Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

17. Door jongere theologen is dit in de laatste jaren ook gevoeld en uitgesproken. Ritschl was naar hun mening nog inconsequent en bleef halverwege staan. Zijn eigenlijke bedoeling was toch geen andere, dan om op het voetspoor van Kant godsdienst en wetenschap volkomen te scheiden. Maar deze scheiding trok hij niet ten volle door. Hij nam in de religie altijd nog weer theoretische elementen op, bond ze aan de historie, nam ten aanzien van het Christendom een partijdig, bevooroordeeld standpunt in, maakte exegese en dogmenhistorie dienstbaar aan een systeem, en bleef in de grond nog dogmaticus. Maar ook deze rest van dogmatisme moet afgelegd worden. Wij moeten enerzijds, het beginsel van scheiding consequent doortrekkende, de religie louter practisch opvatten, ze met Schleiermacher weer erkennen als subjectieve vroomheid, als mystiek des harten, en dan anderzijds al het overige, dus de ganse theologie volkomen emanciperen van alle subjectieve vooringenomenheid, Schrift en kerk, exegese en dogmenhistorie op exact wetenschappelijke wijze beoefenen en het ganse Christendom invoegen in de algemeen-menselijke verschijnselen van de godsdienst. Zo kwam voor enkele jaren de dusgenaamde religionsgeschichtliche methode op, welke in de studie van Oud en Nieuw Testament werd toegepast door Wellhausen, Duhm, Smend, Delitzsch, Zimmern, Winckler, Gunkel, Bousset, Deismann, Wrede, Wernle, Heitmuller enz., in de dogmenhistorie door Krüger, von Schubert, Sell, Weinel e.a. en in de dogmatiek vooral door Ernst Troeltsch van Heidelberg.

Volgens deze hoogleraar is de eenheid, die vroeger tussen godsdienst (Christendom) en wetenschap bestond, sedert het rationalisme der 18e eeuw ten enenmale verbroken. De oorzaak daarvan, ligt in de verandering, welke de opvatting zowel van wetenschap als van godsdienst heeft ondergaan. De wetenschap heeft alle apriorisme afgelegd, is positief geworden en heeft de metafysica uitgebannen. Ze bestaat thans alleen nog als mathematisch-mechanische natuurwetenschap, en als kritisch-comparatieve geschiedwetenschap. In beiderlei opzicht staat zij vijandig tegen de oude opvatting van godsdienst en theologie over. En deze is dan ook allengs in die zin gewijzigd, dat men van een uitwendige autoriteit niet meer wil weten, de bovennatuurlijke elementen, die erin voorkomen, zooals profetie, wonder, inspiratie zoveel mogelijk inkrimpt of ook geheel prijs geeft, de historische kritiek op de Schrift ten volle aanvaardt en de dogmata slechts als symbolische uitdrukkingen van het persoonlijk geloof beschouwt. Er bestaat dan ook geen methode meer, volgens welke het Christendom nog als absolute religie te handhaven zou zijn. De historisch-apologetische, de speculatieve en de methode der religieuze ervaring hebben dit tevergeefs beproefd. Er blijft voor de theologie dus niets anders over, dan dat zij met elke dogmatische methode radicaal breekt en eerlijk en consequent de religions-geschichtliche methode toepast. Het Christendom moet objectief en subjectief uit zijn isolement worden losgemaakt en in de samenhang der geschiedenis opgenomen; het moet opgevat worden als een lid in de algemene godsdienstgeschiedenis en naar religions-geschichtliche methode beoefend worden. Dan zal dit doel wel niet te bereiken zijn, dat het Christendom bewezen worde de absolute religie te zijn, want geschiedenis maakt alles relatief. Maar dan wordt enerzijds toch gewonnen, dat men het Christendom als een echt historisch verschijnsel, zonder vrees voor enige kritiek, beoefenen mag, en anderzijds, dat men het Christendom beoordelen kan naar een door de historie, door het vergelijkend onderzoek der godsdiensten aan de hand gedane maatstaf, en het zo toch in zijn grote historische waarde als de hoogste der godsdiensten, erkennen en eren kan1. Bij de Ritschlianen vond deze religions-geschichtliche methode uit de aard der zaak niet veel instemming2, maar toch verdient zij de lof der consequentie. Want als het positivistisch begrip van wetenschap aanvaard en voor de godsdienst alleen in scheiding heil gezocht wordt, komt er geen rust, voordat de religie alle theoretische elementen aan de wetenschap heeft afgestaan en zelf niets dan een vaag, mystiek gevoel heeft overgehouden. Maar het schijnt, dat de moderne wetenschap de godsdienst zelfs in deze verborgen schuilhoek van het hart niet met rust kan laten. Want ook de historische methode is de echt wetenschappelijke nog niet. Wel wordt door vele geleerden de zelfstandigbeid der geschiedwetenschap naast die der natuur gehandhaafd3; maar het zegt al veel, dat deze zelfstandigheid tegenwoordig krachtig verdedigd moet worden. Het streven der moderne wetenschap gaat er naar uit, om ook de geesteswetenschappen positief en exact te maken, om ook op haar gebied zoveel mogelijk de methode der natuurwetenschap in toepassing te brengen. In de psychologie is dit reeds geruime tijd, en niet zonder enig resultaat, geschied. En zo is in de laatste jaren ook op de religieuze verschijnselen de experimentele methode toegepast. Voordat men aan speculatie beginnen kan, moet men eerst zo objectief mogelijk de verschijnselen bestuderen en de feiten vaststellen. Godsdienstige mensen moeten op dezelfde exacte wijze worden waargenomen en onderzocht, als kranken, zenuwlijders en krankzinnigen. Hun zieleleven moet voorwerp van wetenschappelijke studie worden naar dezelfde methode, als het zieleleven bij dieren, kinderen, mannen, vrouwen enz. waargenomen en bestudeerd wordt. Natuurlijk trekken de “interessante gevallen” daarbij het eerst en het meest de aandacht. Evenals kunst het best bestudeerd wordt aan de meesterwerken, die op dit gebied tot stand gebracht zijn, zo leert men het wezen der religie het best kennen bij hen, die geheel en al in de godsdienst opgingen. Profeten, zieners, extatici, visionairen, enthousiasten, wonderdoende heiligen, ketters, scheurmakers vertonen de religie in haar persoonlijke en individuele, in haar oorspronkelijke en scheppende kracht. De inhoud der religie doet er niet toe; alles komt aan op de karakteristieke vorm. Deze religieuze verschijnselen moeten dan eerst objectief worden waargenomen, zonder eenige beoordeling, zonder dat er iets van te voren over uitgemaakt wordt of vaststaat; exclusion de la transcendance, is, gelijk Flournoy het noemt, het eerste vereiste, dat bij de toepassing van de wetenschappelijke methode op de godsdienstige verschijnselen nodig is. En daarbij komt in de tweede plaats dan, als heuristisch beginsel, l’interprétation biologique des phénomènes religieux; dat wil zeggen, de godsdienstige verschijnselen moeten opgevat worden comme la manifestation d’un processus vital; ze moeten nagegaan worden in hun psychofysische natuur, in hun groei en ontwikkeling, in hun verband met andere functies der ziel, in hun betekenis voor individu en maatschappij. En als dit alles gedaan is, is er een solide grondslag voor mogelijke speculatie gevonden en kunnen daaruit wellicht allerlei metafysische conclusies worden afgeleid. De historisch-comparatieve en experimenteel-psychologische studie van de godsdienst loopt dan tenslotte op een wijsbegeerte van de godsdienst, op een wijsgerige dogmatiek uit4.

1 Troeltsch, Die Selbständigkeit der Religion. Zeits. f. Th. u. K. 1896 bl. 177 v. Geschichte und metaphysik, ib. 1898 bl. 1 v. Die wissenschaftliche Lage und ihre Auforderungen an die Theologie. Freiburg 1900. Id. Ueber historische und dogmatische Methode in der Theologie (Theol. Arbeiten a. d. Rhein. wissensch. Predigerverein. N. F. Heft 4 bl. 87-108. Id. Die Absolutheit des Christentums und die Religionsgeschichte, Tubingen 1902. Id. Psychologie und Erkenntnistheorie in der Religionswissenschaft, Tubingen 1905. Verg. ook Rade, Zum Streit um die rechte Methode der christl. Glaubenslehre. Zeits. f. Th. u. K. 1901 bl. 429-434.

2 Hegler, Kirchengesch. oder christl. Religionsgesch. Zeits. f. Th. u. K. 1903 bl. 1-38. Traub, Kirchliche und unkirchliche Theol. ib. bl. 39-76. Gottschick, Die Entstehung der Losung der Unkirchlichkeit der Theol. ib. bl.77-94. Reischle, Hist. und dogm. Methode der Theologie. Theol. Rundschau 1901 br. 261-275. 305-324. Traub, Die relig. gesch. Methode und die system. Theol. Zeits. f. Th. u. K. 1901 bl. 301-340. Herrmann in Schürers Theol. Lit. Z. 24 Mai 1902. Harnack, Die Aufgabe der theol. Fakultäten und die algemeine Religionsgeschichte, Berlin 1901.

3 Bavinck, Christelijke Wetenschap, Kampen 1904 bl. 65 v.

4 Flournoy, Les principes de la psychologie religieuse, Gelleve 1903. Berguer, L’application de la méthode scientifique à la théologie. Geneve 1903. Murisier, Les maladies du sentiment religieux, Paris 1901. William James, The varieties of religious experience. Gifford Lectures. 8 ed. 1904. B. Duhm, Das Geheimnis in der Religion, Tübingell 1899. G. Vorbrodt, Psychologie in Theol. u. Kirche, Leipzig 1893. Id. Psychologie des Glaubens, Gattingen 1895. Id. Beiträge zur relig. Psychologie, Leipzig 1904. Dr. S. Cramer, De godsvrucht voorwerp van historisch onderzoek, Amst. 1903, verg. de aankondiging ervan door Dr. Hylkema, Theol. Tijdschr. XXXIV bl. 385-398.

x
This website is using cookies. Accept