor geene barrnhartigheid is: want alle Gods deugden en volmaaktheden zijn één, en onze jammerlijke prisma van 't gebrekkig verstand verdeelt slechts de straal in ons aanzien" 74.

Bedrieg ik me? of dat uur, dat heiluur, rukt het nader,
Dat Jezus lamm'renkudde in ééne kooi, vergader'!
't Heelal Hem huldig', die, met Godlijk licht omkleed,
Op starrenkronen beide en wareldscepters treedt!
Gewis, die dag spoedt aan, die heiligste aller dagen,
Dien Dichter en Profeet, van 's aardrijks wieg, voorzagen:
De zege is Uw, o Held! de roem, en Oppermacht;
Verschijn, en zalig de aard die naar uw weêrkomst smacht! 75



1 Bij Ten Kate t.a.p. bl. 43.

2 Brieven III 119.

3 Dichtw. VII 131.

4 Ten Kate t.a.p. bl. 41, 42.

5 Dichtw. IX 117.

6 Dichtw. IX 350.

7 Bilderdijk sohreef daarover een bijzonder opstel, Opstellen II 95-110.

8 Opstellen II 96.

9 t.a.p. bl. 96-98.

10 De invloed van Plato, Aristoteles en heel de Heidensche philosophie op de Christelijke wetenschap werd door Bilderdijk zeer ongunstig beoordeeld, en met de scholastieke philosophie had hij weinig op. De eenvoudige openbaring werd erdoor verwisseld met verstandelijke stelselsmeding, en de philosophie, eerst dienstmaagd, werd allengs beschutster, lijftrawante en dienaresse van den godsdienst; straks verhief zij zich tot gezellin, geleidster, en, naar den aard eener oude dienstbode, tot huishoudster en huisvrouw, die de wettige vrouw de deur uitbonsde. Het 193 ware beter geweest, als de uitsluiting der Christenen van het onderwijs in Grieksche en Latijnsche letteren, door Julianus geboden, volkomener en voortdurend gewerkt had; dan ware het Christendom zuiverder gebleven en op geene Platonische of Aristoteliaansche grondslagen opgebouwd, waardoor het ontaarden moest. Brieven V 95. Opstellen II 84. Verhandelingen bl. 157, 158.

11 Opstellen II 103.

12 t.a.p. 107.

13 t.a.p. bl. 102.

14 t.a.p. bl. 102, 107.

15 Brieven VII 114.

16 Opstellen II 115.

17 Brieven V 34.

18 Brieven IV 104.

19 Brieven IV 101.

20 Brieven IV 104. Opstellen II 101, 102.

21 Da Costa t.a.p. bl. 65.

22 Bij Ten Kate t.a.p. bl. 44v. Verg. Dichtw. XI 13, 14, 68, 232, 245, 346.

23 Brieven II 42.

24 Opstellen II 46, 107, 108.

25 Opstellen II 108.

26 Brieven V 96.

27 Dichtw. IX 8, 17, 102, 239, 491.

28 Dichtw. IX 22, 26, 95, 97.

29 Dichtw. IX 95.

30 Dichtw. IX 65, 66, 124.

31 Dichtw. IX 118.

32 Dichtw. IX 262, 243, 263v., 273. Opstellen II 103, 108.

33 Opstellen, II 109. Brieven I 282.

34 Opstellen II 109-110.

35 Opstellen II 111-145.

36 Dichtw. XI 190.

37 Dichtw. V 6.

38 Dichtw. IX 244. XI 191.

39 Brieven IV 105.

40 Opstellen II 84.

41 Opstellen II 83.

42 ibid.

43 Zie de beide geschriften van Bilderdijk: Een Protestant aan zijne Medeprotestanten, Amsterdam 1816. Aan de Roomsch-Katholyken dezer dagen, door een Protestant, Leyden 1828.

44 Brieven IV 58 zegt Bilderdijk, dat Vondel en velen met hem van Gereformeerd Remonstrantsch en daarna Roomsch zijn geworden. En dit is natuurlijk. „Want zoodra de zaligheid aan onzen vrijen wil hangt (de vrije wil of zijn determinatie is dan noodwendig een menschelijke daad), hangt zij aan onze daden of werken, en deze moeten dan de zaligheid geven. Maar geven zij de zaligheid, zoo zijn zij verdienstelijk; en die verdienstelijkheid hebben dan ook gemeene, gewone Christenmenschen in hunne gewone menschelijke deugden. Maar wat doen dan de Heiligen met dat meerdere, dat zij boven hetgeen de zaligheid geeft verdienden, waarvoor zij geen loon ontfangen kunnen, omdat de zaligheid met minder betaald wordt? Hiervan schenken zij hun recht en doen 't over aan die gebrekkig in goede werken zijn en 't verlangen. Zie daar derhalve de aanroeping der heiligen gegrond!"

45 Brieven IV 97.

46 Een Protestant aan zijne Medeprotestanten, Amsterdam 1816 bl. 32v., 57v. Alberdingk Thym bij Gorter t.a.p. bl. 184. Verg. ook het gedicht: Aan de Moedermaagd, Dichtw. V 143.

47 Brieven IV 59, 174. V 42.

48 Aan de Roomsch-Katholyken dezer dagen. Door een Protestant. Leiden 1823 bl. 32. Een Protestant bl. 65.

49 Bij Kollewijn II 112.

50 Opstellen II 65.

51 Opstellen II 91.

52 Brieven IV 101.

53 Opstellen II 87, 88.

54 Opstellen II 52, 53.

55 Dichtw. IX 166.

56 Brieven V 76, 77.

57 Opstellen, in de voorrede van da Costa II bl. VI, VII.

58 In zijne Toelichting van de bezwaren tegen den Geest der eeuw van Mr. I. da Costa, Leiden 1822, betoogt Bilderdijk, dat alles, 204 godsdienst, kerk, staat, maatschappij, onderwijs, geschiedenis, wetenschap, kunst enz. tegenwoordig in diep verval verkeert.

59 Opstellen II 113.

60 Br. IV 114, 115. V 95.

61 Opstellen II 103, 108.

62 Dichtw. V 45, 250, 313, 458. Opstellen II 104. Brieven V 44.

63 Brieven V 42.

64 Brieven IV 147.

65 Brieven IV 254.

66 Brieven IV 255.

67 Brieven V 81.

68 Brieven V 80, 81.

69 Brieven IV 140-143.

70 Brieven IV 141. V 82.

71 Br. IV 180.

72 Brieven V 80.

73 Brieven IV 150-151.

74 Br. V 83.

75 Dichtw. V 175.






Please send all questions and comments to Dmytro (Dima) Bintsarovskyi:
dbintsarovskyi@tukampen.nl

x
This website is using cookies. Accept